Interview Marien Jongewaard

interviews,Parool — simber op 1 oktober 2013 om 10:00 uur
tags: , ,

“Ik wilde een nieuwe identiteit.” Voor zijn nieuwe voorstelling There is a discussion ging theatermaker Marien Jongewaard door een diep dal. Zijn huwelijk met choreografe Truus Bronkhorst liep stuk en in de cultuurbezuinigingen verloor zijn gezelschap Nieuw West haar subsidies. De voorstelling werd zijn meest persoonlijke, over zijn jeugd in de Amsterdamse tuinsteden en over de beeldende kunst die hem beïnvloedde. “Het is autobiografisch, met alle leugens van dien.”

In een café achter de Dam vertelt Marien Jongewaard (Amsterdam, 1951) over zijn voorstelling en zijn manier van werken. De titel There is a discussion is ontleend aan een werk van de Zuidafrikaanse kunstenaar Ian Wilson. “Een eenvoudig A4’tje met daarop die vier woorden getypt en de handtekening van de kunstenaar. Ik zag het lang geleden in het Centre Pompidou, tussen al dat schildersgeweld. Dat maakte veel indruk op me. Ik ben erg secundair; ik bedenk achteraf pas wat ik had willen zeggen, en als ik iets lees wat me opwindt kan ik daar dagenlang in m’n kop mee rondlopen. In mijn hoofd is er vaak een discussie.”

Nieuw West krijgt nu alleen nog een klein beetje subsidie van de gemeente Amsterdam, net genoeg voor Jongewaard om één solovoorstelling per jaar te maken. “Het is een verwarrende periode. Ik wist wel dat die subsidiekorting eraan zat te komen en er zijn heel veel lotgenoten, maar het voelt toch als een persoonlijke afwijzing. Je durft bijna niet meer de straat op. En tegelijk gingen mijn vrouw Truus Bronkhorst en ik na dertig jaar uit elkaar. We zijn nog aan het scheiden, en dat is echt de hel. Ik kan nog niet goed over de dingen denken. Ik kan het nu alleen een beetje over mezelf hebben.”

En dus trok Jongewaard weer naar de bibliotheek, waar hij zich zoals voor iedere voorstelling, omringt met ideeën, beeldende kunst en boeken, en waar hij verzamelt, schrijft en tekeningetjes maakt. “Ik hou van zaaltjes”, zegt hij, “Ik begin een tekening altijd met de vloer en een tribune met publiek.” Dan gaat hij met al zijn materiaal naar schrijver en vriend Rob de Graaf, die alles componeert tot een theatertekst. Zo gaat het al jarenlang, maar er ligt altijd angst aan ten grondslag: “Ik ben altijd bang dat ik geen ideeën meer heb. Als ik eenmaal bezig ben heb ik altijd genoeg ideeën, maar vooraf is er altijd de vreselijke angst of ik het nog wel kan.”

Die onzekerheid van het maken valt volledig van Jongewaard af als hij begint te spelen. “Als het goed gaat kan ik de hele tekst overzien en het publiek ook. Vorige zomer speelde ik in Pleinvrees al lopend over een stadsplein, met de toeschouwers rondom me en achter me aan. Daarin zit de zin ‘Steek ik mijn hand uit en wacht tot jij me leidt’. En zonder dat ik die persoon aankijk weet ik dat iemand twintig meter gaat lopen en ik weet dat die m’n hand gaat pakken.”

“Ik ben eigenlijk niet echt een acteur, maar op het podium ben ik pas echt Marien. Dat komt echt door de teksten van Rob. Wat hij schrijft is Marien in het kwadraat. Daardoor kan ik op het podium loskomen van m’n eigen meningen en autonoom zijn. Ik bedoel: veel mensen, zeker in het theater, vinden globaal allemaal het hetzelfde, halfbakken meningen uit de Volkskrant of HP de Tijd. Mijn opdracht is: hoe breek je daar nou doorheen? Ook voor jezelf.”

Het is die radicaliteit die Jongewaard slechts bij een paar jongere theatermakers terugvindt, zoals Lotte van den Berg (die Pleinvrees regisseerde), Jetse Batelaan (in wiens Apera Jongewaard nu meespeeld) en De Warme Winkel (waar hij vaak de eindregie doet). Theater is veel braver geworden, we zijn allemaal zo bang geworden voor het publiek of voor de reacties. We zijn ook van buitenaf heel erg gedwongen om al onze kaarten op tafel te leggen, om er maar voor te zorgen dat de programmeurs of de programmaboekjeslezers het wel blijven begrijpen. Het is verklarend theater en theater moet niet verklaren.”

There is a discussion, 24 t/m 28 september in Frascati. www.nieuwwest.com

Interview Jan Fabre

interviews,Parool — simber op 26 september 2013 om 16:00 uur
tags: , ,

Al ruim dertig jaar weet Jan Fabre als beeldend kunstenaar, theatermaker en schrijver controverse op te roepen. Tijd om terug te blikken, onder meer met een herneming van zijn doorbraakvoorstelling Het is theater zoals te verwachten en te voorzien was, die morgen in de Stadsschouwburg te zien is. “Deze voorstelling is tegenovergesteld aan de tijd waarin we leven.”

Iets buiten het centrum van Antwerpen, in een oude school die van boven tot onder  is volgepakt met werk van bevriende kunstenaars als Jan Lauwers en Marina Abramovic, ligt het ‘bedrijfsverzamelgebouw’ van Jan Fabre. Hier maakt de Belgische kunstenaar zijn theaterwerk met de groep Troubleyn, en organiseert hij zijn beeldende werk onder de naam Angelos.

Beeldende kunst en theater gaan voor Fabre al hand in hand, sinds hij zijn eerste performances maakte in New York, eind jaren zeventig. “Ik gaf soloperformances, maar ik kwam terecht in een circuit van performancefestivals waar slechte beeldende kunstenaars performance gebruikten als een soort vuilbak. En ik werd verliefd op een actrice en wat later op een danseres, en die hadden zo’n technische kwaliteit en bagage dat ik het spannend vond om voor hen iets te schrijven.”

Met de voorstelling Het is theater zoals te verwachten en te voorzien was was Fabre in 1982 een van de eersten die ideeën uit de performancekunst het theater in bracht. De voorstelling duurt acht uur (als een normale werkdag) en bestaat uit dagelijkse handelingen zoals aan- en uitkleden, eten en rennen, die door eindeloze herhaling en de fysieke uitputting van de spelers buitengewoon en hypnotisch worden. Toeschouwers mogen vrij in en uitlopen.

“Het was toen een statement als jonge kunstenaar”, zegt Fabre. “Ik wilde de principes real-time en real action op een fundamenteel niveau onderzoeken. En ik wilde acteurs zien zweten en afzien. We waren een groep gepassioneerde en radicale spelers en samen hebben we een ontdekkingsreis gemaakt. De kritieken waren zeer negatief en we speelden voor vijf of acht mensen. Pas toen Ritsaert ten Cate de voorstelling naar het Mickery theater in Amsterdam haalde – destijds het beste avant garde theater van Europa – werd het opgepikt.”

Ook een nieuwigheid in 1982: dieren op het toneel. Later maakte hij voorstellingen met kikkers en vogelspinnen, maar in Het is theater… zijn het twee schildpadden. Fabre: “Dieren symboliseren voor mij het kwetsbare in de maatschappij. Hun instinct staat tegenover het vormelijke van de handelingen die de spelers moeten doen. De schildpadden lopen rond met een kaars op hun rug en houden een soort race. Hun timing bepaalt de timing van de voorstelling.” In 1982 waren het de huisdieren van Fabre zelf. “Inmiddels zijn ze overleden. Ik heb een hommage gemaakt hier in de Zoo.”

Oorspronkelijk was Fabre huiverig voor het hernemen van de voorstelling: “De mythe is groter dan de realiteit. Maar ik denk dat hij aan kracht gewonnen heeft. Het is nu een soort zalm die tegen de rivier opspringt. Het is theater… is nu zozeer het tegenovergestelde van de tijd waarin we leven, vastgeplakt als we zijn aan onze computers en mobiele telefoons. Hiervoor moet je als toeschouwer echt tijd vrijmaken om iets buitengewoons mee te maken.”

Maar voor Fabre was het hernemen ook een mooie gelegenheid om een nieuwe generatie performers op te leiden. “De verschillen met toen zijn groot. Er zijn in die dertig jaar in Europa heel veel theater- en dansscholen bijgekomen en die zijn veel beter geworden. Sommige daarvan onderwijzen mijn werk, dus jonge mensen komen er al mee in aanraking. En er zit bijvoorbeeld een tangoscène in, een choreografie van Wim Vandekeybus, en het kostte toen twee maanden hard werken om die in te studeren. De jonge spelers nu deden het in vier dagen. En die jongens doen het beter dan wij toen, haha.”

Wat blijft is Fabre’s fascinatie voor het lichaam: “Ik heb in dertig jaar tijd een soort methode ontwikkeld; ik noem dat ‘fysiologisch acteren’. Een acteur moet weten hoe zijn lichaam werkt; hoe het skelet functioneert, hoe je spieren functioneren en hoe vervolgens je organen reageren en je bloed. Emotie is niet iets dat buiten onszelf ligt, maar een registratie van een fysiologische sensatie die binnenin gebeurt. Er ligt zoveel kennis en geheugen in ons lichaam opgeborgen, daarmee moeten we leren omgaan. We leven nu in een tijd van het manipuleren van het lichaam, maar de techniek gaat het lichamelijke niet vervangen omdat het lichaam een groter geheugen kent.”

“Nee, psychologie speelt geen rol in mijn werk. Het is eerder een weigering van de psychologie.”

Het is theater zoals te verwachten en te voorzien was, 21 september om 15:00 uur in de Stadsschouwburg. www.ssba.nl

Interview: De Warme Winkel

interviews,Parool — simber op 1 september 2013 om 22:23 uur

Naaktlopen en Toneelgroep Amsterdam uitschelden. Theatergroep De Warme Winkel begint het seizoen goed met twee voorstellingen: een reprise van Viva la Naturisteraçion in het Bostheater en de nieuwe voorstelling Achterkant, die tegelijkertijd plaatsvindt met Lange dagreis naar de nacht van Toneelgroep Amsterdam. “Het moet zó genant zijn dat we het eigenlijk zelf in onze broek doen.”

Ze moeten er een beetje om giechelen. Als Vincent Rietveld en Ward Weemhoff vertellen wat ze gaan doen in Achterkant worden het twee kwajongens die hun grootse schelmenstreek plannen. “De voorstelling is ontstaan als decor-idee: achter op het toneel van de Stadsschouwburg is een grote poort voor het laden en lossen van decors”, zegt Rietveld, “Als je daar glas in zet kun je achter het toneel een voorstelling spelen, met de voorstelling in de grote zaal als decor.”

De Warme Winkel presenteerde het voorstel aan Ivo van Hove, die onmiddellijk zijn voorstelling Lange dagreis naar de nacht ter beschikking stelde. Beide voorstellingen gaan morgen in première. “Er kunnen maar 34 toeschouwers naar Achterkant,” vertelt Weemhoff, “We verzamelen bij de artiesteningang, gaan stiekem naar boven, we zien de schouwburgzaal vollopen, en we volgen en becommentariëren drieëneenhalf uur lang de voorstelling. En we gaan er al snel met gestrekt been in.”

Oorspronkelijk was het niet de bedoeling om Toneelgroep Amsterdam tegen de schenen te schoppen. “We wilden kunnen uitpakken over Eugene O’Neill”, zegt Rietveld, “Lange dagreis naar de nacht is volstrekt autobiografisch en hij zet zijn eigen familie te kijk als alcoholisten en gestoorden. Zo hebben we eerder ‘oeuvre-voorstellingen’ gemaakt over Weense kunstenaars als Rilke en Alma Mahler. Maar gaande weg werd het steeds meer een commentaar op wat de acteurs zoals Ramsey Nasr en Gijs Scholten van Aschat daar aan het doen zijn.”

In deze strijd sparen Weemhoff en Rietveld zichzelf niet. Rietveld: “We spelen dat het 2026 is en dat de voorstelling van Toneelgroep Amsterdam een gigantisch succes is geworden en nu al voor het dertiende seizoen wordt hernomen. En wij zijn de mislukte leden van De Warme Winkel die nu understudies van de TA-spelers zijn. En als dronken sportcommentatoren kankeren we op alles en iedereen.” Weemhoff: “Het moet hoog spel zijn. Het moet zó genant zijn dat we het eigenlijk zelf in onze broek doen, omdat we zo ongegeneerd amateuristisch aan het spelen zijn. Alleen dan kan het hogere kunst worden, in plaats van slecht cabaret.”

Wat vindt Toneelgroep Amsterdam van deze aanval van binnenuit? Weemhoff en Rietveld maken zich daar niet zo druk om: “Ivo van Hove kan dit best hebben”, denkt Weemhoff. “Hij heeft als theatermaker ook een vrij ruige geschiedenis. Ik vind het overigens zeker een compliment waard hoe gastvrij en zonder voorbehoud hij ons hier binnen heeft gehaald. Hij heeft alle deuren wijd voor ons opengezet, terwijl hij natuurlijk best weet welke kant het opdraait.”

Maar achter de kwajongensbravoure zit wel degelijk ook serieuze kritiek op het Nederlandse schouwburgtoneel en –publiek. Weemhoff: “We zien in Nederland veel ‘tekentafeltoneel’, voorstellingen waarbij er eigenlijk niets plaatsvindt en het publiek toch doet alsof het geweldig was. Het gaat niet bruisen. Zo krijg je uiteindelijk doods toneel voor een doods publiek.” Maar Rietveld benadrukt dat het niet alleen over toneel gaat: “Het wordt een enorme incrowd-voorstelling, maar het gaat ook over thema’s als mislukking, spijt en zelfmoord. En dat sluit dan weer precies aan bij O’Neill’s stuk.”

Naast commentaar heeft De Warme Winkel zelf ook een alternatief voor het repertoiretoneel waaraan de groep zich soms zo ergert. Met grootse, beeldende en vitale voorstellingen wist de groep de afgelopen jaren een grote schare fans op te bouwen. Vorig jaar werden twee Warme Winkel-voorstellingen geselecteerd voor het Nederlands Theaterfestival als beste van het seizoen. Eén daarvan, Viva la naturisteraçion!, gaat dit jaar tijdens het festival in reprise in het openluchttheater van het Amsterdamse Bos.

Viva la naturisteraçion! is een heftige, uitbundige voorstelling over naturisme (“weergaloos theater”, juichte deze krant) en de drie acteurs en twee actrices lopen gedurende het grootste gedeelte van de voorstelling naakt over het toneel. Toch blijkt het opmerkelijk genoeg een crowdpleaser. “We hebben hem in Groningen gespeeld en in de duinen bij Egmond”, vertelt Jeroen De Man, de Warme Winkel-lid en acteur in Viva la naturisteraçion! “Overal zien mensen er heel veel in. Mensen komen terug om hun vrienden mee te nemen.”

De Warme Winkel heeft zich gevestigd in Utrecht. Na het debacle met De Utrechtse Spelen heeft de groep zichzelf aangemeld om die groep over te nemen. Het is nog de vraag of dat lukt, maar het tekent in elk geval hun ambitie. Mara van Vlijmen, de vierde Warme Winkel en regisseur van Viva la naturisteraçion!: “Zoals Achterkant tegen Toneelgroep Amsterdam aanduwt zouden we heel graag ook tegen de stad Utrecht aanduwen. Wij zijn altijd altijd op zoek naar waar de weerstand zit bij het establishment.”

Achterkant speelt in de Stadsschouwburg 23 t/m 31/8 en 17 t/m 21/9. Kaarten via www.achterkant.nu.
Viva la naturisteraçion! speelt in het Bostheater 11 t/m 15 september. Kaarten via www.tf.nl

 

Voorstuk: ‘George en Eran lossen wereldvrede op’

interviews,Parool — simber op 1 september 2013 om 22:21 uur
tags: , , , ,

Passen een Jood en een Syriër in één broek? In de Paradevoorstelling George en Eran lossen wereldvrede op gaan de Israëlisch-Nederlandse Eran Ben-Michaël en de geboren Syriër George Tobal gaan de uitdaging aan. De bevriende acteurs namen hun conflicterende achtergronden als uitgangspunt. “Als Jood en Arabier kunnen we goed samenwerken, waarom kunnen onze moederlanden dat dan niet?”

Ze zitten midden in een afmattende speelperiode: negen dagen achter elkaar spelen ze hun voorstelling drie keer op een avond; eerst op de Parade in Utrecht, dan op festival Boulevard in Den Bosch. “We zijn dag in dag uit van zes tot elf non-stop aan het praten”, zegt Ben-Michaël, “Eerst ‘parade maken’ om publiek binnen te halen, en dan de voorstelling spelen.” Tobal, gekscherend: “En de hele tijd maar charmant doen, dat gaat tegen onze natuur in.”

De twee acteurs leerden elkaar drie jaar geleden kennen bij de voorstelling Hamlet van De Utrechtse Spelen. “We speelden allemaal dubbelrollen”, vertel Tobal, “Eran en ik waren onder andere het onafscheidelijke duo Rosencrantz en Guildenstern, de beste vrienden van Hamlet. Toen leek het de kostuumontwerpster een aardig idee om ons in één broek te stoppen met drie pijpen.” Ben-Michaël: “En het was een heel fysieke rol: we moesten op tafels klimmen, om elkaar heen rollen en dansen en als een soort siamese tweeling. We hebben heel veel samen gerepeteerd en vlak voor de try-outs werd het afgeschoten. De regisseur vond het toch niet werken.”

Maar de vriendschap die was ontstaan hield stand. En nu maken ze samen bij theatergroep Rast een voorstelling over de problemen in het Midden Oosten. Ben-Michaël: “Het uitgangspunt was: wij konden als Jood en Arabier in één broek prima samenwerken, waarom kunnen onze moederlanden dat niet?” De twee verzamelden persoonlijke verhalen en bekende argumenten en grappen uit discussies tussen Israëliërs en Arabieren en werkten die uit tot een ‘conflictkomedie’.

Belangrijke inspirator was Theaterschooldirecteur André Veldkamp. Tobal: “Hij is mijn toneelvader en heeft ons begeleid bij het schrijven en samenstellen van de voorstelling.” Een paar weken voordat de repetities begonnen overleed Veldkamp, maar zijn geest is nog wel aanwezig in de voorstelling. “André hield van persoonlijke verhalen, die net over de grens van het betamelijke gaan. Een doordacht politiek statement, daar hield hij niet van. En hij kon heel goed met je meedenken, zonder dat hij zíjn stempel zette.”

Ben Michaël: “Hij liet ons veel persoonlijker verhalen vertellen. Ik bleef erg bij het onderwerp – Joden en mijn familie, maar uiteindelijk werd het breder en kwamen er veel meer verhalen in.” Tobal: “We omarmen die clichés. Door ze te gebruiken steek je er de draak mee en maak je mensen bewust van hoe ze naar Joden en Arabieren kijken.”

“De voorstelling is niet alleen maar luchtig”, waarschuwt Tobal, “Hij draait naar een soort heftigheid. We vertellen elkaar de waarheid.” Ben-Michaël: “Ik heb nog nooit zoveel reacties gehad op een voorstelling. Mensen krijgen er zelfs ruzie over; ze hebben het idee dat ze partij moeten kiezen. Het gaat over conflict en oorlog, maar ook gewoon over vriendschap en menselijke relaties.” Tobal: “Het is ook moeilijker dan Hamlet spelen. Hamlet staat verder van je af, dat kun je technisch benaderen. Deze voorstelling is zó persoonlijk.”

En hebben de twee nu de sleutel voor de wereldvrede in handen? Ben Michaël: “We hebben wel honderd oplossingen, maar elke oplossing bracht weer tien bezwaren met zich mee waardoor het niet zou kunnen. De conclusie is dat we het samen moeten doen en dat elk mens evenveel rechten heeft. Ik merkte in Israël dat mensen soms lijken te denken dat het leven van een Israëliër meer waard is dan dat van een Palestijn.” Tobal: “De titel is eigenlijk dubbelzinnig: als je de wereldvrede oplost, dan maak je een probleem.”

George en Eran lossen wereldvrede op van Theatergroep Rast: te zien op De Parade (13 t/m 16 augustus) en het Amsterdam Fringe Festival (6 t/m 9 september). www.rast.nl

Arts Holland Magazine: Expat perspective

english,interviews,overig — simber op 31 augustus 2013 om 14:47 uur
tags: ,

[Geschreven voor de tweede editie van het Arts Holland Magazine]

Like many expats living in The Netherlands, Nigel Bagley (director of industry affairs at Unilever) after a few rather painful initial months, fell in love with the low lands, and especially with its arts and culture. After living in Amsterdam with his wife for twelve years, in a canal house chock-full with contemporary art works, he offers a unique perspective on Dutch cultural attitudes.

Mr. Bagley and his wife are cultural omnivores, one day getting down with The Killers in the Ziggo Dome, the next day visiting the Opera, and the next scouring the local galleries for new works by unknown artists.

“Prior to coming to Amsterdam we lived in New York and London, so we lived in these fantastic cultural cities”, he says in his living room looking out over the Prinsengracht. “My  awareness of Dutch culture was non-existent. Of course I was taught Rembrandt and Van Gogh in school, but who was interested?”

“I remember our first weekend here. We arrived on a Sunday and at night we went out for something to eat and there wasn’t a single place open. And then it rained for three months. We thought: we can’t live here. Luckily we agreed on staying only two years. But after a few months we started to see a different side of Amsterdam. And it was the arts and the culture that changed our perspective.”

“The main quality of Dutch culture, compared to London or New York, is how accessible it is. People here always say ‘Amsterdam is like a village’ in a very  negative way. But I think that’s actually very charming. You can go out on a Saturday afternoon and go to the galleries and the museums, and they’re all minutes away. In the evening there are world class concerts, performances and the most fantastic events, all within walking distance. And in all these places you often see the same people, so it’s easy to meet them and keep in touch. That’s a great charm, and something you can’t do in New York or London.”

Needless to say, Bagley and his wife stayed after the first two years. They bought the appartment the lived in. “I hate to even be called an expat, because this is my home.”

Bagley has seen quite some change in the cultural institutions the last decade, and most of it for the better. “Take the Van Gogh Museum for instance: it was a nice place, but suddenly they started opening on Friday evenings. So when we have visitors for the weekend, could there be a nice way to start their stay than go to a museum and have a drink? So you start spending more time in the places you already love. And you also have this other fantastic cultural thing in Holland: the Museumkaart, with which you can visit almost any museum free of charge for a small yearly subscription fee. So you can say: I’m going to the Rijksmuseum just to see that painting of the winter scene by Avercamp with the man having a crap.”

“Ten years ago when Foam opened it was quite a different building to most of the museums in the city, and the way they presented their exhibitions was unique aswell, more modern, less musty. As a photography museum it’s in the top league with ICP in New York or the Photographers’ Gallery in London. But the astonishing thing is: just down the road there’s Huis Marseille, and in Den Haag there’s another photo museum, and in Rotterdam another. So you have four fantastic photo museums in an area the size of greater London. That’s incredible.

As an art collector Bagley spends a lot of time in local galleries. Again, accessibility is the key. “When you walk anywhere in Holland, you can look into people’s homes because no-one shuts the curtains. And many, many people have paintings on their walls. There’s a culture here of art buying at all levels, which doesn’t exist in the US or the UK. This is reflected in the art galleries: many focus on young artists, there’s no snootiness and the prices are realistic.”

Bagley has even become an evangelist of sorts for Dutch culture, especially the performing arts. “Some of the best dance I’ve ever seen was by the Nederlands Dans Theater (NDT) with choreographers Lightfoot & Leon. We have friends in London and Germany who now go to the NDT because we told them how good they are. But beside that there’s so much more: The National Ballet, Conny Janssen, Emio Greco, The Netherlands Opera. How can a country so small manage to do all of this?”

“Part of the answer is government subsidies. I’ve lived very well, having my entertainment delivered by Dutch arts subsidies. And I believe strongly that as an expat, you shouldn’t only come in for two or three years and take things, you should also give back. So we sent a letter to the Holland Festival which we enjoyed very much, saying we’d like to give back some of the subsidy they spent on us.”

“Shortly after we received a phone call, and the Festival said they nobody had ever just written them to become a sponsor. So you can see that a ‘culture of giving’ is still in it’s infancy. But as a consequence the money you give is well received. In London you can sponsor something and no-one from the institution you support will ever talk to you. In Holland there’s a coyness about asking for your money that I find rather endearing.”

And Bagley also gives back in another way, for instance by contributing to the famous Grachtenfestival, during which every summer classical concerts take place on pontoons in the Amsterdam canals. “During the festival people opened their homes for in house concerts. Violinist Lisa Jacobs, then unknown, now a soloist with the Concertgebouw Orchestra, played in our living room for 36 visitors. It was a sunny day, and I sat in the open window and saw people on the street stop and listen to the music. That was quite a wonderful experience and it really felt like the essence of Dutch cultural life.”

Nigel Bagley (Scotland, 1959)
Director of industry affairs at Unilever
Lives in Amsterdam since 2001
Married, no children

Voorstuk Moby Dick

Geen ruisende golven, maar loeiende electronicarock, geen grotesk monster, maar een frêle meisje en geen rampzalige climax maar een happy end met het hele publiek onder water. In Moby Dick – Het concert, een samenwerking tussen De Veenfabriek en Schauspielhaus Bochum, staat alles op z’n kop. De concertvoorstelling staat vandaag en morgen in de Stadsschouwburg. Intrigerend detail: de Duitse acteurs in de voorstelling spreken Nederlands. “Het voelt alsof je terug moet naar de toneelschool.”

Het podium ziet eruit als bij een standaard rockconcert. Veel electronica en rondwemelende snoeren. Hier en daar een gitaar. Maar over het toneel verspreid ook een aantal witte plastic bollen half gevuld met blauwe vloeistof. Hoog achterin een rond scherm waar sterren op geprojecteerd worden: een patrijspoort met uitzicht op het heelal.

Vier jaar geleden begon de samenwerking tussen het Leidse muziektheatergezelschap De Veenfabriek van voormalig Hollandia-regisseur Paul Koek en het Schauspielhaus in Bochum, midden in het Ruhrgebied. Hij maakte er een aantal voorstellingen (Candide, Drei Schwestern), steeds met Nederlandse en Duitse acteurs. Moby Dick, vooralsnog de laatste coproductie, is een radicale bewerking van de Herman Melville’s monumentale roman door de Vlaamse toneelschrijver Peter Verhelst.

“Peter had het idee om er vijf monologen van te maken”, vertelt Reinout Bussemaker, een van de Nederlandse acteurs in de voorstelling. “Ik ben de man in het kraaienest, die op dertig meter hoogte, heen en weer zwiept in de wind bespiegelt over de positie van de mens tussen hemel en aarde. De stuurman is weer een ander karakter: iemand die de koers uitzet, zich vasthoudt aan getallen om greep te krijgen op de wereld. En ook de walvis zelf krijgt een monoloog: Peter wilde de natuur, het ongewisse een stem geven.”

Verhelst gebruikt de verschillende personages om allerlei thema’s uit het boek naar voren te brengen. Hij waaiert uit naar techniek, filosofie, maatschappij, net zoals Melville doet in zijn roman. Bussemaker: “Peter schrijft in een stijl waarin heden, verleden en toekomst door elkaar lopen. Hij is niet van de dialogen, of de intrige of de actualiteit. Het is heel intens.”

Voor de Oostenrijkse acteur Werner Strenger, die de kapitein speelt, is het inmiddels de derde voorstelling die hij met Koek maakt. “Wat ik mooi vind aan Paul is dat hij altijd probeert altijd om de klankrijkheid van de wereld te onthullen. De muziek in Moby Dick komt voort uit het kraken van het schip, het razen van de storm en het fluitende gezang van walvissen, maar hij geeft er altijd weer een eigen draai aan.”

Voor Strenger is het een spannende avond, want hij moet, samen met twee andere acteurs uit Bochum, voor het eerst in het Nederlands spelen. Hij blijft er echter laconiek onder: “Het hoort bij het werk. We hebben de voorstelling deels in Leiden gemaakt en toen al aan de Nederlandse versie gewerkt. De Nederlandse collega’s hebben goed geholpen. Het gaat bij deze voorstelling niet alleen om de betekenis van de woorden, de klank is net zo belangrijk. We hebben veel gewerkt aan de muzikaliteit van de tekst.”

Hoe beoordeelt Bussemaker het Nederlands van zijn collega’s? “Ze komen heel ver, al blijft het met een Duitse tongval. Ik heb wel het idee dat de Nederlanders die in Bochum Duits moeten spelen verder komen. We kennen de taal al beter, en wij moeten overdreven gaan articuleren. Dat is makkelijker dan losser spreken. Ik hoop dat het publiek beseft hoe moeilijk het is. Toen ik voor het eerst op moest in Duitsland dacht ik: ik moet terug naar de toneelschool. Het voelde volstrekt machteloos.”

Bussemaker heeft in de afgelopen jaren veel bewondering voor Duitse acteurs gekregen: “Ze werken heel hard, geven de regisseur heel veel, zijn heel gedisciplineerd. Maar ze zijn ook heel serieus en zwaar.” “Ik ben niet zo gedisciplineerd hoor”, zegt Strenger. “Ik vind het juist mooi hoe Nederlandse spelers met veel gemak, lichtheid, vreugde en met veel rumoer dingen uitproberen. En ze houden een goed humeur. Dat bevalt me zeer.”

Sowieso is Strenger gecharmeerd van het Nederlandse theaterklimaat. “In Duitsland is theater soms een wedstrijd. Alle gezelschappen concurreren met elkaar. De Nederlandse theaterwereld lijkt mij veel minder competetief.”

Moby Dick – Het Concert van De Veenfabriek en Schauspielhaus Bochum staat 27 en 28/5 in de Stadsschouwburg. Meer info op www.veenfabriek.nl

Voorstuk Superkapitalisten

Twee acteurs repeteren in een zaaltje ergens op het WG terrein. Ze moeten in de voorsteling uit hun rol vallen en even ‘zichzelf spelen’. Regisseur Lineke Rijxman is niet tevreden: “Het is mèh. De energie is te laag. Het moet echt een gesprek zijn, niet een uitwisseling van vooraf ingenomen stellingen.” Nog eens doen ze de scène, en nog eens. Steeds meer gaat het sprankelen en vonken.

De acteurs zijn Sieger Sloot en Eva Marie de Waal. Vorig jaar maakten ze in een paar maanden tijd onder de hoede van theatergroep Mugmetdegoudentand de goed ontvangen voorstelling Superkapitalisten, die vanaf vandaag drie weken terugkomt in Bellevue. Het is een voorstelling over de ideeën van schrijfster en filosofe Ayn Rand en een van haar volgelingen, de Amerikaanse econoom Alan Greenspan, jarenlang directeur van de centrale bank en daarmee een van de voornaamste menners van het globale kapitalisme.

“We hebben de voorstelling vorig jaar in drie maanden geschreven én gerepeteerd”, vertelt Sloot na afloop van de repetitie, “Dat is onmogelijk kort. Het is eigenlijk absurd dat het zo goed is gegaan.” “Nu hebben we de afstand om te reflecteren”, vult De Waal aan, “We hebben de voorstelling geactualiseerd –de SNS-bank is intussen omgevallen– en wat meer nuance aangebracht.”

Het idee voor de voorstelling ontstond op de verjaardag van Sloot: “Eva Marie en ik kennen elkaar al lang en in die tijd speelde ik samen met Lineke Rijxman in een voorstelling van Mugmetdegoudentand. Eva Marie vertelde over een boek dat ik móest lezen: The Fountainhead van Ayn Rand. Terwijl ik net die avond van Lineke de biografie over Rand had gekregen. Zo viel het allemaal heel snel in elkaar: Eva Marie en ik wilden het samen maken, en Lineke moest het regisseren.”

Maar Ayn Rand is controversieel: haar filosofie is er een van bikkelhard egoïsme en laissez-faire kapitalisme. Liefde is niets anders dan wederzijds eigenbelang, iedere vorm van collectief denken is verachtelijk. The Fountainhead, over een compromisloze architect en zijn ruggegraatloze concurrent, is het favoriete boek van zulke uiteenlopende mensen als Geert Wilders en Ivo van Hove.

De Waal: “We zijn in de voorstelling vrij kritisch op haar, maar ik kan me voorstellen dat je door dat boek gegrepen wordt. Het is een pleidooi voor authenticiteit. Het gaat over het gevecht dat iedereen met zichzelf heeft: welke compromissen sluit ik terwijl ik mijn idealen probeer te verwezenlijken.” Sloot: “Maar ik hoop toch dat die mensen niet alleen maar fan zijn. Je leest het en denkt: oh, zo zou ik ook wel willen dat de wereld in elkaar zit. Maar het is uiteindelijk veel te zwart-wit.”

De twee verdiepten zich ook in het leven van Rand, die geboren werd in een joodse familie in het Rusland van voor de revolutie. Ze maakte de bolsjewistische machtsovername mee, die haar familie ruïneerde voordat ze naar Amerika vluchtte. Sloot: “Eigenlijk kun je stellen dat haar hele filosofie voortkomt uit haar jeugdtrauma: de onteigening van het familiebedrijf door de communisten. En dat is haar blinde vlek geweest.” De Waal: “Maar dat verhaal maakt haar ook wel weer sympathiek.”

De voorstelling drijft op het dramatische gegeven dat Alan Greenspan op tachtigjarige leeftijd moest verantwoorden voor zijn rol in het ontstaan van de kredietcrisis. Sloot: “Hij is gedwongen om min of meer afstand te nemen van de ideeën die hij zijn hele leven heeft aangehangen.” De Waal: “En we suggereren dat ze misschien ooit iets hebben gehad. Dat is dichterlijke vrijheid, maar het is spannend dat hij haar afzweert, terwijl hij misschien wel nog wel veel voor haar voelt.”

Maar De Waal en Sloot vertellen niet alleen het verhaal, ze meten ook zichzelf af aan de strenge maatlat van Rand. De Waal: “We stappen als het ware uit de voorstelling. Dat was voor ons echt nieuw. Maar Lineke en Joan Nederlof vonden dat we ons zelf niet buiten beschouwing konden laten. Bovendien maken we deze voorstelling bij Mugmetdegoudentand en dat persoonlijke engagement is essentieel voor hun stijl.” Sloot: “En dit is zo’n interessant onderwerp dat nog interessanter wordt als je ziet wat het met ons zelf doet.”

En dus vertelt Sloot over zijn ervaringen bij het inspreken van commercials. “Ik doe dat veel, en het geeft mij bijvoorbeeld de mogelijkheid om fulltime aan deze voorstelling te kunnen werken. Maar ik worstel er wel mee. Hoe geloofwaardig ben ik als ik een voorstelling maak over de uitwassen van het kapitalisme en ondertussen een onderdeel van dat kapitalisme in stand help houden?” De Waal: “Die vraag beantwoorden we niet. Het antwoord is ook voor iedereen anders. Maar de vraag stellen is al interessant genoeg.”

Superkapitalisten speelt van 21/5 t/m 9/6 in Bellevue. Meer info op www.superkapitalisten.nl

 

Interview Elsie de Brauw

interviews — simber op 11 april 2013 om 10:17 uur
tags: , , ,

Actrice Elsie de Brauw is net terug uit München en vertrekt volgende week weer naar Nantes. Haar leven lijkt een continuë Europese tournee van voorstellingen die ze maakt met de meest interessante regisseurs van het continent. Deze week is ze even in Amsterdam met de voorstelling Wassa van de Letse regisseur Alvis Hermanis. “Het is een voorstelling die je bekijkt zoals je een boek leest.”

Alvis Hermanis is nog even de ‘Brandstichter’ van dit jaar in de Stadsschouwburg: Vijf van zijn voorstellingen zijn in deze periode te zien. Na het succes van Sommergäste, Sounds of Silence en Long Life vorige maand, worden deze week nog de voorstellingen Väter en Wassa gespeeld.

Wassa is een in Nederland onbekend stuk van Maxim Gorki. Het speelt in 1910 in Rusland, waar de revolutie in de lucht hangt. De Brauw speelt de titelrol: “Wassa is een zakenvrouw die koste wat kost haar bedrijf op de rails probeert te houden. Het is een milieu van handelaars – mensen die heel veel te verliezen hebben bij die revolutie en die willen redden wat er te redden valt.”

Net zoals in de eerdere Brandstichter-voorstellingen is de minutieuze aankleding de blikvanger van de voorstelling. “Alvis Hermanis heeft er een soort kijkdoos van gemaakt: een volledig nagebouwde verdieping in een Russisch landhuis met duizenden details, waarin ieder korset, iedere lamp, iedere vork, ieder fotolijstje uit 1910 komt. Als ik de administratie zit te doen dan is dat ook werken met kroontjespen, telraam en lorgnet.” Vooraan op het podium zit  ook nog eens dozijn echte duiven (in kooitjes uit 1910).

Die prachtige uitdragerij heeft ook invloed op het spel van de acteurs: “Je moet voorzichtig zijn met de inventaris: veel is breekbaar en duur. Mijn personage drukt alles in geld uit. Ze heeft hard gewerkt om te komen waar ze is, en met al die bezittingen drukt ze haar liefde uit. Ze wil alles over kunnen dragen aan haar kinderen en als die te dom of te lui zijn om daar wat mee te doen dan maar aan haar kleinkinderen.”

De manier van regisseren volgt logisch uit het decor. De Brauw noemt het “een soort fotorealisme”, waarbij alle theatraliteit wordt vermeden. Alle bewegingen en handelingen komen logisch voort uit de omgang met al die spullen.

“Dat is lastig, maar het helpt ook bij het opbouwen van de rol. Vooral zo’n korset: je beweegt heel anders, en daardoor komen er andere emoties naar boven. In het stuk zit bijvoorbeeld een vechtpartij tussen mij en een dienstmeisje. Zij is van een andere klasse en draagt dus geen korset. Dat maakt het gevecht totaal ongelijk. Voor de zinnen die ik daarna moet zeggen heb ik echt nauwelijks adem.”

Hermanis maakte de voorstelling bij de Münchner Kammerspiele, waar De Brauw’s echtgenoot Johan Simons artistiek leider is. Wassa was er een enorm succes en de Nederlandse en Vlaamse acteurs (naast De Brauw ook Katja Herbers en Benny Claessens) worden door de Zuidduitse pers hoog geprezen. De Letse regisseur is dan ook kritisch op Duitse toneelspelers: die zijn te veel met hun hoofd bezig en te weinig met hun lichaam, vindt hij. De Brauw snapt wel wat hij bedoelt: “Als je een Duitse acteur vraagt om een tekst lichamelijker te brengen, dan gaat in eerste instantie met zijn handen z’n woorden benadrukken.”

Maar op een ander vlak had De Brauw, die haar carrière begon in de collectieve manier van werken van Theatergroep Hollandia, wel moeite met Hermanis’s strenge aanpak: “Ik ben heel erg gewend om me bij iedere rol af te vragen wat het met nu te maken heeft en om mijn persoonlijkheid te tonen in een rol. Alvis eist transformatie van top tot teen: hij wil levensechte poppetjes zien. ‘I’m not interested in your ego. I’m interested in your character.’ Je kunt het vergelijken met het lezen van Tolstoj. Dan zit je je ook niet op iedere pagina af te vragen wat het met het nu te maken heeft. Je laat je meevoeren, en als het boek dicht slaat denk je misschien: nou, er is eigenlijk niets veranderd; of: die mensen hadden het ook niet makkelijk.”

“Ik ben heel benieuwd naar reacties in Nederland. Je bent als toeschouwer een soort vlieg op de muur. Het is een onverbiddelijke vorm en de voorstelling breekt daar nergens doorheen.”

In mei staat De Brauw opnieuw op de planken van de Stadsschouwburg, in Tsjechov’s Platonov van regisseur Luk Perceval. “Tsjechov en Gorki zijn tijdgenoten, maar ik vind het verschil groot. Bij Tsjechov praten de personages altijd melancholisch om de grote problemen heen en ze handelen niet. De personages van Gorki zijn aanpakkers, ze zijn altijd bezig, ook al lukt het vaak niet.”

Wassa van de Münchner Kammerspiele: 5 en 6 april in de Stadsschouwburg
Väter van het Wiener Burgtheater: 3 en 4 april in de Stadsschouwburg
Meer info op www.ssba.nl

 

Voorstuk Kwartet

interviews,Parool — simber op 20 maart 2013 om 10:00 uur
tags: , ,

Kun je Heiner Müller grunten? Dat lijkt de vraag bij de voorstelling Kwartet: een powerballad van de net afgestudeerde theatermakers Naomi Velissariou en Urland. Ze lieten zich inspireren door Death Metal-bands als Slayer en Carcass en maakten van Müllers toneelstuk over macht, seks en manipulatieve geilheid een extreme performance die deze week in Frascati te zien is.

Urland is een jong performancecollectief, onstaan op de Toneelacademie in Maastricht. De vier mannen van Urland lijken geobsedeerd door harde muziekstromingen: hun eerste voorstelling heette Gabberopera. Actrice Naomi Velissariou, toendertijd klas- en huisgenoot van Urland-lid Ludwig Bindervoet, zag die voorstelling en was meteen enthousiast: “Het had een sterke beeldtaal, en een energie waar ik opgehitst van raakte.” Uiteindelijke samenwerking lag voor de hand.

De Belgische actrice Velissariou (1984) viel op in de voorstelling Tartuffe van NT Gent en Toneelgroep Amsterdam waarin ze stage liep, en maakte afgelopen herfst al een eigen voorstelling bij Frascati, Mr Jones. Maar ze studeerde ook theaterwetenschap in Antwerpen. “Ik ben dramaturg én acteur”, zegt ze in een Amsterdams café. Haar combinatie van speeldrift en analytisch denken liet ze expliciet terugkomen in Mr Jones: “Ik speelde in die voorstelling een lijdende vrouw, maar tegelijk beschreef ik op meta-niveau wat er gebeurde, en wat het publiek hoorde te voelen.”

Heiner Müller heeft haar belangstelling al sinds theatermaker Sam Bogaerts haar met de Duitse schrijver kennis liet maken op de toneelschool. In Tartuffe werd ze vervolgens geregisseerd door Dimiter Gotscheff, een van de belangrijkste Müller-regisseurs van Duitsland. Kwartet is misschien wel zijn bekendste stuk: een rauwe, cynische variatie op het verhaal van Les Liaisons Dangereuses, waarin een man (Valmont) en een vrouw (Merteuil) hun sexualiteit en hun taal inzetten in een harde onderlinge machtsstrijd.

Velissariou: “Müller was nooit helemaal tevreden over dit stuk. Het lijkt bijna psychologisch-realistisch en soms wordt het ook zo gespeeld, maar dan mis toch je de point. Ik denk dat het eigenlijk niet door mensen gespeeld kan worden. Het zijn constructies van taal en geen psychologische identiteiten. En ze spreken in het stuk voortdurend over hun lichaam als over een machine. Vanuit mijn achtergrond in gender studies vind ik het interessant om de personages te bekijken als cyborgs, als mensen zonder lichaam.”

Tijdens het maken van de voorstelling botste het soms tussen de meer analytische Velissariou en de improviserende aanpak van Urland. “Zij gaan uit van kostuums, geluid, beeld en sfeer om een voorstelling te maken, ik meer van een inhoudelijk idee.” Maar alles viel op z’n plaats toen ze Death Metal erbij haalden. “In die muziek vonden we dezelfde tegenstrijdigheid als in de tekst van Müller: in het extreem esthetiseren van de dood zit een absurde lieflijkheid en een enorme vitaliteit.”

“Bovendien stralen die muzikanten een interessant idee over mannelijkheid uit, met hun sluike haar en hun make-up. Het zijn heel nerderige jongens, half man, half nymf. In interviews voldoen ze graag aan het mannelijke rock ’n roll cliché, maar het is een hyper-emotionele mannelijkheid. Dat had ook z’n uitwerking op ons: vanaf het moment dat we de kostuums aantrokken werd ik een man en werden zij vrouwen.”

Velissariou werd geboren in Vlaams Limburg en wilde eigenlijk politicus worden. “Op de middelbare school was ik een nerderig meisje dat de kranten niet vertrouwde en in de pauze persberichten zat na te zoeken.” Maar vlak voordat ze politicologie zou gaan studeren kreeg haar liefde voor taal de overhand en deed ze auditie voor de toneelschool in Antwerpen, “In het geheim, want mijn vader vond dat helemaal geen goed idee.”

Een paar jaar later verhuisde ze naar Nederland. “Op dit moment is het voor jonge theatermakers makkelijker in Vlaanderen. Maar de scene is veel kleiner. Nederland is groter en veel diverser; er is naast repertoiretoneel ook mime en performance enzovoort. Maar ik vind het wel lastig dat kunstenaars in Nederland nu zo sterk worden afgerekend op hun publieksbereik. Verkopen is een vak en het zou zeker niet je primaire vaardigheid moeten zijn als theatermaker. Er zijn ongetwijfeld briljante kunstenaars die niet weten hoe ze dat moeten doen. Die vallen nu buiten de boot.”

Kwartet; een powerballad van Urland en Naomi Velissariou. 14 t/m 16/3 in Frascati. www.theaterfrascati.nl

Voorstuk De Theatertroep

Bepakt met Praxis-tasjes en emmers verf druppelen ze het café in. De piepjonge toneelspelers van De Theatertroep hebben later nog een decor af te maken. Net zoals hun geestverwanten van ’t Barre Land en Discordia doen de acteurs alles zelf, van tekstmateriaal verzamelen en spelen tot schilderen en koken. Deze week staan ze met hun voorstelling Dan en slechts dan als in de Melkweg.

De meeste leden van De Theatertroep kennen elkaar van de Amsterdamse Jeugdtheaterschool en dan met name van de klas ‘spelen met tekst’ van docent Jaïr Stranders (“Veel voorstellingen zien, erover praten, en theatergeschiedenis”). Jochum Veenstra en Patrick Duijtshof, toen 16 jaar oud, maakten in 2006 voor het eerst een voorstelling samen en sindsdien is het zwaan-kleef-aan, met steeds nieuwe mensen die in verschillende samenstellingen jaarlijks een voorstelling maken in het Polanentheater of het Ostadetheater.

“Drie jaar geleden kwam een aantal van ons op het punt dat het niet lukte op school”, vertelt Duijtshoff, “Toen besloten we: we gaan een eigen groep beginnen en we maken onze eigen opleiding wel.” Veenstra: “We vroegen mensen als Vincent van den Berg (van ’t Barre Land) en Martijn de Rijk om ons te begeleiden en we gingen heel veel spelen.”

Twee jaar geleden begon het op te vallen. Ze maakten een erg geslaagde voorstelling over Molière, met de fonetisch Franse titel Zjuh Treebuusj, die begon in een geheel lege zaal in Perdu. De troep duwde een enorme houten kar naar binnen, waar gedurende de eerste helft van de voorstelling stoelen voor het publiek, het decor en theaterlampen uit tevoorschijn kwamen. Een jaar later speelden ze een compilatie van stukken van Gerardjan Rijnders in de Vondelbunker. Het zijn niet per se briljante spelers, maar ze staan ontspannen en ongedwongen op het toneel, in voorstellingen met een opvallend filosofische inslag.

Maar tegelijk zijn de Troepers niet vies van een feestje. Afgelopen jaar speelden ze als onderdeel van de nachtprogrammering van De Melkweg regelmatig ‘Troupe en Nuit’. Veenstra: “Dat zijn vaudeville-avonden, met allerlei korte sketches, van Kees van Kooten en Monty Python tot gedichten en Shakespeare, nagespeelde interviews. Na de voorstelling ruimen de stoelen aan de kant en gaan we dansen.” “Eigenlijk spelen we daar ons wensenlijstje van stukken die we nog eens willen doen”, zegt Jasmijn Vriethoff, “Sommige fragmenten zijn grappig en toegankelijk, maar we proberen ook altijd wel conceptuelere dingen te doen. Laatst speelden we het korte toneelstuk Crankybox van Judith Herzberg helemaal.” Veenstra: “Soms komen er dronken mensen binnen die er niks van begrijpen. Dat is ook geweldig.”

Voor Dan en slechts dan als doken ze in de films van Jean-Luc Godard. “In tegenstelling tot wat mensen vaak denken vonden wij het best toegankelijke films, vooral die uit zijn beginperiode”, zegt Kyrian Esser. “We zagen in zijn films heel veel dingen die wij ook proberen te doen op toneel. Hij laat je steeds weten dat je naar een film aan het kijken bent. En hij citeert heel veel.” De Theatertroep maakt op zijn beurt weer een eigen collage-tekst. Esser: “We begonnen met het uitschrijven van de ondertiteling van de scènes die we oppervlakkig gezien interessant vonden. Pas als je het leest zie je de structuur  en ga je echt begrijpen wat hij zegt. We kwamen erachter dat de stukjes die speelbaar waren vaak heel kort waren.”

Duijtshoff: “We spelen wel heel anders dan de acteurs in zijn films. Die zijn heel erg geregisseerd en spelen gestileerd. Wij zoeken altijd naar een combinatie van echte en vastgelegde gesprekken op het toneel.” Marijn Prakke: “We verhouden ons meer tot de schrijver Godard dan tot de regisseur Godard.” De anderen spreken dat onmiddellijk fel tegen.

De leden van De Theatertroep hebben een moeizame verhouding met de bestaande theateropleidingen. Een aantal van hen deed tevergeefs auditie; Duijtshof verliet na twee jaar met ruzie de opleiding Theaterdocent; Vriethoff speelde in de televisieserie Spangas; Roos Visser heeft een tussenjaar genomen van de Rietveld Academie; “Zelfs de cellist die nu meedoet is na twee jaar gestopt met het conservatorium.”

Wat is er aan de hand? Visser: “Een opleiding is toch ook altijd voor een deel opvoeding. Het is een paradox: om originele kunstenaars te kweken moet aan de ene kant alles mogelijk zijn, maar om een opleiding te zijn moet het aan de andere kant wel structuur bieden.” Veenstra: “Ik wil heel graag het ambacht van toneelspeler leren. De lessen spraak en beweging die ik heb gehad vond ik altijd het leukst: er is maar één manier om dat te doen. Bij alle andere lessen ben je je voornamelijk tot de docent aan het verhouden.”

Duijtshoff: “We verhouden ons nu ook tot de mensen van ’t Barre Land, die ons enorm helpen, maar wat zij ons bijbrengen is niet een stijl, het is een attitude. Het gaat over hoe je autonoom kan zijn als toneelspeler.” Maar zijn die groepen, die nu ook geen subsidie meer krijgen, niet gedateerd? “Bij onze generatie is het juist heel erg in de mode. We doen veel educatie op scholen en jonge mensen kunnen die manier van kijken heel makkelijk begrijpen. Het is ook een beetje fuck the system.”

Dan en slechts dan als van De Theatertroep speelt van 9 t/m 14/1 in de Melkweg. Meer info op www.theatertroep.nl

« Vorige paginaVolgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2024 Simber | powered by WordPress with Barecity