Boekrecensie: De koning kun je niet spelen van Boris van der Ham

boekrecensies,Theatermaker — simber op 20 juni 2014 om 10:00 uur
tags: ,

Voor veel mensen in de theaterwereld was hij toch altijd een beetje ‘ons’ Kamerlid. Boris van der Ham werd opgeleid aan de Toneelacademie Maastricht speelde onder meer bij De Appel en ZT Hollandia voordat hij definitief koos voor zijn andere grote liefde, de politiek. Tien jaar zat hij in de Tweede Kamer voor D66. In 2012 nam hij afscheid, en inmiddels is hij (onder andere) voorzitter van het Humanistisch Verbond.

Bovendien schreef hij het heel aardige en vlot geschreven boekje De koning kun je niet spelen, over de overeenkomsten tussen het toneel en het politieke bedrijf. Het is een helder en levendig pleidooi voor minder angst voor theater in de politiek en vooral voor béter theater in de politiek, maar ook een tikje oppervlakkig en daarbij gaat hij vaak uit van een wat ouderwetsig beeld van theater.

Aan de hand van een aantal toneelwetten geeft Van der Ham een aantal analogieën tussen toneel en politiek. Soms liggen die voor de hand – zowel een toneelspeler als een politicus moet beelden oproepen; ‘show, don’t tell’ – en soms zijn ze onnavolgbaar –‘het geweer van Tsjechov’ brengt hem op liegen en draaien. Maar meestal zijn ze origineel en overtuigend, zoals de vergelijking tussen politici als Berlusconi en Fortuyn die de boel ontregelen en zo iedereen van het toneel spelen, net als een hondje op het toneel, of de de titel die impliceert dat juist het gedrag van de mensen om hem heen de machthebber gezag geeft en leert je zo opnieuw kijken naar politiek leiders in de problemen.

Theater in de politiek heeft een slechte naam. Het staat voor alles wat onecht is: wrevel die wordt opgeblazen tot woede, standpunten die er alleen maar toe dienen om de media te paaien, de leugens en hypocrisie die nu eenmaal onvermijdelijk samengaan met compromissen smeden. Van der Ham probeert er een positief beeld over theater tegenover te stellen: juist het element van spel in politieke discussies zorgt voor de relatieve geweldloosheid van de democratie. Instemmend haalt hij Johan Huizinga aan, die stelt dat het spel ruimte geeft voor hoogoplopend conflict, maar dat het spel op een gegeven moment ook weer afgelopen is, zodat er weer ruimte is voor bezinning en toenadering.

Het is jammer dat Van der Ham zo weinig aandacht besteedt aan de dramatisering van de politiek door de media. De speelruimte waar Huizinga het over heeft is voor een groot deel overgenomen door het medialandschap, die de aloude en bewezen scenario’s uit de dramatische kunsten hanteert om conflicten te ensceneren. De “morsige evenwichtskunst van de politiek” waar Van der Ham een lans voor breekt – dossiers lezen, compromissen sluiten, de achterban spreken – is te saai voor televisie, maar belangrijker is dat die dramatisering geen ruimte laat voor de belangrijkste invloed op de politiek: toeval.

Ik ben juist zo benieuwd hoe Van der Ham, die altijd slim en authentiek overkomt in praatprogramma’s, die scenario’s uitbuit en waar nodig tegenwerkt.

Dat gemis is des te frappanter omdat juist in het huidige theaterseizoen (waar Van der Ham als TF-juryvoorzitter een selectie uit moet maken) zo veel makers zich bezig houden met de dramatisering van het leven, in voorstellingen als Hideous (wo)men, The truth about Kate en Crash test Ibsen.

En daar zit meteen ook het tweede minpuntje aan dit boek: Van der Ham’s blik op theater blijft beperkt tot repertoiretoneel. Bij het schetsen van de verschillen tussen theater en politiek zet hij herhaaldelijk het spreken van andermans teksten en het wekenlang oefenen in het theater tegenover het improviseren van eigen werk in de politiek. Wat zouden nieuwere vormen van theater te bieden hebben aan politici?

Wat heel erg leuk is aan het boekje is de bijbehorende website, waar Van der Ham bij de vele voorbeelden die hij beschrijft de bijbehorende filmpjes kan laten zien. Het is een rijke verzameling retorisch talent, van Reagan, Wiegel en Wim Kan tot Shakespeare, Leni Riefenstahl en House of Cards. Samen met de korte interviews met theaterpersoonlijkheden als Ellen Vogel, Theu Boermans, Jaap Spijkers en Caspar Vandeputte is het een prima crash course drama voor iedere politicus. Ik hoop op een vervolg voor gevorderden.

www.dekoningkunjenietspelen.nl

 

Boekrecensie: ‘Herinneringen van een regisseur’ van Erik Vos

boekrecensies,Parool — simber op 15 juni 2014 om 19:15 uur
tags:

Toneel regisseren doet hij niet meer. De inmiddels 85-jarige Erik Vos is sinds een paar jaar met pensioen, maar op andere vlakken gaat de productie door. Hij schreef twee lijvige boeken over acteerimprovisaties en toneelrepetities (respectievelijk De hele wereld is toneel (2005) en De wereld van transformaties (2008)), die vooral bedoeld leken voor vakgenoten en nu is er Herinneringen van een regisseur, dat een groter publiek zou moeten kunnen aanspreken.

Herinneringen bestaat uit beschrijvingen van de repetitieprocessen van vijf voorstellingen op evenzovele plekken: van Shakespeare’s Antonius & Cleopatra in een verzengend heet Kansas City in de VS tot Oidipous van Sophokles, de afscheidsvoorstelling bij het door hemzelf opgerichte gezelschap De Appel in Den Haag.

Onnadrukkelijk geeft Vos in zijn inleiding zijn motto: “Opvallend is dat de auteurs die ik de revue laat passeren aan het eind van hun leven er plezier in lijken te hebben twijfel te zaaien over de aard van hun schepping.”

Dat gaat natuurlijk ook over zijn eigen boek. Zijn het nou memoires, een inkijkje in een werkmethode of een regiedagboek? En dan worden de hoofdstukken over de voorstellingen ook nog eens steeds afgewisseld met rijk geïllustreerde beschouwingen over beeldend kunstenaars als Picasso, Francis Bacon en Alechinsky. Het geeft niet; steeds is er het de blik van Vos die de onderwerpen samen brengt in zijn zoektocht naar ritme, droombeelden en de vervormde verdubbeling van de werkelijkheid die kunst altijd is.

Het smeuïgst zijn natuurlijk de repetitieverslagen, vol confrontaties met bokkige diva’s, luie muzikanten en bureaucratische theaterorganisaties. Steeds weet Vos vastgeroeste patronen te doorbreken en acteurs warm te maken voor zijn op improvisaties gebaseerde werkwijze. Nu eens staat hij in zijn onderbroek voor een moeilijk tot acteren te bewegen Russische tenor, dan weer gaat hij kijken in een Duits kostuumatelier, waar tot dan toe geen regisseur zich heeft vertoond.

En naast die succesverhalen is het ook goed om te lezen, dat het soms helemaal niet lukt, zoals bij het totaal uit de hand lopende maakproces van Trilogie van het zomerverblijf in Berlijn, waar Vos uiteindelijk zijn koffers moet pakken.

Toneel is een meedogenloze kunst: als je niet meer speelt of regisseert is je werk weg en niet meer terug te halen. Hoewel Erik Vos een grote inspiratie is geweest voor generaties theatermakers in Nederland, heeft zijn stijl niet echt school gemaakt. Zijn belang zit juist in het mede ontwikkelen van nieuwe manieren van werken voor het toneel: losser, vrijer en minder hiërarchisch dan in de jaren zestig. Herinneringen van een regisseur is geschreven door iemand die dat proces belangrijker vindt dan het resultaat.

Herinneringen van een regisseur van Erik Vos. Uitgeverij ITFB. 338 pagina’s

Boekrecensie: Mijn Opera van Willem Bruls

boekrecensies,Theatermaker — simber op 19 maart 2010 om 22:41 uur
tags: ,

Het begon allemaal met Mahler en daarna volgde Wagner. Dat was voor Willem Bruls de ingang voor een leven lang muziek en opera. Als dramaturg, schrijver en redacteur (onder andere voor dit blad) leerde hij alle uithoeken van het operalandschap kennen en schreef hij een groot aantal artikelen. Die zijn nu verzameld in het aangename boek Mijn Opera, dat verschijnt in een serie van Uitgeverij Atlas met andere boeken als Mijn Duitsland, Mijn wadden en Mijn Formule I.

Maar de titel Mijn opera heeft een extra laag: dit zijn de ‘werken’ van Willem Bruls. In alfabetisch geordende hoofdstukken –van Aanvang via Elektra en Misbruik tot Zingen- komt een bonte verzameling genres voorbij, van interviews en historische beschouwingen tot kritieken die de hele operageschiedenis bestrijken, van Monteverdi tot Ivo van Hove’s Ring-enscenering. Dit maakt het boek prettig afwisselend, maar ook fragmentarisch; het duurt even voordat je Bruls’ visie op opera hebt achterhaald.

Uiteindelijk blijkt hij een hartstochtelijk gelover in de potentie van opera als samenbindende kunstvorm. In het hoofdstuk Kritiek somt hij nog eens op waarvan de moderne operabeschouwer allemaal wel geen verstand moet hebben: muziek, vocalen, het ‘scenisch-visuele’ aspect, toneel, beeldende kunst en de laatste decennia ook steeds meer van film en video. Hij toont zich kritisch over de regisseursopera, maar veel nog over rabiate melomanen die opera het liefst tandeloos vermaak wilen maken (‘Ben Hur-opera’ noemt hij dat toepasselijk) en de bedoeling van de componist willen weergeven.

De sterkste hoofdstukken zijn dan ook de ontstaansgeschiedenissen van opera’s waarbij Bruls met flair laat zien hoe zeer het werk van Mozart, Glück of Monteverdi doordesemd is van politieke en ideologische stellingnames, hoewel hij persoonlijke of zelfs psychologische interpretaties van werken niet schuwt. En daarnaast weet hij bijvoorbeeld op vermakelijke wijze de betrokkenheid van Casanova bij het ontstaan van Mozart’s Don Giovanni aannemelijk te maken.

Zwakker zijn de stukken die slechts zijdelings met opera te maken hebben, zoals artikelen over de discussie over het beste orkest ter wereld of de vergelijking van de architectuur van Berlage met Wagner’s gesamtkunstwerk. Bruls’ stijl is af en toe wat bombastisch en net als in operaplots springt hij nogal van de hak op de tak, maar uiteindelijk weet hij je toch aangenaam te verrassen met een aardig bon-mot of een scherpe observatie.

En het leukste is toch eigenlijk het geroddel over moderne klassiekers, over breekbare oude componist Alfred Schnittke die tijdens in voorbereiding op de wereldpremière van De Idioot bij De Nederlandse Opera veilig zit opgesloten in Hotel de l’Europe en uitsluitend met briefjes communiceert of Bruls’ eigen avonturen als dramaturg van Pierre Audi bij de opvoering van La Juive in Parijs, wat een onthullend kijkje in de sociale mechanismes van de Opera de la Bastille oplevert. In dat genre had ik nog wel meer willen lezen, maar op dat gebied zullen de objectieve beschouwer en de loyale dramaturg elkaar wel in de weg hebben gezeten.

Gelezen: Mijn Opera van Willem Bruls
Uitgeverij Atlas

Boekrecensie: Werklicht II; alle avonturen van Toneelknecht Kees

Dertien jaar schreef Niko Bovenberg in het techneutenblad Zichtlijnen zijn columns over Toneelknecht Kees, een nurkse technicus bij “het belangrijkste toneelgezelschap van het land”. Stukjes vol gemopper over kantoorpikkies die het niet uitmaakt of ze voor een reclamebureau, een krokettenfabriek of een toneelgezelschap werken en waarin alle problemen uiteindelijk moeten worden opgelost door de technici.

Waarom die columns toch zo genietbaar zijn is de enorme liefde voor toneel die eruit spreekt. En dan  gaat het Bovenberg –inspeciënt bij Toneelgroep Amsterdam- niet de concepten en ambities van de ‘artistiekleider’. Hij bekijkt de wereld “een kwart slag gedraaid”, vanaf het zijtoneel, waar hij dag in dag uit decors opbouwt en afbreekt, zodat de acteurs in een provincieplaats kunnen spelen. “Het is elke avond nieuw ijs”, legt Kees uit aan zijn fysiotherapeute, want lichamelijk ongemak hoort erbij.

In 2002 verscheen al de bundel Werklicht, maar in Werklicht II zijn nu alle columns verzameld. Dit betekent enige overlap, en er zit nogal wat herhaling in de stukjes over avond aan avond de voorstelling bouwen, draaien, afbreken en dan midden in de nacht met blikes bier in het busje naar huis, ondertussen kankerend op de planning. Maar de nieuwe avonturen zijn toch zeer de moeite waard, vooral omdat het personage Kees wat meer reliëf krijgt, door een zwangere vriendin, een periode ‘openbare nuchterschap’ en een stukke rug.

En Kees is weliswaar een personage, maar de omgeving waarin Kees werkt is behoorlijk herkenbaar en door zijn ogen krijgen we een onthullend inkijkje in de wereld van de artistieke opvolging, de krankzinnige decorontwerper (Kees’ minachting voor het woord ‘scenograaf’ is een geestige running gag) en de hippe schouwburgdirecteur rond het Leidseplein.

Het leukste van het boek is het technische jargon, dat Bovenberg taalvaardig en zonder al te veel uitleg inzet, als couleur locale van de coulissen. En ook als je niet precies weet wat friezen knopen, een vak inhangen of een voetje geven betekent zijn de dialogen in dit slang bijzonder vermakelijk, en je steekt er nog eens wat van op, zoals dat je nooit in doorgang moet bellen en dat links en rechts op het toneel altijd vanuit de zaal gezien is. En: “een toneelgezelschap is een kruising tussen een timmerfabriek en een transportbedrijf waar ook acteurs en regisseurs werken.”

Ook mooi zijn de bijrollen van het piepjonge actricetje, de dramaturg en de studente theaterwetenschap achter de bar van het stamcafé, die allemaal hun eigen obsessie hebben met één stuk. Voor de oudere acteur is het King Lear, voor het piepjonge actricetje is het de Drie Zusters en voor Kees zelf is het Dood van een Handelsreiziger: “Elke avond woordelijk dezelfde ruzies aanhoren die hij en z’n vader voerden.”

En in de loop van de tijd ontwikkelt Kees’ vak zich verder. De trekken worden elektrisch, de decors worden technischer en zelfs Kees kan niet ontkennen dat het de laatste jaren goed gaat met ‘het beangrijkste gezelschap van het land.’ Maar uiteindelijk komt het toch altijd neer op té veel sjouwen in te korte tijd, met steeds minder vakbekwame mensen. Het toneel is natuurlijk vergeetkunst, en Kees met zijn olifantengeheugen beseft dat als geen ander. Melancholie is zijn enige beloning.

Over geheugen gesproken: Werklicht II is natuurlijk ook voer voor de repertoirediscussie; zijn de decors die Kees een jaar na de voorstelling verbrandt, de requisieten die hij gebruikt om het huis van een vriendin in te richten en de vaardigheden in zijn kop en handen niet óók onderdeel van de traditie van het toneel? Kortom: Toneelknecht Kees is verplichte kost voor zakelijkleiders overal in het land.

Gelezen: Werklicht II; alle avonturen van Toneelknecht Kees van Niko Bovenberg
Uitgave van de Vereniging voor Podiumtechnologie

Boekrecensie: ‘Eigenlijk ben ik Spaans’ van Roos Ouwehand

boekrecensies,Theatermaker — simber op 16 mei 2009 om 19:42 uur
tags: , , ,

Toen ik las dat Joop Admiraal was overleden was ik op Festival Cement in Tilburg. Zijn dood leek niet veel indruk te maken op het daar verzamelde jonge theatervolk. Waarschijnlijk hadden weinig van hen hem nog zien spelen, en degenen die daar oud genoeg voor waren, waren meer geïnteresseerd in de toekomst dan in het verleden.

Zo gaat dat met toneelspelers. Als je het niet gezien hebt, is het weg. Er blijft niets over dan “een paar foto’s, naar zweet stinkende kostuums, recensies en sterke verhalen.” Dat geldt voor Admiraal, maar ook voor Roos Ouwehand. Toen ze vertrok bij Toneelgroep Amsterdam en verhuisde naar een “een leven vol vissticks en diksap” ging ze schrijven. Nuchtere, droogkomische stukjes over het leven in een nieuwbouwwijk.

Nu publiceert ze haar eerste boek, Eigenlijk ben ik Spaans; het leven van Joop Admiraal. Het is enerzijds een beknopte biografie en tegelijkertijd een weerslag van eigen herinnering, maar vooral een liefdevol en persoonlijk boek van de ene acteur over de andere. Bij Toneelgroep Amsterdam speelden ze een aantal keer samen, en ze leerde hem kennen als een vriendelijk, enigszins afstandelijk mens. Maar vooral als unieke en ongrijpbare acteur. “Als twee mensen het toneel opkwamen keek je naar Joop. Als zeventien acteurs opkwamen keek je óók naar Joop.”

Ouwehand sprak met vrienden en familie, broer Piet Admiraal, collega’s Jacques Commandeur, Peter Oosthoek en Helmert Woudenberg, regisseurs Jan Ritsema, Ivo van Hove en Gerardjan Rijnders en met Jaap Jansen, Admiraal’s partner vanaf de jaren tachtig tot zijn dood. Aan de hand van die gesprekken en archiefmateriaal beschrijft ze het leven van de veldwachterszoon uit de Betuwe die in het geheim auditie deed voor de toneelschool, en die vanaf zijn debuut nooit een slechte recensie heeft gehad.

Het helpt dat Ouwehand zelf actrice is. Ze kan van binnenuit maar toch helder schrijven over acteren en ze kan vooral heel goed aangeven tot waar ze kan begrijpen wat een bijzondere toneelspeler als Admiraal doet, en vanaf waar het gaat om ongrijpbare kwaliteiten als charisma of sierlijkheid. Bovendien is de bewonderde acteur ook een feilbaar mens, worstelend met eenzaamheid en verslaving aan alcohol en drugs.

Ouwehands nuchterheid slaat soms door naar braafheid. Over de eerste jaren met Ramses in Amsterdam: “Hier is hij verlost van zijn keurige opvoeding (…) Hier is geen moeder die zeurt over schoonmaken en strijken.” En omdat ze bij een aantal voorstellingen gebruik kan maken van haar eigen kijk- en spelervaringen, valt het op dat ze erg vaak teruggrijpt op andermans beschrijvingen van Admiraals spel.

Maar dat zijn kleine aanmerkingen bij een mooi boek. Misschien wel het meest waardevolle werk van Ouwehand is haar zijdelingse beschrijving van de ontwikkelingen in het toneel en de samenleving van de jaren vijftig tot nu – de opzienbarende openbaarheid van de homoseksuele relatie tussen Admiraal en Ramses Shaffy, de ontwikkeling in het repertoiretoneel die van de Nederlandsche Comedie uiteindelijk Toneelgroep Amsterdam maakte, de revolutionaire maatschappelijke betrokkenheid van het Werkteater die uiteindelijk leidde tot Admiraals meesterwerk U bent mijn moeder. Een tijdsbeeld in één mens is niet vluchtig, zelfs al is die mens toneelspeler.

Gelezen: Eigenlijk ben ik Spaans; het leven van Joop Admiraal van Roos Ouwehand
Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 240 pagina’s

Boekrecensie: ‘Badhuisweg’ van Hans Croiset

boekrecensies,Theatermaker — simber op 16 mei 2008 om 15:06 uur
tags: , , ,

Acteursmemoires zijn in Nederland geen courant genre. Cor van der Lugt Melsert schreef eind jaren ’40 zijn Wat ik nog even zeggen wou…, met daarin een onbedoeld hilarisch lijstje regels voor acteurs (dat Cas Enklaar op beleefd verzoek uit het hoofd voor je kan opdreunen) net als Bob de Lange, Fie Carelsen en enkele anderen. Natuurlijk zijn er de aardige monografieën die het TIN de afgelopen jaren heeft uitgegeven, maar dat een theatermaker zelf de pen ter hand neemt blijft een uitzondering.

Dit slechts om aan te geven hoe bijzonder het boek Badhuisweg is dat Hans Croiset op 7 april presenteerde. Meer als ‘thematische autobiografie’ dan als memoires vertelt Badhuisweg het verhaal van Hans Croiset als acteur en de moeizame relatie met zijn vader, de grote toneelspeler Max Croiset.

Het is een tragische geschiedenis van een door de oorlog versplinterd gezin, dat de jonge Hans in de jaren ’50 probeert te repareren. Wanhopig probeert hij bij zijn vader in de gunst te komen, maar die ziet niets in de toneelambities van zijn zoon, die volgens hem maar beter boekhouder kan worden. “Jij kunt zo goed rekenen, je bent altijd netjes op je spullen, en je treedt liever niet op de voorgrond. Wanneer je later nog eens die speeloprispingen zou krijgen, kunnen de voordrachtjes die je nu al ingestudeerd hebt op personeelsavonden uitkomst bieden.”

Vanuit een combinatie van talent, doorzettingsvermogen, ijdelheid en bewijsdrang ten opzichte van zijn vader maakt hij toch carrière als acteur, regisseur en –samen met Jan Joris Lamers- Nederlands Kampioen toneelgezelschap oprichten. Maar steeds blijft de grote onzekerheid over eigen kunnen, de grote wens van erkenning of tenminste liefde van de vader, die totaan zijn dood altijd afstand zal houden. Croiset beschrijft het soms pijnlijk, genant, sentimenteel, hopeloos egomaan en veel te openhartig, maar steeds ook weer moedig, hardvochtig, streng als kille observator van zijn eigen onvermogen.

De Nederlandse theatergeschiedenis is steeds het levende achterdoek waarvoor de hoofdpersoon en zijn moeizame familierelaties uitvecht. Maar juist door de onnadrukkelijkheid van de opeenvolging van voorstellingen, stromingen en gezelschappen wint het boek aan authenticiteit. Juist omdat het geen zelfvoldaan verhaal is van een gelauwerde toneelheld, blijkt tussen de regels door het belang van Croiset als bruggenbouwer tussen grote toneel van de jaren ’50 en de radicale vernieuwingen van na Actie Tomaat.

Bovendien weet Croiset zijn thematiek te verbinden aan de voorstellingen van King Lear, waarin hij als leerling, regisseur en acteur in diverse rollen steeds naar terugkeert. Sleutelvoorstellingen blijken die van het Publiekstheater waarin Croiset zijn eigen vader als Lear regisseert en de louterende ervaring als hij zelf de hoofdrol kan spelen bij Het Nationale Toneel. De beschrijvingen van de repetities en de voorstellingsreeksen van binnenuit zijn de leukste en spannendste delen van het boek.

Het schrijven van Badhuisweg moet een therapeutische ervaring voor Croiset zijn geweest –tijdens de presentatie vertelde hij hoeveel moeite het hem kostte om het boek van de derde naar de eerste persoon om te zetten- maar ontstijgt het persoonlijke door zijn eerlijkheid, zijn stilistisch vermogen en zijn onzekere maar standvastige liefde voor het vak. Dat heeft zijn vader er niet uitgekregen.

Recensie DVD Box ‘Ko van Dijk, een hommage’

boekrecensies,Theatermaker — simber op 23 februari 2008 om 17:33 uur
tags: , , , ,

Bij de 65e verjaardag van Joop van den Ende kreeg hij als verrassing een in het geheim samengestelde DVD-box met opnames van zijn grote held Ko van Dijk. Deze box met tien schijven is alweer een tijdje beschikbaar voor het theaterminnende publiek dat zich voor minder dan de prijs van een eersterangskaartje in een willekeurige schouwburg 35 uur lang kan laven aan de 44 jarige carrière van Nederland’s meest bewonderde acteur.

Het gaat om tien toneelregistraties (veelal televisiebewerkingen van voorstellingen voor de AVRO of de KRO), zeven oorspronkelijke televisiedrama’s, een miniserie (De Marseillaanse trilogie) enkele interviews en documentaires, en als sluitstok een nieuwe documentaire van Ireen van Ditshuyzen en Hans Pool.

Maar hoe blij we ook mogen zijn met de multimediale ontsluiting van de theatergeschiedenis, moeten we niet vergeten dat naast de technische, juridische en organisatorische barrières met het verleden de culturele drempels altijd nog het hoogst zijn. Anders gezegd: een groot deel van de films voldoet aan alle vooroordelen die moderne kijkers kunnen hebben over theater op televisie: ze zijn saai, statisch en sloom.

En tjongejonge, wat was dat oorspronkelijke televisiedrama uit de jaren zestig eigenlijk beroerd. Het weeïge pilotendrama De dertig seconden uit ’64 bijvoorbeeld: flirten met morele dilemma’s in de glamoureuze luchtvaartwereld, maar feilloos iedere confrontatie uit de weg gaan. Daar staat tegenover dat de erg geestige thriller De man, de vrouw en de moord, ook met Mary Dresselhuys zeer het aanzien waard is en dat Mooi weer vandaag zelfs nu nog weet te ontroeren.

Maar toch, overal zie je toch regelmatig het fonkelen van het acteursgenie van de grote man. Zoals in Oscar, een talige klucht uit 1960, waarin de arme Guus Oster de aangever moet spelen en zijn teksten in mitrailleurtempo uitbraakt, terwijl Van Dijk hem met één goed geplaatste beweging van zijn wenkbrauw overtroeft, als een luie kikker die een vliegje verschalkt.

Dan krijg je ook ineens een idee waar het talent zat bij Van Dijk: hij is bliksemsnel. Heen en weer schakelend tussen emoties, in en uit rollen stappend, vaak net even te lang wachtend en dan twee onverwachte stappen doen en dan nog een derde. Natuurlijk is er meer: Van Dijk weet als van nature sympathie en medelijden op te wekken, hij is geestig en heeft een volkse charme. Maar al die dingen blijken erg tijdgebonden. Als hij het over acteren heeft praat hij over inleven en waarachtigheid, maar dat is er nu niet meer aan af te zien. De huidige toeschouwer ziet vooral techniek en dat fenomenale tempo.

Als je dat ziet, begrijp je ook meer waarom hij zo snel verveeld was. In de documentaire vertellen collega’s daar een aantal kostelijke anecdotes over: na de première had Van Dijk het al snel gezien en ging hij grappen verzinnen om zijn werk van afwisseling te voorzien. Hij speelde bijvoorbeeld een hele voorstelling in de stijl van Albert van Dalsum, of deed alsof het regende en zocht beschutting onder een decor-boom.

Die documentaire is overigens uitstekend: Hans Croiset vertelt over de onzichtbare jongen met het vreselijk Amsterdamse accent na de oorlog en met een beslissende rol van Sjarov uitgroeide tot een toneelheld. Het wordt goed duidelijk dat Van Dijk geen intellectueel was, maar wél alles las over hoe andere acteurs de rollen deden die hij moest gaan spelen.

Daarnaast vertellen Ellen Vogel, Jeroen Krabbé en andere grootheden van het soort dat regisseren uitspreekt als “rezjiseren” over de liefde, het onderwijs en de streken van Ko, die volgens een van hen “het belazeren tot kunst heeft verheven”. En allemaal hebben ze het over zijn ogen, de doordringende blik, het vuur erachter, waarmee hij je als een dompteur bespeelde. Zo bepalend was die blik dat Anne-Wil Blankers toen ze hem opgebaard in de Stadsschouwburg zag liggen alleen maar kon denken: ik heb hem nog nooit met gesloten ogen gezien…

Als toetje staan er op een van de DVD’s ook nog twee volledige interviews, één uit 1966, waarin hij zwierig rokend zeer verguld zit te zijn met zijn rol van beste toneelspeler van Nederland en een ander bij hem thuis door een piepjonge Paul Haenen met een bijrol voor Van Dijk’s zoon Peter-Jan.

Boekrecensie: Blokboek/Blokschijf

boekrecensies,Theatermaker — simber op 23 februari 2008 om 17:28 uur
tags: , , , ,

Toen de Prosceniumprijs in 2006 werd uitgereikt aan Tom Blokdijk moeten er veel mensen zijn geweest, zeker onder de jongere aanwezigen, die dachten: ‘Leuk hoor, maar wie is dat eigenlijk?’ Want de rol van dramaturg en bewerker, waarvoor de jury hem vooral lauwerde, speelt zich niet af op de voorgrond. Tom Blokdijk is behalve dramaturg ook beschouwer, chroniqueur en polemist en juist om die kant van zijn werk te (her)ontdekken heeft het TIN een buitengewoon fijne uitgave gedaan: BlokboekBlokschijf.

Het is vooral prettig dat de redactie heeft bedacht dat het voor een overzichtswerk in deze moderne tijden niet meer nodig is een kleine selectie te maken uit het werk van een auteur, maar dat je alles kunt ontsluiten. Zo ontstond de combinatie van het Blokboek – een mooi, in constructivistisch rood/zwart/wit vormgegeven boek, met artikelen van anderen over Blokdijk – en de Blokschijf, een cd-rom met daarop 98 artikelen van Blokdijk zelf, plus nog wat biografische informatie. (Op Windows-computers heeft de schijf een paar handige zoek- en filterfuncties die gebruikers van andere systemen moeten ontberen, maar door de heldere indeling is de schijf ook voor hen goed bruikbaar.)

De artikelen van Blokdijk worden met weinig context gepresenteerd, maar dat geeft niet. De context is steeds het veranderende theaterklimaat tussen 1970 en 2007, met daarin de vrij constante stem van Blokdijk die het keer op keer opneemt voor ‘theater dat je dwingt op een bepaalde manier naar de werkelijkheid te kijken’. De meest in het oog springende verandering in deze artikelen is het terugkomen op de revolutionaire spelling waarin de ‘kritiese analieses’ uit de vroege jaren zeventig zijn opgesteld.

De artikelen in het boek over Blokdijk variëren van een mooi persoonlijk artikel van theaterwetenschapper Anna van der Plas over Blokdijks opvattingen over acteren, tot een heldere beschrijving van de werkwijze van Blokdijk als dramaturg door Luc van den Dries en een wel erg cultuurpessimistisch artikel van Marianne van Kerkhoven. Meest waardevol is een glashelder betoog van Ellen Walraven (toch een beetje de geestelijk dochter van) over het belang van het denken van Blokdijk in de afgelopen decennia over ‘een paradigmawisseling (..) van een wereldbeeldbevestigend klassiek repertoiretoneel voor het brede publiek naar een meer subversieve vorm van theater dat probeert het hedendaagse levensgevoel gestalte te geven en erop te reageren.’

Alle discussies waarmee Blokdijk zich bezighoudt (grote zaal versus vlakke vloer, spreiding, publieksbereik, grote toneelhuizen versus kleine groepen, et cetera) zijn hierop terug te voeren. Wat opvalt, is dat Blokdijk buitengewoon scherp kan analyseren waarom de redenering van zijn tegenstander niet klopt waarbij hij vervolgens de neiging heeft het tegenovergestelde te bewijzen. Zegt het ministerie in 1986 dat het toneelbezoek in de vroege jaren tachtig is gedaald door gebrek aan kwaliteit, gaat Blokdijk een boom opzetten dat het publiek juist is afgehaakt door de toegenomen kwaliteit. Maar omdat hij niet zozeer argumenten ontkracht als wel een redeneertrant onderuit haalt, worden zijn eigen redeneringen net zo ongeloofwaardig als de redeneringen die hij bestrijdt.

Misschien is dit een gevolg van het door het Marxisme gevormde dialectische denken van de jaren zestig en zeventig, maar misschien komt het ook gewoon omdat Blokdijk vrijwel altijd schrijft vanuit woede. Die woede geeft de stukken bij herlezing soms iets ontevredens, maar vooral spreekt er zijn passie uit voor dat subversieve theater waaraan hij later bij Hollandia zelf ging bijdragen.

Walraven vindt het af en toe deprimerend dat het denken van Blokdijk zo weinig weerslag heeft gevonden in het cultuurbeleid. Blijkbaar is de paradigmawisseling nog niet voltooid. Maar je zou het ook anders kunnen zien: het subversieve theater moest haar positie bevechten vanuit een dialectische opstelling. Nu het een positie heeft verworven zijn er nieuwe ideologieën nodig.

Hoewel Blokdijks rol in het grote debat misschien is uitgespeeld (al schreef hij speciaal voor de bundel samen met Arthur Sonnen nog een lezenswaardig artikel over manieren om de grote zaal terug te winnen voor het progressieve toneel), blijft een groot aantal van zijn uitgangspunten van belang, met als voornaamste: ‘Hoe de discussie en het cultuurbeleid zich ook ontwikkelt, we moeten ervoor vechten dat dit gebeurt vanuit de kunstenaar.’ En dat blijft belangrijk, in welke discussie dan ook.

Gelezen: ‘Luchtig en toch verlicht; Theater maken in de zomer’

In de zomer van 2006 deed het FAPK een pilot-project met de zomerfestivals. Het fonds vroeg de festivals om in gezamenlijk overleg een beperkt aantal projecten te kiezen waarvoor ze een beroep op het fonds wilden doen, zodat een klein aantal makers de kans kreeg om grootschaliger te werken en hun voorstellingen langs verschillende festivals te laten reizen. Eerdere jaren kreeg het FAPK zoveel aanvragen dat het leek of het fonds de festivals programmeerde door aanvragen af te wijzen of toe te kennen.

Deze pilot leverde een aantal geslaagde voorstellingen op, zoals Dreef van Boukje Schweigman en Theun Mosk, Broeders van Jetse Batelaan en Mobil van Deuten & De Goeij. Het Fonds stuurde ook nog drie journalisten, Anita Twaalfhoven, Bart Deuss en Jowi Schmitz, op pad om de festivals te verslaan en makers en directeuren te spreken. De weerslag van hun zomer levert een aardig inzicht op in de visies en problemen van de makers en de festivals, maar het geeft vooral een goede indruk van het enorm levendige circuit van de zomerfestivals.

Want bij alle crisis-taal in het theaterdebat wordt nogal eens vergeten dat de festivals op dit moment een bloeiend -en groeiend- onderdeel is van het veld, waar de meest interessante jonge makers hun beste voorstellingen maken en waar de tegenstelling tussen plat vermaak en hoge kunst niet zo’n grote rol speelt, omdat het eenvoudigweg als natuurlijke verscheidenheid wordt gezien.

In de interviews bezingen veel makers hun liefde voor locatietheater, met name vanwege “de enorme bereidheid van het publiek om contact met de voorstellingen te maken”, zoals Batelaan het formuleert. Veel makers geven vaak impliciet aan dat ze de schouwburgen en theaters vaak als belemmering zien: als iets dat tussen de makers en het publiek in staat. Dat lijkt me een zeer zorgelijke constatering die alle schouwburgdirecteuren ter harte zouden moeten nemen.

Overigens is het niet alleen jubel over de festivals wat de klok slaat: de verschillende festivaldirecteuren lijken weinig eensgezind in wat nu de juiste richting is voor dit circuit. Sommigen willen meer bundeling, zodat de festivals samen de kwaliteit kunnen verhogen, anderen willen juist meer nadruk op het eigen profiel. Ook over de werkplaatsfunctie van festivals zijn de meningen verdeeld. Directeur Ruud van Meijel van het Zeeland Nazomer Festival vind zelfs de hele nadruk op jonge makers nogal overtrokken: “Er komt onherroepelijk een moment dat er een minder produktie wordt gemaakt en dan wordt zo’n opgehemeld talent neergesabeld. En wat dan?”

Vaak klinkt in de woorden van de directeuren nog een underdog-denken door ten op zichte van het ‘reguliere’ theater. Maar juist zij moeten toch weten dat zij de makers niet een jaar lang aan het werk kunnen houden. De makers geven bijna allemaal aan graag werken in de schouwburgen willen combineren met werken op locatie. Daar ligt een enorme kans om het grote publiek dat de festivals weten te bereiken ook de rest van het jaar bij de podiumkunsten te betrekken. Daar is een structurele verbetering van financiële positie van de makers voor nodig, want het is natuurlijk een schande dat een onomstreden groot talent als Boukje Schweigman slechts zeven maanden per jaar betaald wordt.

Luchtig en toch verlicht; Theater maken in de zomer
Brochure van het FAPK, februari 2007

Boekrecensie: ‘Buigen’ van Don Duyns

boekrecensies,Theatermaker — simber op 25 april 2007 om 14:45 uur
tags:

Buigen“Don Duyns kan niet acteren en niet goochelen. Wel kan hij goeie teksten schrijven, zich aan een artistiek zelfonderzoek onderwerpen en pijnlijk eerlijk op het toneel zijn”, schreef een recensent op theaterwebsite Moose over Don Duyns’ voorstelling Mijn opa de artiest. En zo is het maar net. Duyns (Haarlem, 1967) is in de eerste plaats toneelschrijver en regisseur, maar levert met Buigen inmiddels zijn derde roman af, met als onderwerp het theater.

In tegenstelling tot vrijwel alle andere theaterromans schrijft Duyns niet over het Grote Toneel met zijn roepatleten en willige naaistertjes, maar over het circuit van kleine zalen dat hij zo goed kent. Het biedt een even grappig als treurigmakend inkijkje in de wereld van het tweederangs theater in Nederland, in een vlot geschreven boek, met voor theaterliefhebber veel grapjes verborgen in de bijzinnen.

Hoofdpersoon Sam Molenaar is regisseur van de kleine voorstelling Het Geluk en door zijn ogen volgen we het hele tot mislukken gedoemde repetitieproces tot aan de première. Molenaar’s reputatie is niet al te best, zijn enkele successen wegen niet op tegen zijn vele mislukkingen. De acteurs die hij voor deze voorstelling om zich heen heeft verzameld zijn een vreemd allegaartje. Richard, een grote toneelheld op zijn retour, de mooie actrice Masja met diva-neigingen, de zwarte acteur Denzil die liever in een televisieserie speelt, de vage boedhist Michael en een naïeve stagiaire van de toneelschool.

Buigen is geen sleutelroman, maar maakt wel vrolijk gebruik van theatrale archetypes. Vooral de cynische Richard die iedere rol ziet als een extra stap op weg naar zijn pensioen is sterk neergezet. “Leuk! Leuk! Er is niks leuks aan toneel meisje. Het is mijn vak godverdomme! Ik doe dit niet voor m’n lol.” Het tragische is natuurlijk dat ze het nergens anders voor doen: niet voor de eer of de roem, niet voor de goede recensies en zeker niet voor het geld. Het verlammende geldgebrek van de bitse productieleidster is een van de geestige subplots. Het beeld dat Duyns schetst van het moeizame geworstel in het margetheater, met de smerige repetitieruimtes, de drankzucht en de weglopende medewerkers, is zeer realistisch en onomfloerst.

Duyns kan natuurlijk putten uit zijn jarenlange ervaring in dit circuit. En een boek van een regisseur over een regisseur heeft natuurlijk autobiografische trekjes. Net als Sam Molenaar heeft Duyns een beroemde vader (televisieprogrammamaker Cherry Duyns) en een regiecarrière die nooit echt van de grond is gekomen. Het is alleen jammer dat schrijver Duyns met hetzelfde probleem te kampen heeft als zijn hoofpersoon Sam Molenaar: hij is wat schuw om de conflicten op te zoeken. De besluiteloosheid van Sam -“Geen goede eigenschap voor een regisseur”- wordt breed uitgemeten en leidt tot pijnlijke en genante situaties, maar nergens in het boek wordt Duyns echt meedogenloos.

Duyns bekijkt zijn personages vooral goedmoedig en met een milde blik. Het gemeenschappelijke thema in zowel zijn voorstellingen als zijn boeken is de angst voor en worsteling met middelmatigheid. Sam wil vóór alles ontsnappen aan een normaal burgermansbestaan, dat is belangrijker dan mooie kunst maken of zelfs zijn relatie of vriendschappen. Het is een gefnuikte ambitie. “Je bent slechts de beste regisseur van je eigen huiskamer en zij die zich daar aan je kunsten vergapen menen dat er sprake is van toverij.” Sam’s lijdensweg zou een herkenbare waarschuwing moeten zijn voor de Idols-generatie en misschien zou de boodschap wel zwakker zijn als het briljanter was opgeschreven. Want goochelen kan Duyns niet, maar eerlijk zijn des te beter.

Don Duyns: Buigen
Uitgeverij Contact
€ 15,-

Volgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2019 Simber | powered by WordPress with Barecity