Interview Eric de Vroedt

interviews,Theatermaker — simber op 18 december 2012 om 11:00 uur
tags: , ,

[extented version van het interview uit de TM van december]

Het is een paar dagen na de première van Mightysociety10. Voor Eric de Vroedt is Mightysociety klaar maar nog niet klaar. Hij moet nog met de voorstelling mee op tournee (“Dat is het echte werk”), hij wordt ’s avonds in de sideshows ondervraagd door prominenten en hij werkt aan de Mightyfinalremix, een multimediale epiloog van de serie. Maar terugblikken kan al. Snel pratend, meanderend, ferme statements makend en die later soms weer nuancerend of ronduit tegensprekend. “Eigenlijk ben ik helemaal niet geëngageerd.”

Je hebt het volbracht. Hoe voelt dat?

Het voelt nu heel voldaan. Tegelijk was het hele spannende voor mij niet óf ik het wel zou volbrengen, maar of het succesvol zou worden en of ik het door zou kunnen ontwikkelen. Dat dat gelukt is voelt heel goed. Bij Monk had ik in een jaar of zes ook tien voorstellingen gemaakt, dus ik wist dat ik dát wel voor elkaar zou krijgen. Het waren er ook van het begin af aan tien, ik zou er nu niet nog vijf kunnen maken. Dat is ook zo’n beetje de uiterste houdbaarheid van een concept of een groep. Na zes à acht jaar is het over z’n hoogtepunt heen. Daarna dreigt het gevaar dat het je belangrijkste doel wordt om je instelling in stand te houden.

Vlak na Mightysociety1 had je in een briefwisseling met Pieter Bots felle kritiek op Ivo van Hove die een cyclus van voorstellingen over het huwelijk maakte. Nu eindig je Mightysociety met een voorstelling over familie. Wat is er gebeurd?

Ik vind mijn familiedrama wel heel anders dan Ivo’s huwelijkscyclus toen, heel kort nadat Theo van Gogh was neergeknald. Ik was boos omdat er ineens beweerd werd dat zo’n huwelijksdrama dat vijf jaar vantevoren gepland was dáárover ging, of dat het huwelijk een microcosmos is voor de grote wereld, en dat vond ik in 2004 echt onzin.

Mightysociety10 werd een familiedrama omdat het zich opdrong. Maar het is wel een familiedrama in de context van de hele wereld en écht als metafoor voor de hele wereld. Omdat ik de eerdere delen van Mightysociety heel erg politiek wilde houden, heb ik heel veel kanten van mezelf bewust achter de schermen gehouden. Ik wilde niet theater maken over ‘de kunstenaar’, ‘het leven’, ‘de liefde’, want dat weten we allemaal wel. Het moest over politiek gaan, en niet over mij. Daarmee heb ik mezelf ook verstopt.

Continue reading “Interview Eric de Vroedt” »

Interview Maureen Teeuwen

interviews,Parool — simber op 17 december 2012 om 12:00 uur
tags: , ,

Maar haar zorgvuldige dictie, haar understatement en haar droge humor is een voorstelling met actrice Maureen Teeuwen –of het nu de het fantasievolle teksttoneel is van Rosencrantz & Guildenstern Are Dead van ’t Barre Land of het speelse knutseltheater van Rieks Swarte’s Hi Ha Heijermans– altijd iets om naar uit te kijken. Nu speelt ze een solo over haar jeugdherinneringen, Het Vlot, onder de vleugels van Maatschappij Discordia.

“Ik had drie ingrediënten om een voorstelling mee te maken”, zegt Teeuwen in een Amsterdams café. “Als eerste de herinneringen van mijn vader, die hij aan mij heeft verteld. Ik groeide op in de jaren ’60 in Aalsmeer, waar mijn vader een administratieve functie had op de bloemenveiling. Die veiling was het middelpunt van het dorp. ’s Middags waren de bloemen weg, werd de vloer gedweild en daarna werd er gesport, gezongen en toneel gemaakt. Nergens in Nederland was zo’n groot verenigingsleven als in Aalsmeer.”

“Mijn vader was een verteller. Familieverhalen werden vaker verteld, ze werden steeds kleurrijker en ze werkten altijd naar een pointe toe. Op de veiling werden ook heel veel moppen verteld. Iedere avond kwam hij wel weer met een nieuwe mop thuis. Hij leerde mij de dramaturgie van de mop; hóe je een mop vertelt. Eigenlijk waren dat mijn eerste acteerlessen.”

“Die herinneringen van mijn vader vermeng ik met mijn eigen jeugdherinneringen. Ik speelde veel buiten met vriendjes. Veel van dat spel was doortrokken van de Koude Oorlog, al beseften we dat toen niet. We trokken in de weilanden ten strijde tegen het Warschau Pact. We wisten niet wat dat betekende, maar we kenden de term van de Radionieuwsdienst.”

“En het derde ingrediënt is een absurde laag – een herinnering die je niet kúnt hebben, maar die ieder mens heeft meegemaakt: de reis van het DNA-pakketje van wat ik zou worden van mijn vader, op weg naar mijn moeder, samen met een leger van 250 miljoen anderen. Ik beschrijf dat als een militaire operatie.”

Zoals te verwachten is voor iemand die zo gepreoccupeerd is door herinneringen, is Teeuwen een groot liefhebber van Marcel Proust. Een paar jaar geleden speelde ze een memorabele voordracht, het verhaal van Proust die door de geur van een in lindebloesemthee gedoopte madeleine heftig wordt teruggevoerd naar zijn jeugd. Teeuwen: “Proust zegt dat de herinnering zelf alleen maar bestaat uit fragmenten. Het verhaal is iets dat je máákt. Proust noemt dat een ‘intellectueel equivalent’, en bij hem wordt dat uiteindelijk zijn boek Op zoek naar de verloren tijd.”

“Ik heb het iets gemakkelijker dan Proust: op het toneel heb ik de herinneringen niet woordelijk in mijn hoofd. Ik heb ze wel uitgeschreven, maar die tekst laat ik thuis. Dat is misschien de kunst van het verhalen vertellen: dat je hoort dat het niet ‘opgezegd’ is. Het uitgangspunt van deze voorstelling was de vrije flow van herinneringen. Het heeft misschien ook te maken met psychoanalyse: als je een verhaal vijf keer vertelt, komt er bij de vijfde keer soms spontaan een nieuw element in.”

Opvallend is dat de voorstelling wordt gemaakt onder de vlag van Discordia. “Ik werd uitgenodigd: als ik nog een solo wilde maken binnen dit kunstenplan [dat 1 januari afloopt], dan kon dat. Ik houd erg van de de manier van toneel maken van Discordia, van de manier waarop ze altijd de geschiedenis meenemen in hun werk. En ook van hoe het eruit ziet. Jan Joris Lamers heeft voor Het Vlot een mooie ruimte gemaakt. Hij maakt altijd plekken waarin je je thuis voelt als toneelspeler. Het zijn ruimtes die je omarmen, en waar het publiek ook bij hoort.”

Het Vlot van Maureen Teeuwen/Discordia is te zien van 19 t/m 21 december in Frascati. Meer info op www.discordia.nl

Voorstuk ‘Small World’

interviews,Parool — simber op 21 november 2012 om 14:37 uur
tags: , , , , ,

Ze maken een bos als in Bambi en playbacken A whole new world uit Aladdin. Mimegroep Boogaerdt/VanderSchoot verdiept zich voor haar nieuwe voorstelling Small World in de wereld van Walt Disney. Maar fans van het huis van de muis zijn ze niet geworden. “De droom van Disney is een heel beperkte droom.”

Met hun vorige voorstelling Bimbo, een perverse videoclip die de hedendaagse seksuele beeldcultuur genadeloos ontleedde, oogsten Suzan Boogaerdt en Bianca van der Schoot opvallend veel succes. Ze werden uitgenodigd voor het Nederlands Theaterfestival en genomineerd voor de VSCD Mimeprijs. Ook voor het duo zelf was het een belangrijkse stap. “We hebben daar echt een sterk, maar vrij onaangenaam beeld neergezet”, zegt Van der Schoot in een Amsterdams café, “Maar daarna hadden we behoefte om daar een antwoord te formuleren. Small World sluit aan op Bimbo, het is een tweeluik over de spektakelmaatschappij.”

“We gebruiken Disney vooral als symbool”, vult Boogaerdt aan. “Er zit in die figuren en films en pretparken iets veiligs: alles dat duister, onaangenaam of riskant is wordt aan de kant geschoven. Je wordt niet aangespoord om je eigen fantasie te gebruiken. En dan zit daarachter ook nog een bedrijf dat heel cynisch zoveel mogelijk broodtrommels en dekbedden wil verkopen aan kinderen.” Van der Schoot: “En dat geldt niet alleen voor Disney, maar ook voor reclame, nieuws en steeds vaker voor theater: je krijgt alles in hapklare brokken voorgeschoteld. Je wordt passieve consument, in plaats van dat je nieuwsgierigheid wordt geprikkeld.”

Tijdens de voorbereiding van de voorstelling gingen alle spelers naar Disneyland Parijs. Boogaerdt: “Ookal ben je volwassen, je raakt als je naar binnen mag toch heel erg opgewonden. Maar na twee uur was dat helemaal weg. Elke tien meter weer andere keiharde muziek, alleen maar vies eten en de ontdekking dat het eigenlijk vooral een winkelcentrum is.” Van der Schoot: “We hadden een masker meegenomen, een heel mooi naïef ei-hoofdje. Een van de spelers zette dat op en ging dansen, en mensen gingen dat gelijk fotograferen, net als Mickey en Goofy verderop. Het was mooi om de paniek te zien van kinderen. Wie is dat? Die ken ik niet. We hebben dat overigens wel pas vlak voor sluitingstijd gedaan; dan zou het niet zo erg zijn als we eruit gegooid zouden worden.”

Voor de voorstelling hebben de makers heel veel maskers geknutseld. Boogaerdt: “We maken altijd materiaal voor wel honderd voorstellingen. Het heeft met onze manier van werken te maken: al improviserend ontdekken we de regels van de voorstelling die we aan het maken zijn.” In tegenstelling tot Disneyfilms zal het resultaat niet gelikt of schoongepoetst zijn. “De vorm is bij Disney altijd heel herkenbaar, helder en sterk. Dat kunnen wij niet nadoen met onze gepapiermachéde hoofden. Maar het is erg leuk dat we in de basis hetzelfde werk doen als hij: het bezielen van levenloze materie.”

Boogaerdt: “We wilden eigenlijk iets maken met al het afval dat in Disney-films buiten beeld wordt geveegd. Het decor bestaat dan ook uit enorm veel glinsterende troep en de kostuums komen tweedehands van andere theatergroepen.” Van der Schoot: “Zo’n afvaldecor is natuurlijk wel vaker gedaan, maar het moet nóg veel vaker, want we hebben er zoveel van.”

Small world is de laatste voorstelling die het duo onder eigen naam uitbrengt. Per 2013 sluiten ze zich aan bij Toneelgroep Oostpool in Arnhem. Dat is spannend (“Het dwingt ons om opnieuw over onszelf na te denken”), maar Van der Schoot is vooral trots: “Ik vind het bijzonder dat wij de mime mogen vertegenwoordigen in één van de vier grote toneelgezelschappen. Onze vorm van theater speelt zich meestal af in de marge, maar waarom is dat eigenlijk? Ik heb zendingsdrang. Mime mag door meer mensen gezien worden en gaat de grote gezelschappen hopelijk nog diverser maken.”

Small world van Boogaerdt/Van der Schoot gaat op 22 november in première in Frascati. Meer info op www.bvds.nu

Belarus Free Theatre in Amsterdam

interviews,Parool — simber op 4 oktober 2012 om 10:00 uur
tags: , , , ,

Je bent een Europese theaterregisseur, je hebt samen met je man een internationaal werkende groep, je speelt teksten van Sarah Kane, Harold Pinter en Shakespeare. Tot zover niets bijzonders, zo zijn er honderden. Maar Natalia Koliada heeft gevangen gezeten, is verdreven uit haar land en haar ouders worden bedreigd, alleen omdat ze theater maakt. Haar groep Belarus Free Theatre werd onbedoeld de kern van de dissidente kunstenaarsbeweging in Wit-Rusland.

Wit-Rusland (of Belarus) ligt tussen Polen en Rusland en staat bekend als de laatste dictatuur van Europa. Na het uiteenvallen van de Sovjet Unie in 1991 bleef het land stalinistisch en onder president Loekasjenko zijn marteling van gevangen, censuur, verdwijningen en frauduleuze verkiezingen geen uitzondering.

Koliada is met haar partner Nicolai Khalezin en een aantal spelers tijdelijk neergestreken in een repetitieruimte in MuzyQ in Amsterdam Oost om daar te werken aan haar nieuwe voorstelling Trash Cuisine die morgenavond in première gaat in de Stadsschouwburg. “Wit-Rusland wordt genegeerd”, zegt Koliada, “Als je het over dictaturen hebt denken mensen aan Afrika of Zuid Amerika, maar het bestaat ook nog steeds binnen Europa.”

Belarus Free Theatre reist inmiddels de wereld over, de artistiek leiders wonen in Londen en hebben acteurs als Kevin Spacey en Jude Law onder hun bewonderaars en ondersteuners. Maar toch is de internationale aandacht niet het eerste doel: “Het allerbelangrijkste is dat we door kunnen gaan met underground voorstellingen in Wit-Rusland zelf”, vertelt Koliada. “We spelen daar verboden voorstellingen bij mensen thuis, zonder aankondiging of kaartverkoop. Ik mag zelf het land niet meer in, ik ben staatsvijand, en onze acteurs kunnen niet samen het land in en uit reizen, omdat als de autoriteiten door hebben dat ze komen om te spelen ze hun visa weigeren.”

Koliada probeert inmiddels haar artistieke werk te scheiden van de politiek. “Ik wil dat we bezoekers krijgen en positieve recensies omdat mensen onze voorstellingen goed vinden, niet omdat ze eens zijn met wat we op politiek vlak doen of omdat ze ons zielig vinden.”

Trash Cuisine is net als de eerdere voorstellingen een rauwe, fysieke performance met als onderwerp de doodsstraf. “Ik zie ons werk zelf niet als politiek, maar de politieke situatie duwt ons wel in de richting van een onderwerp”, zegt Koliada. “In Wit-Rusland worden jaarlijks veertig mensen geëxecuteerd, en vaak wordt de familie pas achteraf op de hoogte gesteld.”

Tijdens de research voor de voorstelling bezochten de makers dodencellen in gevangenissen in Thailand, Maleisië en de VS en spraken ze met kindsoldaten in Oeganda en Hutu’s en Tutsi’s in Rwanda. Daarnaast gebruiken ze teksten van Shakespeare over moorden en executies. “Wij zijn geen theatergroep die een stuk van Shakespeare helemaal gaan opvoeren. We gebruiken zijn teksten om te onderstrepen dat de mens niet veranderd is. We spraken een Witrussische ex-gevangenismedewerker die volhield dat hij geen mensen had gedood – hij gaf slechts leiding aan een groep beulen. Zijn teksten blijken naadloos overeen te komen met die van Lady Macbeth.”

Het Belarus Free Theatre kwam in Amsterdam terecht via de European Cultural Foundation dat dit weekend het festival Imagining Europe organiseert in De Balie. “We werkten al eerder met studenten van DasArts. Toen twee van hen in 2008 naar Wit-Rusland vlogen om met ons te werken werden ze op het vliegveld tegen gehouden, twintig uur vastgehouden en daarna teruggestuurd. De intimidatie blijft niet beperkt tot ons. Iedereen die met ons wil werken krijgt ermee te maken.”

Naast de voorstelling vindt er ook een politieke actie plaats. Belarus Free Theatre vraagt met de actie Bodyback aandacht voor de verdwijningen in Wit-Rusland en verspreidde vanmorgen gevulde witte bodybags over de grote stations en in de media. Koliada: “We vragen aandacht voor het feit dat Nederland na Rusland de tweede handelspartner is van Wit-Rusland. Het gaat dan om handel in olieproducten en kalium. We streven naar een handelsembargo van de hele EU, maar dat is nog ver weg.”

De Nederlandse acteurs Frank Lammers, Waldemar Torenstra en Viggo Waas verklaren zich solidair met de groep en deden een oproep op Youtube. Lammers zegt aan de telefoon: “Het is angstaanjagend stil als het om Wit-Rusland gaat. We kunnen niet pretenderen dat we eenheid en stabiliteit zoeken in Europa en dit door de vingers zien.”

Lammers ziet zijn medewerking vooral als een gebaar van solidariteit: “Ik help mijn beroepsgroep. Kunst en cultuur zijn enorm belangrijk in zo’n situatie: kunstenaars houden het vuur brandend en de menselijkheid levend. Het is absurd om te bedenken dat een acteur als ik daar het werken onmogelijk wordt gemaakt.”

Trash Cuisine van Belarus Free Theatre: 5 oktober – www.ssba.nl
Het festival Imagining Europe duurt van 4 tot 7 oktober –www.imagining-europe.eu
De actie Bodyback is te volgen op www.bodyback.nu

Interview Steven Smith over Shakespeare

interviews — simber op 18 september 2012 om 16:00 uur
tags: , ,

Dit najaar is een enorme hoeveelheid Shakespeare voorstellingen te zien in de Stadsschouwburg. Toneelgroep Amsterdam herneemt Othello, Macbeth, Het temmen van de feeks en de magistrale marathon Romeinse Tragedies, en daarnaast zijn internationale voorstellingen te zien als African tales after Shakespeare van de Poolse regisseur Warlikowski en een Koerdische Hamlet. Wat is toch de voortdurende aantrekkingskracht van de bard?

Voor de Engelse universitair docent Steven Smith is het antwoord duidelijk: “Het is zijn taal. Hij was de eerste die de taal van de straat plukte en in voorstellingen gebruikte naast de meer verheven stijl van hoe aan het hof werd gepraat. Zo gaf hij als zijn personages zijn eigen stem en in zijn stukken liet hij ze vooral over zichzelf praten, over hun gevoelens. Dat gaf een soort realisme op het toneel die we sindsdien als de standaard zijn gaan beschouwen voor acteren.”

Smith kwam al jong in aanraking met Shakespeare, op English School deed hij mee met uitvoeringen van Macbeth. Dertig jaar geleden kwam hij naar Amsterdam, waar hij aan de UvA Engels doceert en aan theaterwetenschappers de werkgroep Performing Shakespeare geeft. “Het eerste dat ik mijn studenten duidelijk wil maken is dat hij een showman was, een zakenman. Geld verdienen was zijn belangrijkste drijfveer. Al het andere volgt daaruit. En hij was waarschijnlijk ook behoorlijk succesvol: hij had een eigen groep en aan het eind van zijn carrière kon hij het zich permitteren om op het platteland met pensioen te gaan. Het is overigens wel belangrijk om te zeggen dat we over Shakespeare’s leven heel erg weinig weten.”

“Wat mij interesseert is het verbond dat Shakespeare en zijn groep hadden met hun publiek. Hij moet een trouw vast publiek gehad hebben. Zijn spelers waren waarschijnlijk erg goed en hij schreef rollen speciaal om hun kwaliteiten uit te buiten. Na een eerste serie stukken over de Engelse geschiedenis verbreedde hij zijn verhalen en thema’s en nam zijn publiek steeds een creatieve stap verder mee.”

“De verhalen zijn aardig, maar niet zo bijzonder. Hij heeft bovendien nooit zelf een verhaal verzonnen. Hij stal, bewerkte en vermengde verhalen die hij las of hoorde. Het gaat erom hóe hij ze vertelt.”

Maar als de taal zo belangrijk is, kun je Shakespeare dan wel in een andere taal spelen? “Tsja, je kunt de wereld Shakespeare natuurlijk niet ontzeggen”, zegt Smith droogjes. “Maar neem een zinnetje als ‘To be or not to be, that’s the question’. Dat is helemaal ritmisch totaan dat woord ‘question’, dat er net niet in past – zo vertelt hij je als toeschouwer dat het juist dáár om draait. Dat is zo knap en muzikaal en hij doet dat voortdurend. Dat is in een vertaling eigenlijk niet te vatten, daarin moet je keuzes maken.”

Theatermakers in Nederland vinden die noodzaak om keuzes te maken vaak juist een zegen, omdat het vrijheid geeft. Maar Smith is niet bijster te spreken over de Nederlandse uitvoeringen die hij ziet. “Ik heb in Europa vaak het gevoel dat het stuk gekaapt is en dat het meer over de angsten en preoccupaties van de regisseur gaat dan over Shakespeare. Er lijkt een checklist te bestaan; in iedere voorstelling zit geschreeuw, grof geweld, expliciete sexualiteit enzovoort. Ja, natuurlijk is Shakespeare ook gewelddadig, maar je moet dat zien in een tijd waarin de gemiddelde leeftijd 38 was en de kans om met geweld in aanraking te komen veel groter was. We moeten zijn thema’s begrijpen in onze tijd. Bovendien geloof ik dat theater in de eerste plaats entertainment is. Het is mooi als het tot nadenken stemt, maar als dat het eerste doel is wordt het vaak zelfingenomen.”

Maar toch waardeert hij wel de experimenteerlust van het Europese theater: “Ik zag een Hamlet van Luk Perceval en los van het feit dat daar een blinde vrouw in een rolstoel op het toneel stond die ik niet ken uit het stuk, had die de briljante vondst om Hamlet door twee acteurs te laten spelen, een jonge en een oude: dat klopte precies met het renaissance-idee over een koning die een publiek persoon is en een echt mens.”

Er wordt vaak gezegd dat als Shakespeare nu zou leven hij in Hollywood zou werken. “Misschien ja, maar ik geloof eigenlijk dat hij bezig zou zijn om verhalen te vertellen met mobiele telefoons of iets dergelijks. Hij was zeer geïnteresseerd in moderne technologie. De technologie van die tijd was architectuur. Hij werkte in de eerste speciaal gebouwde theatergebouwen, waarin je acteurs ook kon verstaan als ze fluisterden. Dat was een enorme verbetering ten opzichte van de markt waar een acteur moest concurreren met de viskoopman.”

Alle Shakespeare-voorstellingen in de Stadsschouwburg zijn te vinden op: www.ssba.nl/shakespeare

Interview: Nature Theatre of Oklahoma

Nee, ze komen niet uit Oklahoma, maar uit New York, waar ze deel uitmaken van de nooddruftige, maar volhardende avant-gardescene. Maar tegelijk zijn ze sinds een paar jaar de darlings van het Europese theater, met hun eigenzinnige, vaak op telefoongesprekken gebaseerde voorstellingen. Met hun mega-project Life and Times werken ze nu samen met het Wiener Burgtheater, de eerste vier afleveringen (van wat er in totaal tien moeten worden) zijn nu te zien op festival De Internationale Keuze.

Ook dit project begon met een telefoongesprek. Daarna begon het een beetje uit de hand te lopen. Kelly Copper en Pavol Liška, oprichters en regisseurs van het Nature Theatre of Oklahoma, maken van het volstrekt doorsnee levensverhaal van een van hun actrices epische theatervertelling die uiteindelijk 24 uur moet duren en die genres bestrijkt van murder mystery tot animatiefilm. De tekst van het telefoongesprek wordt letterlijk gebruikt, inclusief alle ‘you know’s, ‘like’s, uitwijdingen en onafgemaakte zinnen.

Het eerste deel, een musical, was drie jaar geleden te zien in Oostenrijk, werd geselecteerd voor het Theatertreffen en kwam naar Nederland tijdens De Internationale Keuze. De delen één tot en met vier reizen nu de wereld rond en worden in Rotterdam eenmalig als marathon gespeeld. Ik spreek Copper en Liška, die net terug in New York van een tournee in Japan, via Skype.

Wat hebben jullie met telefoongesprekken?

Liška: “Al onze teksten sinds No dice zijn gebaseerd op telefoongesprekken. Het is een andere taal en een andere manier van vertellen dan in het theater gebruikelijk is. We zijn ooit begonnen als ‘klassieke’ toneelschrijvers, we weten hoe je een stuk schrijft, maar dat frustreerde ons enorm. Toen we deze groep vormden maakten we als afspraak dat we niet verder zouden gaan met de kunstmatige theatertaal. Eerst maakten we een dansvoorstelling, maar we wilden uiteindelijk toch met taal werken. We zochten naar manieren om teksten te maken die niet geschreven zijn.”

Copper: “En ik nam al langer telefoongesprekken op. Ik wilde het idee hebben dat ik nuttig met mijn werk als kunstenaar bezig was, terwijl ik eigenlijk met mijn vrienden aan de telefoon zat.”

Continue reading “Interview: Nature Theatre of Oklahoma” »

Interview Maatschappij Discordia

Maatschappij Discordia bestaat dit jaar dertig jaar. Nou ja, ongeveer. De voorgeschiedenis van het toonaangevende gezelschap is al net zo gelaagd en meerduidig als haar voorstellingen. Een gesprek met de oudste leden van een collectief dat zich continu ontwikkelt, maar niet verandert. “De vraag naar de methode van Discordia is onzinnig. Er is absoluut geen methode.”

“We zullen vertellen wat er is gebeurd”, belooft Matthias de Koning, “Voor zover we dat nog weten. En we hebben altijd veel gefalsifieerd.” We spreken elkaar in het atelier annex pakhuis van de groep op de Driekoningenstraat in Amsterdam, waar de groep werkt aan haar nieuwe voorstelling Stanislavski 2. Lachend citeert Jan Joris Lamers alvast een zin uit het nog te schrijven interview: “Hoewel zij alledrie hetzelfde zeiden, bedoelden ze alledrie iets anders.”

De wortels van Discordia liggen (onder andere) bij het Onafhankelijk Toneel, dat sinds 1973 in Rotterdam gevestigd is. Stijl uit 1980 is de voorstelling die ze als hun eerste beschouwen, al dateert de naam Discordia van een jaar later. Pas in 1984 gingen ze naar de notaris om de vereniging op te richten. “Daarvóór had het geen zin, want we hadden geen subsidie.”

Lamers: “Rond 1980 kwamen we met het Onafhankelijk Toneel tot een soort crux. We bestonden al tien jaar en er waren veel plannen en te weinig geld. Er moest iets gebeuren. We bedachten een enorm plan, dat noemden we 1908, omdat dat jaartal een keerpunt was in de moderne kunst, met het eerste abstracte schilderij van Ljoebov Popova. We vroegen daarvoor twee keer zoveel subsidie aan, maar de Toneelraad in Rotterdam wilde er niet aan. Die moest het Ro Theater redden, dat in een paar jaar drie artistiek leiders had versleten die steeds tekorten opbouwden.”

Continue reading “Interview Maatschappij Discordia” »

Vier internationale theatermakers

(Voor de programmakrant van de Stadsschouwburg van januari)

Ze werken alle vier veel in het buitenland, vooral in Duitsland. Choreografen en dansers Anouk van Dijk en Nanine Linning, regisseur Johan Simons en toneelspeler Jeroen Willems zijn de voorhoede van een cohort Nederlandse podiumkunstenaars dat furore maakt over de grens. “Het heeft iets romantisch, dat werken in het buitenland, maar je moet oppassen voor ontheemdheid.”

[Kader met foto’s
Nanine Linning
is gezelschapsleider dans van het Theater Osnabrück, waar ze als Chefchoreografin enkele grotezaalvoorstellingen per jaar maakt. Volgend seizoen verhuist ze naar Heidelberg, waar ze een van de artistiek leiders wordt van het stadstheater.
Te zien in de SSBA: Requiem van Theater Osnabrück op 21/5/12

Anouk van Dijk werkt met haar groep Anoukvandijk DC regelmatig samen met de Duitse toneelschrijver Falk Richter, met wie ze op dit moment werkt aan de voorstelling Rausch in Düsseldorf. Volgend jaar vertrekt ze naar Australië, waar ze artistiek leider wordt van het dansgezelschap Chunky Move in Melbourne.
Te zien in de SSBA: Protect Me van Schaubühne Berlin op 23/3/12

Johan Simons leidde Theatergroep Hollandia, ZT Hollandia en NT Gent en is sinds 2010 artistiek leider van de Münchner Kammerspiele in Duitsland.
Te zien in de SSBA: tijdens Brandhaarden presenteert de Münchner Kammerspiele een week lang haar werk, met o.a. Ludwig II van Ivo van Hove en Winterreise van Johan Simons. 15-20/2/12

Jeroen Willems is freelance toneelspeler. Hij werkt regelmatig met Johan Simons in München, in Basel en bij de Veenfabriek in Leiden.
Te zien in de SSBA: Willems speelt de titelrol in Ludwig II (16 en 17/2/12) en speelt in Flow My Tears van de Veenfabriek (8 en 9/2/2012)
]

In hoeverre heeft de stad waar je iets maakt invloed op je werk?

Van Dijk: “Oh, de plek waar je werkt heeft heel veel invloed. In dans werk je vaak met een internationaal gezelschap dat niet vast verbonden is aan het gezelschap. Er ontstaat snel een hechte band, omdat niemand een sociale omgeving heeft. Dus dan ga je met al die mensen in die vreemde stad samen voorstellingen zien, uit eten, naar de film.”

Continue reading “Vier internationale theatermakers” »

Interview Peter de Graef

interviews,Parool — simber op 13 maart 2012 om 12:15 uur
tags: , , ,

Schrijver, acteur en regisseur Peter de Graef is al jaren populairder in Nederland dan in zijn thuisland België. De laatste jaren valt hij vooral op als toneelschrijver. Eerder deze maand gingen zelfs twee stukken van zijn hand in première op dezelfde dag: Valangst bij Matzer Theaterproducties en Boiling Frog bij Toneelgroep Oostpool. Twee stukken met opvallende overeenkomsten, beide binnenkort in Amsterdam te zien.

“De twee stukken zijn inderdaad in een periode geschreven dat ik over dezelfde dingen nadacht en boeken las”, vertelt De Graef in een Amsterdams café. “Boiling Frog kwam eerst, maar Valangst heeft dezelfde thematiek. Je kunt wel zien welke boeken ik toen las. Welvaart zonder groei van Tim Jackson en The big short van Michael Lewis. In beide stukken zit mijn grote verbijstering over de kredietcrisis vervat.”

Hoewel ze aan de oppervlakte verschillen (Valangst is een huwelijksdrama voor drie personages met scènes van De Graef en Gerardjan Rijnders en Boiling Frog is een groteske zwarte komedie met een grote cast) zijn de onderliggende thema’s identiek: zijn de waarden die onder het huidige consumptiekapitalisme liggen nog houdbaar en zijn er alternatieven? Zoals altijd bij De Graef wordt de inhoud met veel humor gebracht, maar worden er in de loop van het stuk stevige uitspraken gedaan.

“Het begon met mijn vraag waar het verschil vandaan komt tussen de rente op een spaarrekening en het rendement op aandelen. Dat komt door outsourcing en slechte werkomstandigheden in lage-lonenlanden. Maar dat vergeten we liever. Dus ik heb die tekst opgenomen in Valangst, want ik wil dat wel laten weten, en ik hoor dat niet in de media. We denken daar niet meer bij na. Zoals we vroeger snoeppapiertjes uit het raam van de auto gooiden.”

“Ik vind het wel raar om dit soort dingen te zeggen als Peter de Graef. Normaal verstop ik mijn meningen in een personage met beperkingen, emotioneel of relationeel, die we uit het verhaal kennen. Dan staat het tussen aanhalingstekens, en kun je het door andere personages laten aanvechten. Want ik heb ook een tegenovergestelde mening, een meer Boeddhistische blik, dat alles gaat zoals het gaat en dat dat goed is. Alleen vanuit de beperking van het ego waarin we zijn vastgekluisterd zien we dat niet. Dat is de oude filosofie van Advaita, die een van de personages uit Boiling Frog tegenover het gefulmineer tegen beleggers zet.”

De Graef schreef beide teksten in opdracht. “Ik vraag daar anderhalf jaar voor. Een half jaar om te schrijven en dan nog zoiets om het te laten liggen. Maar bij Oostpool wilde ik een maatschappelijk experiment aangaan. Al die mensen werken te hard, dus ik wilde met de acteurs tien dagen lang ons terugtrekken en niks doen. Geen muziek, geen televisie, geen boeken. Alleen briefjes en gesprekken. Wat gebeurt er dan met je? Maar we kregen het niet gepland. Tien dagen werd vijf, werd drie. Toen werd het meer een soort workshop, maar zelfs die dagen heb ik de groep niet de hele tijd bij elkaar weten te houden.”

“Uiteindelijk zijn dat zulke kanjers van acteurs en uit een improvisatie kwam iets naar boven waarmee ik aan de slag kon; een machtsspel tussen Bianca van der Schoot en Kirsten Mulder. Dat heb ik op papier heel vet ingezet en dan neemt de intuïtie het over.”

“Het is leuk om te schrijven voor Nederlandse groepen. Het worden echt andere teksten, want Nederlands is een andere dialoogtaal dan Vlaams, met van die snelle een-tweetjes tussen personages. Ik denk ook al aan de acteurs die het moeten uitspreken, maar uiteindelijk blijft het mijn taal. Daarom zeg ik altijd tegen de acteurs: parafraseer! Ze moeten het van zichzelf maken. Als ik zelf regisseer kijk ik bij het repeteren het script niet meer in. Dan wil ik alleen maar luisteren.”

In beide stukken zit een vergelijkbaar tekstje over het concept bezit. In Valangst: ‘Iedereen weet dat we bezitloos geboren worden en op dezelfde manier dood gaan. Toch doen we alsof iets van ons is…’ “Het is toch een van de taken van de kunst om te vertellen wat nog niet gehoord is. Als ik toneel maak voor kinderen zeg ik altijd wat ik graag gehoord zou hebben toen ík kind was maar die me niet verteld zijn.”

“De basis voor drama is altijd het kinderlijke, het meevoelen met angst en gruwel van de personages. In Boiling Frog zit bijvoorbeeld een vreselijk personage, die als in een sprookje van Roald Dahl ervanlangs krijgt. Maar omdat het volwassen personages zijn, kan ik ze enorm elegante en intelectualistische replieken in de mond schuiven, maar de basis van het drama is het kinderlijke. En ik heb de behoefte om aan alle kinderen van de wereld dingen te vertellen die eigenlijk officieel verzwegen blijven.”

“Theater is toch bij uitstek de plek voor het gedachteexperiment? En ik hoef geen verantwoording af te leggen of een alternatief uit te denken, maar het moet niet gratuit zijn: ik wil iets veranderen door een andere kijk op iets bekends te geven. Dus dan moet het verhaal goed zijn en goed gespeeld worden. Dan kun je meegaan met de redeneringen van de personages. En dan wil ik ook dat het door een zo groot mogelijk publiek gezien wordt.”

Valangst is te zien in Bellevue op 14 en 15/3 www.matzer.org
Boiling Frog
is te zien in Frascati van 10-14/4 www.oostpool.nl

Interview Jan Joris Lamers

interviews,Parool,PS Kunst — simber op 11 januari 2012 om 20:57 uur
tags: , , ,

Toneelspeler en theatervernieuwer Jan Joris Lamers wordt dit jaar zeventig en werkt gestaag door aan zijn oeuvre. Met zijn groep Maatschappij Discordia maakt hij meerdere nieuwe voorstellingen per jaar en met repertoirevereniging De Veere herneemt hij ouder repertoire. En hij maakt zich grote zorgen over het circuit van kleine-zaal-toneelgezelschappen, waar de grote klap van de cultuurbezuinigingen het hardst gevoelt zal worden. “Het is helemaal niet moeilijk om een klein beetje geld uit de nationale economie te reserveren voor het vormgeven van ons dagelijks leven.”

Waarom horen we zo weinig van de kleine-zaalgroepen?

Er heerst totale stilte. Het is alsof je jezelf zou diskwalificeren als je zou zeggen dat je het er niet mee eens bent. De meeste van mijn collega’s zitten diep met hun kop in het zand, die wachten gewoon af totdat het 2013 is en ze geen salaris meer krijgen. Niemand wil het erover hebben. Behalve dan dat ze via achterkamertjes proberen hun positie veilig te stellen.

Ik kan niet begrijpen ook in de politiek niemand zich hiertegen verzet. Ik vermoed dus dat ze vroeger ook maar wat zeiden. De VVD wilde in 1998 nog één procent van het nationaal inkomen voor kunst. Ik kan de huidige standpunten over ‘je eigen broek ophouden’ en ‘worteling in de samenleving’ dus ook niet aux sérieux nemen.

De vraag rijst steeds vaker waarom de overheid de kunsten überhaupt moet subsidiëren. Is kunst niet gewoon luxe?

Maar een markteconomie zoals wij die nu hebben kan zich die kunsten toch permitteren? Er zijn ongelofelijk veel problemen en ik denk dat een groot gedeelte daarvan door kunstenaars worden opgelost, of in ieder geval ter discussie worden gesteld.

Mensen consumeren ongelofelijk veel kunst. Je hele omgeving is vormgegeven, alles is bedacht. Alles heeft een bepaalde tijdelijke dramaturgie en dat komt allemaal uit de kunstsector. Met tijdelijke dramaturgie bedoel ik hoe je met elkaar omgaat: als je een café van twee jaar geleden in zou kunnen lopen, zou je bij wijze van spreken al geen gesprek meer kunnen voeren. Dingen als De Wereld Draait Door zijn onvoorstelbaar maatgevend voor hoe we met elkaar waarover praten.

Of neem het grote succes van Apple. Hun ontwerpideeën komen van één Duitse ontwerper in dienst van Braun, Dieter Rams. Die man gaf leiding aan een team, gaf les op academies en nu is er een moment gekomen waarop de hele wereld rondloopt met die verworvenheden

Het is helemaal niet moeilijk om een klein beetje geld uit de nationale economie te reserveren voor het vormgeven van ons dagelijks leven. Om een beetje te besteden aan mensen die ervoor zorgen dat je je huis beter kunt inrichten of beter kunt praten. Of die iets zouden kunnen uitvinden waar je later misschien wel heel veel aan hebt.

Als je daar de consequentie van neemt, dan betekent dat dat de kunstenaar midden in de maatschappij moet staan. Na de oorlog vond men dat in onze sociaaldemocratie een kunstenaar in een burgerlijke samenleving moet kunnen functioneren zonder dat hij een buitenstaander is. En er is niks mis met volle zalen of  bestsellers of andere dingen die mensen graag willen, maar dat moet niet het énige zijn. Die populaire dingen kunnen bovendien nooit bestaan als ze niet worden geïnspireerd door onderzoek dat ergens anders wordt gedaan. Als je kijkt naar de avant-garde van de kunsten is dat een constante, zichzelf vernieuwende reeks van ontdekkingen.

Een van de problemen is dat mensen het idee hebben dat beslissingen over artistieke kwaliteit oncontroleerbaar zijn. Kwaliteit is toch niet te meten?

Kwaliteit is absoluut wel te meten. Als je de carrières van muzikanten en toneelspelers bekijken dan kun je daar toch een oordeel over hebben? In de wetenschap en de industrie, overal in de maatschappij, oordelen mensen die die ingewijd zijn in de materie over elkaars werk en dan beslissen ze wat ze gaan doen. Het is natuurlijk onzin om te denken dat iedereen zomaar zou kunnen oordelen over alles.

De grootste moeilijkheid bij het beoordelen van kunst op de korte termijn –wie krijgt wel geld en wie niet– is dat je het niet weet. Uit bepaalde dingen komt niks, of voorlopig niks. Sommige dingen beklijven en andere dingen raken vergeten. Je moet daar niet te streng in zijn en afwachten.

De overheid moet dus diversiteit in stand houden. Ik vind het onvoorstelbaar raar dat dat in het toneel nu niet gebeurt. Waarom krijgen de grote groepen maar zeven tot tien procent subsidiekorting en moeten de kleine groepen 72 procent inleveren? Waarom is dat? Dat heeft niemand ooit uitgelegd. Dat gaat niet over publiekscijfers –want die zijn in de grote zalen niet beter dan in de kleine– en niet over kwaliteit, want het is niet zo dat kleine en grote gezelschappen in kwaliteit verschillen. Ik denk dat het beter was geweest als ze wat nu de basisinfrastructuur heet evenredig hadden aangeslagen.

Waarom is dat circuit van kleine-zaal-groepen zo belangrijk?

De vernieuwing van de kunst komt van personen en collectieven, niet van organisaties. Die krijgen automatisch meer bureaucratie en de kunstenaars komen in dienst van die organisatie. Ze leggen zich voor lange tijd vast, ze anticiperen op wat ze moeten maken. En a priori komen daar niet de echte vernieuwingen vandaan.

Soms wordt er een artistiek leider aangenomen die uit een andere sector komt die de zaak een nieuwe injectie geeft, maar de bedrijven zelf zijn enorm log en strijken in feite de vernieuwing weg. Het grootste gedeelte van die collectieven heeft natuurlijk een beperkte levensduur. Daar moeten andere collectieven voor in de plaats komen. En dát is nu niet meer mogelijk. Door de huidige beslissing wordt de hele kleinschalige sector eigenlijk geliquideerd.

Een paar jaar geleden heeft de Raad voor Cultuur een ‘basisinfrastructuur’ vastgesteld, met daarin alle grote gezelschappen. Dat is natuurlijk een onzinnige term. En waarom zou die bovenlaag nu nog wel worden gesubsidieerd? Waarom zitten er geen kleine groepen in die basisinfrastructuur? Ik denk dat wat er nu wordt weggehaald juist de basis is. En ik denk dat het helemaal niet waar is dat de grote gezelschappen nu de taak van de kleine kunnen overnemen.

En nu moeten die gezelschappen ook nog van alles doen om ‘hun eigen broek op te houden’. Het betekent in feite dat rijke mensen extra belasting moeten betalen en dat stuit mij erg tegen de borst. Het was toch niet de bedoeling om het feodale stelsel alsnog op een andere wijze binnen te halen? Ik ben erg bang voor die nieuwe feodaliteit. Dat bedreigt het idee van de geëmancipeerde kunstenaar.

Voor het toneel begint dat idee bij (de Russische regisseur) Konstantin Stanislavski aan het begin van de twintigste eeuw. Stanislavski is de eerste die erop hamert dat een toneelspeler niet een uitvoerder is maar een kunstenaar. Daarom noemt hij zijn groep ook het Moskous Kunstenaars Theater. En inmiddels is er wel het besef ontstaan dat een schrijver of een schilder niet méér een kunstenaar is dan een toneelspeler.

Is dat ook waarom de nieuwe voorstelling van Discordia Stanislavski heet?

Stanislavski is iemand onder wie je allerlei actuele onderwerpen kunt verstoppen. Daar gaat het natuurlijk om. Het bijzondere aan Stanislavski is niet An actor prepares of de recepten die hij geeft voor toneelspelen, want die zijn voor een groot gedeelte achterhaald. Het belangrijkste aan hem is dat hij pleit voor het vrije onderzoek en dat hij de toneelspeler niet als materiaal ziet.

Uiteindelijk wordt er nu tomeloos ouderwets toneel gespeeld. Als je kijkt naar de nieuwste ontdekkingen in de sociologie of de psychologie die beschrijven wat mensen denken over te brengen als ze met elkaar praten, dan moet je als toneelspeler onderzoek doen naar de gevolgen van die inzichten voor je vak.

Stanislavski en Dansjenko hadden toen het het Moskous Kunst Theater operichtten precies hetzelfde probleem als wij nu: ze vochten tegen de commercie. De hele smaak en sfeer werd aangepast aan de omzet. Het ging om de bar en dat wilden we niet meer. Je moet het publiek niet geven wat ze willen, maar waarvan jij denkt dat ze er kennis van moeten nemen. Anders heeft het geen enkele zin.

Stanislavski van Maatschappij Discordia speelt van 17 t/m 28 januari in Frascati

« Vorige paginaVolgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2024 Simber | powered by WordPress with Barecity