Modern Repertoire op het Theaterfestival

beschouwingen,Parool — simber op 29 augustus 2012 om 17:03 uur
tags: , , , ,

Morgen opent het Nederlands Theaterfestival met de voorstelling Dood van een Handelsreiziger van het Ro Theater. Een jury onder leiding van schrijver en (oud-)acteur Arthur Japin selecteerde de tien beste voorstellingen van het afgelopen seizoen. Naast de moderne klassieker van Arthur Miller is tijdens het festival opvallend veel twintigste-eeuws toneelrepertoire te zien.

Vooral Miller lijkt de laatste jaren herontdekt. Dood van een Handelsreiziger uit 1949, een meedogenloze afrekening met de American dream, is natuurlijk zijn meest bekende stuk, maar twee jaar geleden stond bijvoorbeeld Erik Whiens heldere regie van Van de brug af gezien op het festival en vorig seizoen maakte Toneelgroep Amsterdam indruk met de voorstelling Na de zondeval – losjes gebaseerd op Millers relatie met Marilyn Monroe.

Maar Miller is niet de enige moderne toneelschrijver die op het festival wordt gespeeld. Ook Thomas Bernhard komt langs (Am Ziel), net als Harold Pinter (Bedrog) en Hugo Claus (Onvoltooid verleden, uit de Vlaamse selectie). Normaal zou het misschien niet zo opvallen, al die moderne schrijvers, maar dit jaar springt het in het oog omdat er geen oudere stukken tussen staan. Alleen Tsjechov is vertenwoordigd, met Gerardjan Rijnders’ regie van, maar de immer populairste toneelschrijver in Nederland, Shakespeare, is geheel afwezig. Ook klassieke tragedies, waarvan er pakweg vijftien jaar geleden nog zeker tien per jaar te zien waren, lijken vrijwel geheel van het repertoire verdwenen te zijn.

Zegt deze focus op twintigste-eeuws repertoire iets over het huidige toneellandschap? Het ligt eraan waarnaar je op zoek bent. Miller blijkt bij uitstek geschikt om in tijden van crisis onze burgerlijke verlangens en angsten te onderzoeken; Am ziel, net als de meeste andere stukken van Thomas Bernhard een cynische afrekening met het hypocriete Oostenrijkse intelectuelenmilieu, is koren op de molen van kunstenaars die hun positie in de samenleving onder de loep willen nemen; en Bedrog van Pinter, een in omgekeerde volgorde verteld liefdesverhaal over een driehoeksverhouding, blijkt bij iedere opvoering een buitengewoon rake observatie over liefdesrelaties in tijden van individualisme.

Misschien zijn deze opvoeringen ook wel meer een onderzoek naar het toneelrepertoire zelf. We noemen deze stukken dan wel ‘modern’, maar hedendaags zijn ze niet meer. Alle genoemde auteurs zijn dood. Maar aan hedendaagse stukken lijkt juist een enorm gebrek: de huidige generatie toneelschrijvers, zoals Jon Fosse, Elfriede Jelinek of Marius von Mayenburg, schrijft geen affe stukken meer, maar teksten die niet het uitgangspunt zijn van een toneelvoorstelling, maar slechts één van de bouwstenen. In die zin zijn regisseurs die twintigste-eeuws werk ensceneren misschien wel op zoek naar ‘het laatste toneelstuk’.

Maar dat geldt natuurlijk niet voor alle theatermakers. Nederland is eigenlijk geen land van het ijzeren toneelrepertoire, hier worden vooral veel nieuwe teksten gespeeld. Maar ook die oogst valt dit jaar tegen. Een jongere generatie makers gaat juist heel beeldend en intuïtief te werk. De Warme Winkel samplet zich een slag in de rondte in Alma, haar collage-voorstelling over de Oostenrijkse society-dame Alma Mahler; mimegroep Boogaerdt/VanderSchoot heeft in Bimbo geen woord nodig om de hedendaagse sexuele beeldcultuur genadeloos te becommentariëren en Benjamin Verdonck creëert in zijn voorstelling Disisit met een eigen knutseltaal en -beeld een eigen fantasievolle wereld.

Zo bezien zijn die twintigste-eeuwse stukken nu ‘gewoon’ repertoire geworden en staan Pinter, Bernhard en Miller eenvoudigweg naast Shakespeare, Schiller en Racine te wachten om door hedendaagse regisseurs en toneelspelers wakker gekust te worden.

Het Nederlands Theaterfestival duurt van 30 augustus t/m 9 september. Meer info op www.tf.nl

De Vere: Repertoiretoneel in praktijk

Een vrijdag in december. Het westen van Nederland is krakend en bibberend tot stilstand gekomen. Bevriezingen, gladheid en sneeuw leiden tot een verkeersinfarct en in Groningen dicussieert een groep toneelspelers verhit over de komende avond. Ze zitten bij elkaar in de huiskamer van een eenvoudig, maar artistiek ingericht hostel. Twee van hen, Jorn Heijdenrijk van Discordia en Czeslaw de Wijs van ’t Barre Land, hebben gekookt, pasta met uitgebreide salades.

Onderwerp van discussie is: afgelasten of niet. Eén van de spelers van de voorstelling van vanavond is er nog niet. Sara de Bosschere moet uit Antwerpen komen, maar zit in een taxi vast tussen Rotterdam en Utrecht, inmiddels al zo’n drie uur. Lege batterijen bemoeilijken het telefoonverkeer. Als ze in Utrecht een trein kan nemen, is ze dan nog op tijd om te spelen? Wagen ze het daarop? Moeten ze misschien een uur later op? Kun je wel direct vanuit de trein zo het toneel op? Of kunnen ze misschien een andere voorstelling uit de kast trekken? Of moeten ze annuleren en de toeschouwers die gereserveerd hebben gaan bellen?

Begin jaren ’90 begon Discordia, samen met de Vlaamse groepen Stan en Dito’Dito, met De Vere: lange avonden waarin toneelspelers van verschillende gezelschappen korte stukjes speelden uit hun eigen repertoire. In steeds hetzelfde decor, een V van houten schotten, open van voren en heel smal van achter, met smalle openingen als coulissen, waardoor ook gemakkelijk gesouffleerd kon worden. In de loop van de tijd werd het aantal deelnemende groepen en acteurs uitgebreid en kwam het steeds vaker voor dat een speler ad hoc een rol overnam.

Met ingang van 2011 wordt het idee van De Vere nieuw leven ingeblazen, en uitgebreid. Dit seizoen spelen Discordia en ’t Barre Land met gasten iedere maand een paar maal een oude voorstelling opnieuw. Meestal alleen in Frascati 3 in Amsterdam, maar de eerste voorstelling kent een paar extra opvoeringen in het Grand Theatre in Groningen en in Kikker in Utrecht. Het is De Kersentuin, door Discordia gemaakt in 1997 en voor het laatst gespeeld in 2002. Inmiddels zijn in deze voorstellingen verschillende rollen overgenomen: Maarten Boeghorn en Ditha van der Linden verlieten Discordia en hun rollen werden overgenomen door Barre Landers Margijn Bosch en Vincent van den Berg. In deze 2010-versie spelen Ingejan Ligthart Schenk en Martijn Nieuwerf voor het eerst mee.

Continue reading “De Vere: Repertoiretoneel in praktijk” »

Interview Erik Whien

Parool,recensies — simber op 23 maart 2010 om 11:49 uur
tags: , , ,

Sinds een jaar is Erik Whien (Gendt 1978) een van de vaste regisseurs van Toneelgroep Oostpool in Arnhem. Eerder dit jaar maakte hij een lovend ontvangen Wachten op Godot, nu regisseert hij Van de brug af gezien van Arthur Miller in de grote zaal. Die tragische liefdesgeschiedenis in een Italiaans migrantenmilieu wordt bij Whien geen integratiedrama. “Ik sta niet zo politiek in het leven.”

Het is nogal een verschil; de strenge modernist Beckett en het Broadway melodrama van Miller. “Toen we anderhalf jaar geleden het programma van dit seizoen samenstelden had ik  niet door dat het twee stukken uit dezelfde periode waren”, vertelt Whien in een Amsterdams café.  “Nu vind ik het juist leuk dat het zover uit elkaar ligt en dat ik me na Beckett kan bezighouden met een stuk met een dwingende plot. Voor veel makers van mijn generatie voelt een verhaal in een toneelstuk als een blok aan hun been. Maar ik merk nu opnieuw wat een ontlading het voor de toeschouwers is als je jezelf verbindt met een of twee personages, ook al voel je al aan dat het slecht met ze gaat aflopen.”

“In Miller las ik mijn eigen thematiek: de eeuwige strijd tussen hoofd en hart. Ik ben me ervan bewust dat het ook een immigrantendrama is, maar ik heb dat niet bewust naar boven gehaald. Ik sta niet zo politiek in het leven. En het publiek haalt het er zelf wel uit. De acteurs spreken in een verzonnen accent – een combinatie van plat Limburgs, Haags en nog meer- om ze aan de onderkant van de samenleving te plaatsen. En mensen beginnen automatisch over Wilders. Maar zelf ben ik veel meer geïnteresseerd in het personage van de advocaat, die uit dezelfde klasse komt, maar die zich omhoog gewerkt heeft. Maar daardoor is hij totaal onthecht en staat hij ver af van zijn gevoel.”

Oostpool wordt nu een jaar geleid door twee relatief jonge regisseurs –naast Whien ook Marcus Azzini- met Rob Klinkenberg als niet regisserende artistiek leider. Het Arnhemse gezelschap valt op door veel activiteiten, een hoog tempo van produceren en een in het oog springende groep acteurs. “We proberen bewust om Oostpool als merknaam in te zetten”, zegt Whien, “en dan vooral de acteurs. Zij zijn de kern van het gezelschap en de brug naar het publiek. De regisseurs staan iets meer op de achtergrond, wij hebben toch nog niet een naam die veel mensen naar de schouwburgzalen trekt.”

“We maken heel divers werk: klassieke stukken, boekbewerkingen, nieuw Nederlands werk. Ik denk dat het voor het publiek werkt, omdat het leuk is om onze acteurs steeds weer in nieuwe constellaties in een nieuwe rol te zien. Sanne den Hartogh is een acteur die nu te zien is in Er moet licht zijn, een nieuw Nederlands toneelstuk, en volgend jaar speelt hij Hamlet.”

Het is duidelijk dat het Whien bevalt om bij een groot gezelschap te werken: “Ik gedij het beste in een huis, als er een vertrouwensbasis is met de mensen om mee te werken, de acteurs, maar ook publiciteit en techniek. Ik denk ineens in seizoenen, over het tegenover elkaar zetten van verschillende voorstellingen. Dat is heel inspirerend. Mijn werk is altijd heel divers geweest, puur uit nieuwsgierigheid en jonge hondigheid. Nu pas durf ik na te denken over wat míjn speelstijl en míjn oeuvre is. Daarbij is zo’n apparaat een enorme luxe. Maar ik ben niet iemand die na een Beckett het liefst nóg een Beckett wil doen.”

Dienstbaar wil hij zichzelf niet noemen, eerder is hij op zoek naar samenwerking. “Er zit geen dictator in mij. Ik kan zelfs behoorlijk onpraktisch zijn: midden in de nacht mensen opbellen, acteurs blijven verdedigen ookal verstoren ze het werkproces, geen afstand nemen in de laatste week. Ik werk veel met dezelfde acteurs, met Ali Ben Horsting eigenlijk altijd. Het kost me veel tijd om nieuwe mensen of nieuw materiaal eigen te maken. Ik moet het laten gisten met mezelf, proberen ermee op gelijke voet te raken.”

Hoewel Whien een van de weinige jonge regisseurs is die zeer geïnteresseerd is in het toneelrepertoire, is het Marcus Azzini die bij Oostpool volgend seizoen Hamlet gaat regisseren. “Ik ben een beetje jaloers, vooral omdat ik denk dat Sanne dat heel erg mooi gaat doen. Maar Marcus had het plan al lang in zijn hoofd; hij had alleen nog een hoofdrolspeler nodig. Ik heb uit mezelf nu niet een idee over Hamlet, en dat is natuurlijk een basisvoorwaarde.” Lachend: “En ik heb mezelf wel de voorstelling ingewerkt: ik ga meespelen.”

Van de brug af gezien staat 24 en 25 maart in de Stadsschouwburg. Meer info op www.oostpool.nl

Recensie: ‘De Kersentuin’ van Het Nationale Toneel

Ze rinkelen onder haar rokken, de sleutels van het landgoed. Warja, de verwelkende jonge vrouw die voor haar lichtzinnige stiefmoeder Ljoebowa het landhuis met de beroemde kersentuin bestiert, draagt ze aan een grote ring, tekenend voor zowel haar taak maar ongewild ook voor haar moeizame liefde voor de bevriende koopman Lopachin.

Het is een mooie vondst van regisseur Erik Vos, ooit oprichter van De Appel. Tachtig jaar is hij inmiddels en dat hij een zo grote Tsjechov-regie op zich heeft genomen is een evenement op zich. Zoals te verwachten biedt Vos degelijk teksttoneel. Dit is het soort voorstelling waarin een personage dat zegt ‘Ik heb een rood vest aan en gele schoenen’ ook daadwerkelijk een rood vest en gele schoenen draagt. Wie daardoor niet wordt afgeschrikt ziet mooi acterwerk in een ambachtelijke repertoirevoorstelling, die echter weinig ontroert.

Vos neemt bij deze regie zijn persoonlijke ervaring mee: twee jaar geleden moest hij zijn huis op het platteland van Frankrijk verkopen en voelde hij zelf de pijn en de breuk van het definitief afsluiten van het verleden. Want daar gaat deze Kersentuin over. Als Ljoebowa na jaren terugkeert uit Parijs zijn de schulden torenhoog opgelopen, het landgoed zal op een veiling worden verkocht. Lopachin weet een oplossing: bouw zomerhuisjes voor de opkomende stedelijke burgerij. Maar daarvoor zal de kersentuin gesloopt moeten worden en dat is onbespreekbaar.

In een zandkleurig decor met veel gedrapeerde doeken en stoffen huisjes die soms in de kap verdwijnen wordt vooral de lichtheid van Tsjechov’s stuk benadrukt. Bijpersonages hebben een pop in de vorm van hondje, doen goocheltrucs, struikelen steeds of vallen plotseling in slaap. Tegen die achtergrond van vaudeville en clownerie moet de tragiek komen van Hubert Fermin als Ljoebowa’s broer (die een mooie scène heeft met een ouwe kast) en Stefan de Walle’ krachtige rol van Lopachin, maar vooral van Betty Schuurman’s Ljoebowa die tegelijkertijd belachelijk en meelijwekkend is.

Maar de twee uiteinden van kluchtige humor en ontroering die Vos zocht versterken elkaar in deze voorstelling niet. Geen van beide wordt echt dóórgezet en dat maakt De Kersentuin merkwaardig vlak en onbevredigend. Ieder moment van verstilling en contemplatie wordt weer doorbroken door grootschalige mis-en-scène of een nieuwe grap.

Slechts één personage wordt echt aandoenlijk en dat is Warja, door Anniek Pheifer erg mooi gespeeld op de rand van wanhoop en berusting. Als de kersentuin op de veiling blijkt te zijn gekocht door Lopachin smijt ze de sleutelring voor zijn voeten, minachtend én bevrijd. Later staan ze nog één keer tegenover elkaar, een laatste poging om er toch nog een huwelijksaanzoek uit te persen. Maar het is, zoals altijd bij Tsjechov, te laat.

De Kersentuin van Het Nationale Toneel. Gezien 14/11 in Den Haag. Te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg) 26-30/12/09. Meer info op www.nationaletoneel.nl

Seizoensoverzicht 2007/2008

Voor het TM/TIN nummer (voorheen Theaterjaarboek), september 2008

Was Maria Goos nou zó onredelijk? “Een wereldpremière van een nog nooit eerder gespeeld stuk, geschikt voor de grote zaal. (…) Dat zijn allemaal objectieve waarheden die naar mijn smaak maar wat al te snel als vanzelfsprekend worden aangenomen” schreef ze in maart dit jaar in een reactie op de recensies over De Familie Avenier op de website van recensent Wijbrand Schaap.

Maar nieuwe stukken voor de grote zaal zijn veel vanzelfsprekender dan Goos wellicht denkt. Ze is de norm, niet de uitzondering. Alleen al bij de Toneel Publieksprijs moet Avenier dit seizoen concurreren met drie andere succesvolle nieuwe teksten voor de grote zaal (Wuivend Graan van Wim T. Schippers, De Goede Dood van Wannie de Wijn en Bloedband van Geert Lageveen een Leopold Witte). Wie echt graag wil, kan in een seizoen eens in de twee weken naar de première van een nieuw stuk in de grote zaal.

Continue reading “Seizoensoverzicht 2007/2008” »

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2019 Simber | powered by WordPress with Barecity