Verslag workshop Vivi Tellas

verslagjes — simber op 31 oktober 2013 om 15:49 uur
tags: , , ,

[voor de krant van DasArts]

Een vrouw schept aarde in een envelop. De aarde is gitzwart, de envelop maagdelijk wit. Ze schept met haar handen, de hoeveelheid aarde die in een envelop past blijkt opmerkelijk groot. Aan het eind stopt ze een doorgesneden roseval aardappel in de envelop en plakt hem dicht. “Iran” schrijft ze met dikke stift op de adreszijde, “Nederland” wordt de afzender. Als ze klaar is met de geconcentreerde handelingen wordt je samen met de vrouw verrast door het lawaai van de standwerkers, de drukke mensenmassa die zich van kraam naar kraam beweegt en de overal uitgestalde waren. Je was het misschien even vergeten, maar je stond midden op de Dappermarkt in Amsterdam.

‘Urban readymades’ noemt de Argentijnse theatermaakster Vivi Tellas dit soort theatervormen. In het kader van het herfstprogramma over interventies nodigden mentoren Ant Hampton en Edit Kaldor haar uit voor een workshop over ‘Found Theatre and the Urban Readymade’. Tellas stuurde de acht Dasarts-studenten en hun mentoren naar de Dappermarkt met de opdracht: bekijk de markt alsof het theater is, en maak een korte performance met mensen die je er tegen komt. Het lijkt op het procedé dat de Nederlandse theatermaker Adelheid Roosen ontwikkelde voor haar ‘wijksafari’s’, maar dan in de snelkookpan.

En zo schuifelt op een van de laatste mooie nazomerdagen een groepje van kraam naar kraam. Iedereen heeft een eigen kraam ‘geadopteerd’ en met de verkoper een korte voorstelling gemaakt, acht in totaal, die in een krappe twee uur voorbij trekken. Bij de worst en friet van Jan en Ans zingt Margo een lied, de studentes Ana en Agusta vergelijken hun liefdesleven met dat van bakkersmeisje Marjan en de Turkse snoepverkoper vertelt zijn levensverhaal aan de hand van de vier kleuren van zijn suikergoed. Bij de aardappelkraam de simpele handeling met de enveloppen en de aarde.

Maar niet alle studenten gebruiken de kramen als klein theatertje. Terwijl Bojan mee helpt om de groentekraam af te breken, gaat een van de verkoopsters in zijn plaats de markt op om klanten de vraag te stellen hoe een wereld zonder geld eruit zou zien. Orion heeft een grote witte pijl op zijn hoofd gebonden en deelt briefjes uit met uitleg over watercyclus en zelforganiserende systemen. En Ant en Edit werpen zich op als galeriehouders voor een van de bijzondere figuren die zich op de markt ophoudt: Iema Acrata, een grote, zwarte man die als act stokjes op zijn brede neus balanceert.

Niet alle acts zijn helemaal geslaagd. Leila liep een dag mee op de kraam van de stroopwafelverkoper, die haar een verhaal wilde vertellen over de oorsprong van haar naam. Maar op de dag zelf wilde hij de (Franstalige) tekst niet voorlezen; het contact blijkt fragieler dan gedacht. Sommige makers, zoals Margot, staan in hun optreden zelf centraal, anderen, zoals Mladen die contact zocht met de Turkse snoepverkoper, stellen zich meer op als regisseur op de achtergrond.

’s Avonds in Dasarts hebben de studenten hun eigen ‘markt’ gecreëerd. Ieder zit achter een eigen tafel, met producten die ze hebben meegenomen uit hun adoptiekraam. De bezoekers mogen rondlopen en in gesprek gaan. De studenten vertellen over hun belevenissen, hun keuzes en over de problemen die ze tegenkwamen. Achterin is een aparte ruimte waar de videoregistratie van de hele serie performances te zien is.

Bijzonder om te zien is de opmerkelijke connectie tussen Bojan en zijn wisselspeelster van de groentekraam. Terwijl hij met fruit van de kraam een overvloedige fruitsalade maakt, vertelt hij ’s avonds over het gemak waarmee zij in zijn denken mee ging en zijn opdracht uitvoerde. Op de video zie je haar heftig discussiërend over de markt lopen.

Minstens zo interessant is de interventie van Ant en Edit en hun evenwichtskunstenaar Iema Acrata. Hun besluit om deze stadse vreemde vogel te beschouwen als performancekunstenaar en zijn werkveld te verbreden –op de markt verkoopt hij ansichtkaarten van zichzelf; in Dasarts hebben Ant en Edit de foto’s opgeblazen tot A4 formaat– is een ongemakkelijke toeëigening die hem tegelijk bedwingt en uitvergroot. En die in merkwaardige tegenspraak is met Acrata’s motto: ‘be independent’.

Orion tenslotte laat je als bezoeker achter met de meeste vragen. Het begint al met de onmogelijke vragen die hij oppert bij de opdracht zelf: ik moet de markt bekijken alsof het theater is, maar hoe ziet theater er eigenlijk uit? ’s Avonds heeft hij geen kraam, maar een paar krukjes, waarop naar voren leunende, steeds ernstiger kijkende bezoekers zijn redeneringen aanhoren. Hij bekijkt de markt als systeem, een samenkomst van goederen uit de hele wereld en een processie van mensen die allemaal hun eigen weg volgen.

Door zijn uitleg van de watercyclus en van de theorie van ‘autopoiesis’ (over zelfreproducerende en zelf-organiserende systemen) ga je de markt weer op een andere manier bekijken.

Dat theater een mooie manier kan zijn om inkijkjes te krijgen in de stad en de verhalen te vertellen van haar bewoners en gebruikers is niet nieuw. Wat intrigeert aan deze serie performances is de diversiteit aan attitudes van kunstenaars ten opzichten van deze ‘urban readymades’. Stel je je op als dienstbare ambachtsman of –vrouw die de verhalen optekent? Ga je op persoonlijk niveau de verbinding aan? Gebruik je je macht als lid van de culturele elite? Of plaats je jezelf als beschouwer buiten de wereld? Op microniveau wordt hier de belangrijkste vraag gesteld voor de kunst op dit moment: hoe verhoud je je tot de wereld?

Interview Gavin Kroeber and Ant Hampton

english,interviews — simber op 31 oktober 2013 om 10:13 uur
tags: , , ,

[Voor de krant van DasArts]

In architecture it is an honorable tradition: the design of imaginary or even unrealizable buildings. How would this translate to the performing arts? Block mentors Ant Hampton and Edit Kaldor invited New York based artist an cultural entrepeneur Gavin Kroeber for a workshop on ‘imaginary interventions’. “Can you write a description of a site specific show that is so fantastic that you don’t have to do it?”

The day after watching eight Dasarts students give a public showing of their work Ant Hampton and Gavin Kroeber look back on their work and express their ideas on interventions and alternatives for the ‘show’. “The presentation was the result of two days work with Gavin, starting from a one page prompt he wrote for us”, explains Hampton. “We wanted to create a sort of ‘charrette’, a term from the design field meaning an intense, responsive working environment designed to open things up to a lot of new ideas. Beside small, quick projects, on the market or other sites in the city we wanted the students to work with slightly less restrictions of time and resources.” The results were eight proposals for speculative performances and interventions.

Imaginary performances of course have a strong utopian dimension. “I like this Steve Lambert quote: ‘Utopia is not a destination but a direction’”, says Kroeber. “We try and stimulate the students to use the utopian aspects of this exercise as a critique, not as a model. During the working sessions it turned out we had to calm the utopian impulse. Students would think up worlds in which the performance would take place that would render the proposal moot. Yet the starting point should be that the proposed performance reveals something about thís world.”

Continue reading “Interview Gavin Kroeber and Ant Hampton” »

Mickery

overig,Parool — simber op 8 juni 2011 om 13:52 uur
tags: , , ,

Het kan nog steeds gebeuren dat als je in een ver oord met theatermensen komt te spreken die horen dat je uit Amsterdam komt, ze als eerste vragen: “So how’s the Mickery?” Mickery was een legendarisch theater, in 1965 opgericht door Ritsaert ten Cate in een schuur van zijn boerderij in Loenersloot. Tijdens zijn buitenlandse reizen was hij in contact gekomen met een circuit van avant-garde theatergroepen en performance kunstenaars, en hij gaf ze in Nederland een plek om te werken en op te treden. Het was in de jaren zeventig de een van de belangrijkste plekken voor vernieuwend theater, misschien wel ter wereld.

De komende dagen is zijn er twee gelegenheden in de stad die Mickery en en Ten Cate weer onder de aandacht willen brengen. Eerst wordt op donderdag in de Brakke Grond een website over Ten Cate in werking gezet (in de serie Eenlevenlangtheater.nl), daarna wordt op vrijdag in het Ketelhuis het boek Mickery Theater; an imperfect archeology gespresenteerd.

Ritsaert ten Cate, van vaders kant erfgenaam van de textielfabriek en van moederskant kleinzoon van de grote toneelspeler Eduard Verkade, werkte eerst als televisieproducent voordat hij in Loenersloot zijn kunstencentrum opzette, waar in een van de eerste jaren Nina Simone nog heeft opgetreden. Maar de grote faam en invloed kwam pas toen hij Amerikaanse en Engelse experimentele theatergroepen uitnodigde, zoals La Mama, Pip Simmons en The Performance Group, die zich later zou omdopen tot Wooster Group. Een Engelse criticus noemde Mickery “het belangrijkste theater van Engeland.”

Voor de kunstenaars die er werkten was het een kruising tussen een atelier en een jeugdherberg en voor de vaste bezoekers was het een soort sociëteit, vertelt schrijver en dramaturg Ruud Engelander, een goede vriend van Ten Cate. “Er was een vaste club die naar alle premières ging, ook om elkaar te ontmoeten, maar vooral omdat er iedere keer iets nieuws en interessants te zien was. Vergeet niet dat rond 1965 je in Nederland als liefhebber van theater álles wat er gemaakt werd kon zien, inclusief dans en opera. En het was allemaal vrij eenvormig. Ritsaert en Mickery lieten dat het ook anders kon, andere stijlen en vormen, maar ook andere manieren van produceren.”

In 1972 verhuisde Mickery naar Amsterdam, naar wat nu het Rozentheater is. Ten Cate was toen al meer en meer impresario en producent geworden die de groepen die hij interessant vond door Europa liet touren, ook bijvoorbeeld op het Holland Festival. Het ‘Mickery-circuit’ werd een staande term. De warme contacten tussen het Holland Festival en de Wooster Group stammen uit die tijd en het is geen toeval dat de New Yorkse groep juist deze week in het festival te zien is met Vieux Carré. Bovendien beïnvloedden de voorstellingen van Mickery talloze theatermakers in Nederland, met name Gerardjan Rijnders, Rob Klinkenberg, Jan Lauwers en Jan Fabre.

Toch lijkt Mickery in Nederland alweer grotendeels vergeten. De organisatie nam in 1991 afscheid met het Touch Time Festival in Amsterdam, en Ten Cate, die van 1992 tot 2005 de tweede-fase theateropleiding DasArts oprichtte en leidde, overleed in 2008.

Of het boek Mickery Theater; an imperfect archeology verandering gaat brengen in die onrechtvaardige vergetelheid is nog maar de vraag. Het Engelstalige boek is geschreven door Mike Pearson, die in de vroege jaren ’70 in Mickery speelde met het experimentele RAT Theater en nu hoogleraar Performance Studies is aan de universiteit van Wales. Zijn oorspronkelijke studie was echter archeologie en het boek, de eerste monografie over Mickery, is opgebouwd rondom een reeks ‘fragmenten’: interviews met betrokkenen, artikelen en recensies en foto’s en archiefmateriaal van het Theater Instituut Nederland.

Het pas waarschijnlijk goed bij de opvattingen over kunst die Mickery wilde uitdragen, maar voor de buitenstaander die wil bevatten wat het belang was van Mickery voor het theater in Nederland en Europa is het nogal ondoordringbaar. Dan is de website Eenlevenlangtheater.nl een stuk toegankelijker, al zou Ten Cate gegruwd hebben van de nostalgische invalshoek, met koffers, rozen en spiegels met lampjes.

In zekere zin is wat Ten Cate beoogde met Mickery bereikt: er is nu een veel diverser theaterlandschap, met veel ruimte voor experiment en internationale uitwisseling. Maar het is juist die diversiteit die met de door de regering aangekondigde bezuinigingen op cultuur onder druk staat. Engelander: “Met wat de Raad voor Cultuur nu voorstelt – theater concentreren in acht grote voorzieningen verspreid over het land – zijn we weer terug bij de periode net na de oorlog. En dat zorgde toen voor een stuwmeer van jonge mensen die ook aan de bak wilden en hun eigen weg gingen zoeken.” Kortom: als de geschiedenis zich herhaalt, komt Mickery onvermijdelijk weer voorbij.

Debat: What Mickery do we need now? en presentatie website: 9/6 , 16 uur in De Brakke Grond
Boekpresentatie Mickery Theater; An Imperfect Archaeology: 10/6, 14:30 in Het Ketelhuis

Interview DasArts

Dasarts, de master-opleiding voor theater, staat niet bekend om haar uitgesproken openbaarheid. De deelnemers komen vanuit alle delen van de wereld binnen, wijden zich twee jaar lang aan laboratoriumwerk en artistiek zelfonderzoek, en vliegen weer uit. Onder de afgestudeerden bevinden zich theatermakers als Kees Roorda, Edit Kaldor, Petra Ardai, Sjoerd Wagenaar of Kassys. Een gemeenschappelijk profiel lijkt bij de alumni niet te ontdekken. Sinds 2009 is DasArts als opleiding Master of Theatre onderdeel geworden van De Theaterschool en met het aantreden van directeur Barbara van Lindt lijkt het instituut zich te openen. ‘Het object dat we hier bestuderen is nog onbekend voor iedereen.’

Een zaterdagavond in oktober in het Veemtheater. Ergens in het pand staat een grote bak met aarde met toeschouwers eromheen. Een vrouw barst in snikken uit. Een ander begint te roken. De ene vrouw stapt in de bak en begint de aarde te eten. De ander vult haar designertas  en haar zakken ermee. Op een andere plek in het Veem hangen zwarte doeken tot iets boven de vloer. Helle lichtflitsen erachter geven een spookachtig effect. Later rennen op dezelfde plek eindeloos twee mimers sur place. Als ze liggen uit te rusten worden ze van bovenaf gefilmd. De projecties van de twee lopen door elkaar naarmate het licht veranderd. Nog weer ergens anders moet een toeschouwer in een één-op-één performance vertellen over zijn of haar dromen. Het publiek krijgt plastic klaphandjes, en na afloop van iedere presentatie wordt het volume van de bijval gemeten met een apparaat met talloze gekleurde lampjes.

De korte performances waren onderdeel van een avond DasArts The Festival, dat onderdeel is van het blok ‘The Conditions of Succes’. De ‘blokken’ zijn kenmerkend voor DasArts. In de lente werken de studenten aan hun individuele traject, maar ieder herfstsemester stellen mentoren een blok samen met lezingen, workshops en activiteiten rondom een thema. Dit semester kozen de gasten Igor Dobricic en Siegmar Zacharias, beiden oud-studenten, voor het thema ‘Succes’. De studenten die meedoen aan dit blok komen uit Zuid Afrika, Griekenland, Spanje, Duitsland, Slovenië en Nederland.

Continue reading “Interview DasArts” »

Interview Kees Roorda

interviews,Theatermaker — simber op 28 augustus 2006 om 18:42 uur
tags: , ,

Naam: Kees Roorda
Geboortedatum: 8 januari 1967
Opleiding: DasArts
Wanneer afgestudeerd: 2000
Eerstvolgende project: tijdens Cement in Maastricht, première 16 maart

Kees Roorda: “Ik probeer te doorgronden waarom mensen het leven zo moeilijk vinden.”

Zonder opleiding begon hij met theatermaken. Na zijn studie aan DasArts hebben de voorstellingen van Kees Roorda meer en meer weg van installaties en performances dan van toneel.

Op Oerol maakte hij twee jaren achtereen voorstellingen gebaseerd op de verhalen van Terschellingers, waarmee hij groot succes oogstte bij het Oerol-publiek. De laatste voorstelling in die serie, , werd hernomen in Den Bosch en in maart nogmaals in Maastricht, daar met verhalen van werknemers van de ENCI fabriek. Samen met theatermaker Inés Sauer en beeldend kunstenaar Catherine Henegan vormt hij het collectief The Glasshouse.

“Ik ben altijd op zoek ben naar verschillende vertelperspectieven en naar een vorm die uit de inhoud voortkomt. Dat betekent dat bij mij elke voorstelling -om maar een cliché te gebruiken- totaal anders is. De mensen die met mij werken krijgen heel veel zelfstandigheid om dingen zelf uit te zoeken. Ik wil niet werken met vaste rollen, dus de decorontwerper kan ineens mee doet als speler of andersom. Acteur Jos van Hulst doet nu bijvoorbeeld productie bij in Maastricht. Stefano Odoardi, die de video en het geluid deed bij de voorstelling in Den Bosch, werkte aan een project met stenen uit een Italiaanse steengroeve. Op een dag stelde hij voor de stenen naar Den Bosch te halen.. Een waanzinnig idee, het zijn 21 stenen van een paar kiloton. Na een bezoek aan de groeve dacht ik, laat maar komen die stenen.. Het past bij de ontwikkeling van de voorstelling en dat die stenen uiteindelijk terugkeren in Maastricht bij de ENCI-fabriek.

Hoe kom je aan die groep mensen met wie je dat doet?

“Bij mij gaat dat altijd heel intuïtief. Elena Baelaerts, vormgeefster van , ben ik tegengekomen via een vriend. Zij had mijn voorstelling Finster Stimmen gezien en wilde iets meer met performance gaan doen. Zij belde mij of ik die avond langs kon komen. Ik ben op de fiets gesprongen en ben nog dezelfde dag in haar atelier gaan kijken. Haar werk sprak me bijzonder aan, ik wist toen nog niet op wat voor manier die samenwerking zou moeten gaan, maar dan nodig je iemand uit om samen te gaan werken. Voordat we gaan werken maken we duidelijke functieafspraken. En al die mensen moeten vooral niet proberen bij elkaar te komen, maar elkaar proberen te bevechten. Dan ontstaan de werkelijk spannende dingen.”

Hoe ben je in het theater terecht gekomen?

“Ik heb eerst Nederlands en Kunstbeleid gestudeerd in Groningen. Toen werd ik ontzettend verliefd en ben ik naar Amsterdam gekomen. Ik wist dat ik iets met theater wilde en ik ben gewoon maar begonnen. In het Polanentheater heb ik mijn eerste voorstelling gemaakt. Iemand ziet dat en die vindt het leuk en die nodigt je dan uit en een ander vindt het kut en die nodigt je dan niet uit. Daarna ben ik naar DasArts gegaan. Je wordt daar in een snelkookpan gestopt en daar kom je totaal anders weer uit. Ritsaert ten Cate was directeur en we hebben daar meest idiote dingen gedaan. Maar we waren altijd op zoek naar de context, je probeert iets te zeggen in en over de omgeving. Het was een bevestiging dat het toegestaan was om een andere richting van theater in te gaan. Meer in de richting van de beeldende kunst en performance. Dat was voor mij een enorme geruststelling.”

Hoe vind je jouw plek in het theaterveld?

“Ik probeer me er zo min mogelijk van aan te trekken of er wel of geen plek is. Ik denk dat je die plek altijd zelf kunt creëren. Programmeurs deinzen snel terug voor al te experimenteel theater. Maar ze zijn er wel, de mensen die dat omarmen en durven. Productiehuis Brabant geeft mij wel die ruimte. Mensen denken vaak dat het moeilijk is om publiek te krijgen voor experimenten, maar daar heb ik geen last van. Mensen die naar dit soort voorstellingen gaan weten hun weg toch wel te vinden. En omdat ik nu zo dicht op de bevolking werk, lok ik daarmee een hele groep naar het theater. Ik kan hen op een hele directe manier benaderen. Dat gaat via het dorpscafé waar ik ze ontmoet, en ik hoop dat dat via de ENCI weer zo werkt. Ik neem aan dat Maastricht geïnteresseerd is in de geschiedenis van de ENCI en wat daarmee staat te gebeuren. Van fondsen en programmeurs moet je je nooit zoveel van aantrekken, die lopen altijd achter de feiten aan, net zoals de politiek.”

En waarmee ben je dan geëngageerd?

“Ik denk dat ik geëngageerd ben met kleine verhalen, ongelukkige momenten, the struggle for life. Ik probeer te doorgronden waarom mensen het leven zo moeilijk vinden, omdat ik het zelf ook vrij moeilijk vind. Maar ook buitengewoon opwindend. Als ik zit te praten met een dominee die tegen mij begint te vertellen dat hij eigenlijk vindt dat hij te weinig bidt., dan vind ik dat boeiend. Want hoe komt dat dan dat hij het gevoel heeft dat hij te weinig bidt. Of als ik een makelaar interview over alle huizen die hij heeft gebouwd en dan komt daar ineens het verhaal heeft dat hij vindt dat ieder huis een ziel heeft en dat zijn huizen uniek zijn. Dat ontroert me. Het ontroert me ook dat ik samen met hem die avond dronken wordt, dat we bijna weggedragen moeten worden en dat hij moet huilen omdat z’n dochter is getrouwd. Dus dat soort engagement.”

Wat was de mooiste publieksreactie die je ooit kreeg?

“Bij mijn voorstelling Finster Stimmen op Oerol was het iedere keer gewoon dweilpauze. De mensen kwamen daar totaal verslagen uit. Ze hadden dat nooit verwacht op Terschelling, want dat is toch vaak wel vermaak. Die kwamen in Finster Stimmen in een soort carrousel, ze werden heel persoonlijk aangesproken. Ze vergaten de tijd en werden totaal in het verhaal gezogen en ze stonden na afloop te grienen bij het prikkeldraad. Ja, dat is goed, dat dat gebeurd.”

Heb je voorbeelden?

Ik heb erg veel respect voor Gerardjan Rijnders. Titus, geen Shakespeare staat nog steeds op mijn netvlies gebrand. Ik heb later stage gelopen bij Richard III en het klikte. Van hem heb ik geleerd hoe je dronken moet worden. Rijnders is als regisseur zo scherp: hij kan met zo weinig woorden duidelijk maken wat eraan schort. En niet alleen wat eraan schort, maar ook hoe je dat kunt oplossen. Dat is zeldzaam. Raimund Hoghe en Meg Stuart zijn andere helden.

Hoe zie je je eigen verantwoordelijkheid?

“Het is mijn verantwoordelijkheid om inzicht te geven in menselijk functioneren. Ik ben net drie weken in Zuid Afrika geweest om te werken aan The Bang-Bang Club, een nieuwe voorstelling van The Glasshouse. Het gaat over Kevin Carter, een fotograaf die de Pulitzer Prize heeft gewonnen voor een reportage van een kindje dat sterft van de honger in Soedan. Een paar maanden na het winnen van die prijs heeft hij zelfmoord gepleegd. Dat is explosief materiaal, maar ik probeer dat terug te brengen tot de menselijke maat en de persoonlijke dilemma’s. Een fotograaf die we daar interviewden zei: wat maakt zo’n foto nou voor verschil, of hij er nou wel of niet geweest was, dat maakt geen fuck uit. Er is weer honger in Afrika, enzovoort. Maar ik geloof dat het wél uitmaakt, in ieder geval omdat ik -omdat hij dat deed- er nu een tekst over schrijf en er iets over kan zeggen.”

Floortje Bakkeren
Simon van den Berg

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2015 Simber | powered by WordPress with Barecity