Verslag: Theatertreffen 2012

Tellen, turnen en tergen. Dat waren de thema’s van het Theatertreffen 2012. Het jaarlijkse festival met de tien belangrijkste voorstellingen uit het Duitse taalgebied selecteerde dit jaar opvallend veel voorstellingen van de Berlijnse Volksbühne en ook de Freie Szene –zeg maar het Duitse middenzalencircuit– was goed vertegenwoordigd. Interessant genoeg waren twee voorstellingen uit de selectie –Gesäubert/Gier/4.48 Psychose van de Münchner Kammerspiele en Before your very eyes van Gob Squad en het Vlaamse Campo– al eerder te zien in Nederland, een teken dat de buitenlandse programmering van de theaters vruchten begint af te werpen.

Simons’ regie van de drie stukken van Sarah Kane viel ook in Berlijn in goede aarde, maar had een onverwacht bij-effect. In de voorstelling zit een lang fragment van een tellende Thomas Schmauser, een langzame meditatie over cijfers als teken van eindigheid en dus van de dood. Maar dat liet regisseur Vegard Vinge niet op zich zitten. Vinge is de Noorse maker van de meest controversiële voorstelling van het festival, John Gabriel Borkman. 4. Teil der Ibsen-Saga. Season 2 / Vorstellungen #20–25, een produktie van de Volksbühne in hun kleine zaal Prater. Ik ging naar de tweede voorstelling in het Treffen, met weinig voorkennis: het zou twaalf uur kunnen duren, met vrije in- en uitloop, het is iedere avond anders en het zou extreem zijn.

De dag ervoor las ik een geestig stukje in de krant over de Theatertreffen-première twee dagen eerder. Vinge was de voorstelling begonnen iets nieuws: hij telde tot 1334, overduidelijk als reactie op en dikke vinger naar Simons’ voorstelling – dat duurde twee uur en toen begon de rest van de voorstelling.

Toen de voorstelling dus om vier uur opnieuw begon met tellen wist ik ongeveer waar ik aan toe was. Het tellen gebeurt overigens onzichtbaar voor het publiek door een man (Vinge zelf, blijkt later) wiens stem wordt vervormd. Tegelijk zien we geprojecteerd op het voordoek een man met een rood rubber masker op die op z’n vingers meetelt, nogal bemoeilijkt door het feit dat hij handschoenen draagt die van z’n vingers lange, enge tentakels maakt. Stem en speler horen duidelijk niet bij elkaar. Later blijkt dat de beelden worden opgenomen in een klein studiootje onder de tribune. In de kamer zitten ook nog een speler in blackface die typt op een kartonnen typmachine, een man in een zwart pak dat ook zijn gezicht bedekt die de hele tijd volkomen stil staat en een wit aapachtig wezen achterin in een kooi.

Continue reading “Verslag: Theatertreffen 2012” »

Theatertreffen 2011

Ze zijn behoorlijk tevreden met zichzelf, de jury en organisatie van het Theatertreffen (TT). Na jaren van klachten dat het festival te mainstream, te westduits en te mannelijk was bevat de selectie in 2011 voorstellingen uit Schwerin en Dresden, wel drie voorstellingen van vrouwelijke regisseurs, en maar liefst twee voorstellingen uit de ‘Freie Szene’, vergelijkbaar met het circuit van kleine zalen en productiehuizen in Nederland. 2011 is het laatste jaar dat het festival wordt geleid door Iris Laufenberg, die na negen jaar vertrekt, samen met de intendant van de Berliner Festspiele, waar het TT onder valt.

De borstklopperij klinkt vanuit Nederlands perspectief nogal vreemd, vooral omdat de selectie dit jaar helemaal niet zo opzienbarend is. Een Dood van een handelsreiziger uit Zürich en een Kirschgarten uit Keulen borduren voort op het crisisfestival van vorig jaar; Via Intoleranza II was de laatste voorstellingn van vaste TT-gast Christoph Schlingensief en klassiekers als Nora en Don Carlos zijn ieder jaar wel te zien. Ook kleinere voorstellingen als Testament van de performancegroep She She Pop en Verrücktes Blut van Ballhaus Naunynstrasse waren eerder op het Treffen te zien, al waren het dan vaak toch coproducties met de grote huizen. She She Pop wordt echter ondersteund door het Hebbel Am Ufer, zeg maar het Frascati van Berlijn en Ballhaus Naunynstrasse is een multicultureel productiehuis midden in de door Turkse Duitsers gedomineerde wijk Kreuzberg.

Ook de schijnbaar verplichte voorstelling van Elfriede Jelinek is weer uitgekozen, dit keer Das Werk, Im Bus, Ein Stürz, een compilatie van drie kortere teksten van de Oostenrijkse Nobelprijswinnares, geregisseerd door Karin Beier, artistiek leider van Schauspiel Köln. Vorig was in Berlijn de uitzinnige en magistrale Jelinek-happening Kontrakte des Kaufmanns uit Keulen te zien, in regie van Nicolas Stemann en deels met dezelfde acteurs. Maar Das Werk, Im Bus, Ein Stürz kan daar niet aan tippen, hoewel het een gewichtige, overvolle voorstelling, slim in elkaar gezet, maar – met een enorm mannenkoor, een podium dat onder water kom t te staan en de doordreunende teksten van Jelinek – vooral gemaakt om te imponeren.

De drie teksten van Jelinek gaan achtereenvolgens over de bouw van een waterkrachtcentrale in de Oostenrijkse Alpen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog het leven van honderden dwangarbeiders kostte, een ongeval bij een instortende metrobouwplaats in München, waarbij een stadsbus in de krater stortte en drie mensen om het leven kwamen, en de instorting van het Keulse stadsarchief in 2009, wederom bij de bouw van een ondergrondse.

Continue reading “Theatertreffen 2011” »

Berliner Tagebuch 2

buitenland,overig,Theatermaker — simber op 2 september 2010 om 10:16 uur
tags: , , ,

Voor het seizoen begint even de archieven opruimen en oude stukken online zetten.

TM-redacteur Simon van den Berg is nog steeds in Berlijn. Nu het Theatertreffen is begonnen is hij fulltime Theatertreffenbezoeker geworden, maar daarnaast gaat het gewone Berlijnse theaterleven gewoon door.

7 mei
Opening TheaterTreffen: Kasimir und Karoline van Schauspiel Köln, NT Gent en de Veenfabriek

Het TheaterTreffen wordt geopend door Jack Lang die kunstenaars oproept om politici te blijven voeden met hun ideeën en utopieën, maar het is de vraag of hij daarvoor wel het juiste festival heeft opgezocht. De selectie is met z’n aandacht voor de kredietcrisis niet bijster optimistisch en Johan Simons, de regisseur van de openingsvoorstelling, zei in onlangs in een interview dat we moeten erkennen dat het theater de antwoorden niet heeft, sterker nog: dat we zelfs de vragen niet meer weten.

Het theater lijkt het daarom te zoeken in de verhalen van kleine individuën. Zoals dat van Kasimir en Karoline, die hun liefde niet kunnen behouden als hij wordt ontslagen en zij versierd wordt door een paar hoge heren. Weerbaarheid en wereldse problemen, daar gaat deze onderkoeld wanhopige voorstelling over en Simons heeft de juiste melancholische toon gevonden, die hij in de Nederlands/Vlaamse versie (die ik slechts op televisie zag) duidelijk niet te pakken kreeg. Het was overigens heel grappig om de muziek van de jonge multi-instrumentalisten van de Veenfabriek uitgevoerd te zien worden door veel oudere Keulse muzikanten. Ze deden het goed, maar echt rocken deed het niet.

8 mei
Trust
van Falk Richter en Anoukvandijk dc in de Schaubühne

Oh, dans, dacht ik vantevoren, maar een tipgever zei me dat het toch vooral heel veel tekst was, deze samenwerking tussen een Duitse schrijver en regisseur en een Nederlandse choreografe en danseres. Dat viel dan ook wel weer mee. Maar ik was er tamelijk van onder de indruk. Het uitgangspunt is nogal simpel: het gaat over vertrouwen in relaties en in geldzaken en komt dan snel weer uit op vertrouwen in banken en andere financiële instituties.

Continue reading “Berliner Tagebuch 2” »

Over de keuze van Het Theaterfestival

meningen,Parool — simber op 20 mei 2010 om 09:48 uur
tags: ,

Afgelopen zaterdag maakte juryvoorzitter Adelheid Roosen de selectie van het Nederlands Theaterfestival bekend: tien voorstellingen die goed, interessant of belangrijk genoeg zijn om in september nog eens onder de aandacht te brengen: een best of van het Nederlands theater.

Toevallig genoeg is tijdens de bekendmaking de ‘grote broer’ van het Theaterfestival aan de gang: het Duitse TheaterTreffen in Berlijn, met de tien beste voorstellingen uit de Duitstalige wereld. Het is interessant om de overeenkomsten te zien tussen beide selecties: zowel in Nederland als in Duitsland koos de jury voor hedendaagse toneelschrijvers, in de beide selecties komt Nobelprijswinnares Elfriede Jelinek aan bod; Shakespeare, Tsjechov en ander klassiek repertoire ontbreken geheel.

Dat is vooral in Duitsland bijzonder: daar zoeken regisseurs toch vaak een bekend stuk om hun hedendaagse visie aan op te hangen. Nu zijn er vooral nieuwe stukken te zien, en het is kredietcrisis vóór en kredietcrisis na, ongans word je ervan. De voorstellingen zijn over het algemeen mooi gespeeld, zien er prachtig uit en je merkt dat over alles goed is nagedacht, maar het engagement is ook vaak gratuit: keer op keer moet het publiek zich herkennen in verhalen –zoals in Kasimir und Karoline, Riesenbutzbach of  Der Goldene Drache– van eenvoudige mensen uit de onderklasse die lamgeslagen zijn door een crisis (vaak worden de jaren dertig van stal gehaald), waar ze zelf geen schuld aan hebben. Geen wonder dus dat in Duitsland de remedie tegen de Griekse crisis zo impopulair is; het ‘aan ons ligt het niet’-gevoel is er overweldigend.

En als de jury kiest voor iets dat niet met de crisis te maken heeft, zijn het meteen superbanale voorstellingen als Life and Times -een vier uur durende musical over de eerste zes jaar van het leven van een doodgewoon meisje- of Die Stunde da wir nichts voneinander wussten – flauwe mime over niks.

Daarmee vergeleken heeft de Nederlandse jury het bijzonder goed gedaan. Na de rommelige en willekeurige keuze van vorig jaar hebben Roosen en haar medejuryleden een uitstekende selectie gemaakt van de essentiële voorstellingen van het jaar (Branden en Hannah en Martin), de makers en gezelschappen die de krenten in de pap zorgden (zoals Susanne Kennedy en Oostpool), werk waarover genoegzaam gediscussieerd kan worden (Underground, Dit is mijn vader en Elf Minuten) en de altijd welkome obscuria (A l’attente du Livre d’Or en Wandelen op de Champs-Elysées…), waarvan ik tot hun selectie nog nooit had gehoord.

Nu helpt het dat we een opvallend goed theaterseizoen achter de rug hebben. Naast vijf van de tien geselecteerde voorstellingen zag ik ook nog voorstellingen van Wunderbaum, De Warme Winkel en Boukje Schweigman die zeker Theaterfestivalwaardig waren. Het is jammer en opvallend dat Ivo van Hove’s Toneelgroep Amsterdam opnieuw niet tot de selectie is doorgedrongen, het gezelschap is na hoogtepunten als Opening Night, Romeinse Tragedies en Angels in America in een zoekende periode beland.

De kracht van het Nederlandse theater zit van oudsher in haar veelvormigheid en dat blijkt ook weer uit deze selectie. Maar de vergelijking met Duitsland maakt het ook mogelijk om een andere eigenschap te zien: haar directheid. Nederlandse theatermakers kunnen veel meer dan hun Duitse collega’s hun publiek medeplichtig maken en ondervragen, of het nu gaat over de verplichting tot kritisch denken in Hannah en Martin, de strijd om ons geld in Underground, de machtsbeluste, sexuele blik in Over Dieren of antisemitisme en het Jules Croiset-syndroom in Dit is mijn vader.

Dit wil niet zeggen dat al die Duitse voorstellingen slecht zijn; Kleiner mann, was nun? was een ontroerende, diep menselijke voorstelling, die in vier uur iets universeels wist te vertellen over alle crises, overal. Geregisseerd door de Belg Luk Perceval, dat dan weer wel. Maar Branden van het Ro Theater was minstens zo goed. Misschien moeten die Duitsers in september maar eens naar Amsterdam komen.

Rezension: ‘Kleiner Mann – was nun?’ von den Münchner Kammerspielen

deutsch,recensies — simber op 17 mei 2010 om 14:40 uur
tags: , ,

Zuweilen hat man dazu keine Lust: Muss ich wieder vier Stunden Theater ansehen, wieder auf diesen furchtbaren Stühlen des Hauses der Berliner Festspiele sitzen? Allerdings diesmal wird die Ausdauer belohnt.

Kleiner Mann – was nun? ist ein außerhalb Deutschlands kaum bekannter Roman (von Hans Fallada) über die Krise der 30er Jahre. Der ‘kleine Mann’ des Titels ist Johannes Pinneberg, der Angst hat seine einfache Stelle zu verlieren, gerade jetzt wo er für seine schwangere Frau Emma (“Lämmchen” genannt) sorgen muss. Die Geschichte des Paars hangelt sich entlang Anstellung und Arbeitslosigkeit, Hoffnung und Verzweiflung, und führt von der Kleinstadt nach Berlin, und in dieser Inszenierung leider auch entlang überflüssige Figuren und Episoden.

Die Bühne ist ganz leer, bis auf ein Orchestrion: ein großes, mechanisches Musikinstrument, ähnlich einer Drehorgel, aber mit Klavier, Glockenspiel und Triangel. Mathis B. Nitschke schrieb eine neue Partitur für diesen besonderen Apparat, bald die Stimmung eines Jahrmarkts erzeugend, bald eine ganz eigene Magie herbeizaubernd, verstärkt von projizierten Schwarz-weißbildern aus dem Film ‘Berlin, Sinfonie einer Großstadt’.

Die Vorstellung von Regisseur Luk Perceval dauert lange, ist manchmal ein bisschen langweilig, aber in der letzte Stunde kommt dennoch alles zusammen. Durch seine Arbeitslosigkeit ist Pinneberg wie gelähmt, ein armer Slucker, der von der Polizei aus der Friedrichstraße fortgejagt wird. Er gehört nicht länger zu den normalen Menschen. Und zu Hause wartet Lämmchen. Ihrer beider Liebe ist das einzige, was ihnen noch helfen kann.

Die Heimkehr Pinnebergs zu Lämmchen ist so wunderbar gespield, wie man es selten erlebt im Theater. Paul Herwig und Annette Paulmann brauchen nur ein Minimum an Empfindungen um die große Tragödie ihrer Zuneigung in einer gleichgültigen Welt zu zeigen. Großartiges, zu Herzen gehendes Theater.

Verslagje opening Theatertreffen

buitenland,Parool,verslagjes — simber op 10 mei 2010 om 00:47 uur
tags: , , ,

Ze zijn er niet. Normaal staan bij de opening van het Theatertreffen in Berlijn altijd minstens een half dozijn dames voor de ingang van het theater met een bordje ‘Suche Karten’. Ze doen een laatste, wanhopige poging om erbij te zijn, maar vanavond ontbreken ze. Ligt het aan de crisis? Of zien ze de openingsvoorstelling niet zitten?

Het Theatertreffen is het belangrijkste theaterfestival van Duitsland. Sinds 1964 wordt jaarlijks een selectie van de tien beste voorstellingen uit de ‘Deutschsprachige Raum’ (Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk) uitgenodigd in Berlijn. Vrijdagavond werd het festival geopend met de voorstelling Kasimir und Karoline van de Nederlandse regisseurs Johan Simons en Paul Koek.

Het festival benadrukt  dit jaar de internationale dimensies van de selectie. Kasimir und Karoline is een coproductie van Schauspiel Köln met NT Gent en de Veenfabriek, maar er staat ook een vrijwel geheel Engelstalige voorstelling, Life and Times episode 1, van de New Yorkse groep Nature Theater of Oklahoma. Ook de Vlaamse regisseur Luk Perceval, die al jaren in Hamburg werkt, is uitgenodigd. De opening werd vrijdagavond verricht door de Franse oud-minister van cultuur Jack Lang.

Die legde meteen de verbinding met het meest in het oog springende onderwerp dat de Duitse kunstwereld bezighoudt: de crisis. Lang wees op de intellectuele en morele oorzaken van de kredietcrisis en riep politici op juist nu niet te bezuinigen op cultuur: “Politici hebben op dit moment een tekort aan ideeën. Het is aan de kunstenaars om utopieën te blijven ontwikkelen.” Waarna hij de daad bij het woord voegde door een ontwerp voor een Frans-Duits staatsburgerschap te lanceren.

Ook de keuze van de festivaljury weerspiegelt het crisisgevoel, met een selectie van uitvoeringen van nieuwe toneelstukken die vrijwel uitsluitend over de kredietcrisis lijken te gaan. Geen enkele Shakespeare, Tsjechov of Schiller dit jaar, maar schrijvers als Elfriede Jelinek, Dennis Kelly en Dea Loher werden uitgenodigd met stukken waarvan de titels alleen al weinig te raden over laten: Contracten van de Koopman, Liefde en geld en Dieven.

En ook in Koek en Simons’ voorstelling van Ödön van Horváth’s moderne klassieker gaat het om de menselijke gevolgen van laagconjunctuur: Kasimir en Karoline speelt tenslotte in 1932 en gaat over een paar dat uit elkaar groeit nadat hij z’n baan verliest. Simons en Koek maakten er een mooi melancholieke voorstelling van ondersteund door synthi-pop van de Veenfabriek. Verlaten mensen aan de achterkant van een kermisterrein, waar de rijke heren alleen komen om te pissen en meisjes te verschalken.

Alleen Simons kon bij de opening aanwezig zijn, maar hij heeft dan ook iets te winnen. Hij verhuist later dit jaar naar München om daar de Münchner Kammerspiele te gaan leiden. Donderdag was hij nog in München om zijn plannen achtereenvolgens aan de gemeenteraad, de pers en het personeel te presenteren, eerder op de vrijdag was hij nog in Amsterdam, waar die avond zijn voorstelling Gif in première gaat (met o.a. Simons’ vrouw Elsie de Brauw), en ‘s avonds in Berlijn willen diverse journalisten en televisiestations graag nog even praten met Herr Regisseur, die ze met een flesje bier in de hand in smeuïg NederDuits welwillend te woord staat.

Kasimir und Karoline is min of meer een remake van de locatievoorstelling die hij vorig jaar maakte met Nederlandse en Vlaamse acteurs op vliegbasis Soesterberg bij Utrecht. Die werd niet bijster enthousiast ontvangen en tijdens een opvoering op het festival in Avignon ontstond een relletje toen een geïrriteerde toeschouwer de voorstelling onderbrak.

Simons: “Die voorstelling was uitbundiger, explosiever. Toen ik hem in Keulen opnieuw kon maken was dat in de zaal, en werd de voorstelling ingetogener.” Het decor is hetzelfde gebleven: een ijzeren stellage, een tijdelijke bouwconstructie waar met enorme glitterletters ‘Enjoy’ staat. “Ik had deze voorstelling moelijker in München kunnen maken, ook als speelt het stuk zich op het Oktoberfest af. Maar het is nu een rijke stad, de Münchner Kammerspiele heeft een welvarend, links-intellectueel publiek. Negentig procent leest de Süddeutsche Zeitung; in Keulen is het publiek armer. En in het Ruhrgebied weten ze wel werkloosheid is.”

Hoewel Simons de verschillen benadrukt, blijft het bizar om te bedenken dat er nu twee versies van zijn voorstelling door Europa reizen: de Duitse nu in Berlijn en later weer in Keulen, de Nederlands/Vlaamse later deze maand in Amsterdam en daarna weer in Frankrijk.

Ook Ivo van Hove en Jan Versweyveld lopen rond door het Haus der Berliner Festspiele. Van Hove regisseert hier bij de Schaubühne De Mensenhater van Molière, met in de hoofdrol Lars Eidinger, die Hamlet speelde in de voorstelling van Thomas Ostermeier die in december met groot succes in Amsterdam te zien was. De voorstelling gaat pas in september in première, maar door de drukke schema’s moet hij nu al afgemaakt worden.

Ongeveer tegelijkertijd gaat in München Simons’ eerste voorstelling in première: Hotel Savoy, naar het boek van Joseph Roth, waarin naast de Duitse acteurs uit het ensemble ook Pierre Bokma en Katja Herbers meedoen.

Zo zijn de regisseurs uit de lage landen grote meneren geworden in de landen waar regisseurs op een voetstuk staan en gegoede dames staan te bedelen om kaartjes. De ‘Suche Karten’ bordjes waren de dag na de première gelukkig weer present.

Recensie: ‘Eine Kirche der Angst vor dem Fremden in mir’ van Christoph Schlingensief (Holland Festival)

Christoph Schlingensief, de bad boy van het Duitstalige theater, heeft kanker. Een ongeneeslijke vorm  van longkanker, terwijl hij nog nooit gerookt heeft. Schlingensief, geboren in 1960, werd de afgelopen decennia berucht vanwege zijn provocatieve manifestaties. In Wenen maakte hij –toen Jörg Haider net aan de macht was- onder de titel Bitte liebt Österreich een Big Brother-installatie met asielzoekers die door het publiek het land uit mochten worden gestemd. In Zürich regisseerde hij een Hamlet met neonazi’s. In zijn werk neemt hij steeds de slogans waarin de samenleving spreekt over haar problemen zo letterlijk mogelijk; of het nu ‘Ausländer Raus!’ is of “Wie zijn wonden toont zal genezen worden.”

Dat laatste, ontleend aan Joseph Beuys,  is het motto voor zijn voorstelling Eine Kirche der Angst vor dem Fremden in mir, die komende week in het Holland Festival te zien is. In een groteske mengeling van  een katholieke eredienst, fluxus-performances, reality televisie en zijn eigen theatrale happenings ensceneert hij een hoogmis, of liever een ‘prerequiem’ voor zijn eigen in rap tempo naderende dood.

Het publiek zit op kerkbanken in een ruimte die min of meer is gemodelleerd naar de kerk uit zijn geboortestad Oberhausen, waar hij als kind misdienaar was. Rondom zijn tekeningen opgehangen -rudimentaire schtesen van een menselijk lichaam met een grote piemel en een vogelkop,  de longen roodgekleurd-, slogans en beeldschermen waar zwartwit filmpjes op geprojecteerd worden.

De voorstelling bestaat uit liturgische muziek, soms heel mooi en ijl, dan weer parodiërend met extra galm, soms gospel, dan weer wegstervende metronomen. Tegelijkertijd trekt een parade van absurditeiten voorbij. Een verstandelijk gehandicapte vrouw als priester, kinderen met bloemen in hun haar, een schitterend uitgedost Afrikaans koor. Plechtig komen ze aangelopen, ze zingen een lied en dan gaan ze weer achteruit hollend door het middenpad de zaal uit. Filmpjes tonen het ontbinden van dode haas (wederom Joseph Beuys), vleermuizen, zich delende kankercellen en een brandend hoofd.

Maar hoe barok deze uitstalling van universee sterfelijkheid ook is, het blijft duidelijk dat het gaat om een rituele bezwering van Schlingensief’s persoonlijke lijden. Daarvoor zijn er de oude super-8 filmpjes van hemzelf als kleine jongen, gemaakt door zijn vader. En audiotapes die beginnen met een rationele evaluatie van de laatste medische uitslagen, maar die steeds eindigen in tranen, waarin even de onvoorstelbare eenzaamheid van de dood doorklinkt.

Geleidelijk wordt de dienst een begrafenis. Het altaar in deze kerk kan draaien en is ook een bed van de stervende. Tenslotte verschijnt Schlingensief zelf ten tonele en houdt de preek: een eenvoudige oproep tot luisteren en troosten van hen die behoeftig zijn. “De angst voor het verdwijnen is universeel. Het is een angst waarop je kunt vertrouwen. Je kunt hem uiten hem daarmee beheersen.” Dan geeft hij, als priester in deze dienst, de alternatieve communie: “Eet brood, want dan blijf je leven. Drink je eigen bloed, dan blijf je autonoom.”

Zo laveert Schlingensief steeds tussen exhibitionisme en kritisch intellectualisme en tussen troost  en een zorgvuldige processie om het larmoyante heen. En juist daardoor blijft het effect van deze uitbundige en eclectisch religieuze vorm beperkt. De verbanden die hij legt –tussen de combinatie van het irrationele en de levenslust van fluxus en de bijna dierlijke behoefte aan aandacht voor zijn lijden- zijn vooral verstandelijk en weerhouden het publiek ervan mee te voelen en zijn of haar eigen pijn vrij te laten. “Wie zijn wonden verbergt wordt niet genezen”, vervolgt het citaat van Joseph Beuys. Wellicht geldt het omgekeerde wel sterker.

Holland Festival: Eine Kirche der Angst vor dem Fremden in mir van Christoph Schlingensief. Gezien 3/5/09 in Berlijn. Te zien in Amsterdam (Westergasfabriek) 5 t/m 8/6. Meer info op www.hollandfestival.nl en www.schlingensief.com

Verslag: TheaterTreffen in Berlijn

“Nach Berlin” is de eenvoudige slogan waaronder het TheaterTreffen dit jaar plaatsvond, en dus gingen we. Berlijn is zichzelf zeer bewust van haar positie als wereldhoofdstad van het kunsttheater en ook al wordt de jaarlijkse selectie van de tien “meest opmerkelijke” voorstellingen in het Duitse taalgebied vaak bekritiseerd als te degelijk en weinig avontuurlijk, toch zijn er dit jaar in een paar dagen toch voorstellingen van uitzonderlijk hoog niveau te zien. Bovendien: tegelijkertijd kun je tijdens een kort bezoek aan de stad genoeg avant garde meemaken.De selectie van tien voorstellingen maakt meteen al duidelijk wat de theatersteden van Duitsland zijn: Berlijn, München, Hamburg en Keulen. Daarnaast is Marthaler’s Schauspielhaus Zürich met twee voorstellingen vertegenwoordigd.

Het vooroordeel van degelijk dramaturgentheater wordt bevestigd door twee voorstellingen van de Münchner Kammerspiele die tijdens het openingsweekend te zien waren. Der Sturm van regisseur Stefan Pucher wordt een wonderlijk en soms uiterst grappig gedeconstrueerd plaatjesboek, waarin Prospero wordt gespeeld door een vrouw (Hildegard Schmahl), verwijzingen naar Gilbert & George en Lord of the Rings elkaar aanvullen, een meisjesgroepje in zuurstokkleurig bont een liedje over tonic zingt, de stormscène een making of met blue screen wordt en een stevige, Duitse, wat oudere acteur een liedje van John Lennon doet.

Fascinerend is het wel, maar hoewel je achter de mutimediale krachtpatserij rondom Shakespeare een statement vermoedt over virtualiteit en theater blijft het vooral bombast, met name door de verheven acteerstijl. Duitse acteurs zijn, dat zal ook later in de week blijken, in de eerste plaats vakbekwaam; ze kunnen praten en ze kunnen lopen en iedere toeschouwer, tot op het derde balkon, zal ze kunnen verstaan. Maar juist in dit soort postdramatische voorstellingen is enige frivoliteit gewenst, al was het maar om de acteurs enige autonomie ten opzichte van het regieconcept te geven. Alleen Thomas Schmauser als halve wilde Caliban weet binnen deze vorm de juiste toon van uitzinnigheid te treffen.

Ook in Die Ehe der Maria Braun, naar de film van Fassbinder, geregisseerd door Thomas Ostermeier valt deze monumentale vorm van acteren op. Alleen valt het hier meer op zijn plek. Ostermeier maakt van Maria Braun een moderne heldin, zoals hij eerder deed met Hedda Gabler en Nora van Ibsen. De tragedie van een zelfstandige vrouw die kort na de Tweede Wereldoorlog voor haarzelf en haar geliefde, die gevangen zit, een bestaan probeert op te bouwen en dat doet door nietsontziend alle mannen die op haar weg komen te gebruiken voor haar doel is koud en hard, maar juist daardoor aangrijpend.

Dat is grotendeels de verdienste van de jonge actrice Brigitte Hobmeier, een soort combinatie van Carice van Houten en Carola Arons, die als een onderkoelde furie door het jaren ’50 decor jaagt. Maar ook de vier mannen om haar heen, die de vele overige rollen spelen, weten de onheilszwangere, filmische sfeer met minimale middelen neer te zetten. Toch blijft het een nogal Duitse aangelegenheid: de rol van vrouwen in het Wirtschaftswunder zal vooral voor Wessi’s interessant zijn.

Bij beide producties valt overigens op hoe piepjong het team van makers en vormgevers is, dat samen met de acteurs applaus komt halen. Ostermeier (1968) en Pucher (1965) zijn dan wel geen jonge makers meer te noemen, maar hebben wel een team van zeer jonge dramaturgen en ontwerpers om zich heen verzameld.

Het contrast met Onkel Vanja kon niet groter zijn. Maar wat een wonderschone voorstelling heeft de inmiddels 64-jarige Jürgen Gosch bij zijn Deutsches Theater in Berlijn gemaakt. Vernieuwend theater is het niet te noemen, maar wat Gosch hier toont aan beheersing van de theatrale middelen en vertrouwen in zijn spelers is fenomenaal. In een minimaal decor, een zandkleurige doos, waar de acteurs niet uit kunnen ontsnappen, en beschenen door één gigantische schijnwerper maakt hij van Tsjechov nietsontziend drama, waarbij vooral Ulrich Matthes (wellicht bekend van zijn rol als Joseph Goebbels in de film Der Untergang) als Wanja opvalt. Maar juist in deze voorstelling blijkt ook de zegen van een compleet ensemble, waar zowel mannen als vrouwen in iedere leeftijdscategorie beschikbaar zijn en een grootheid als Gudrun Ritter beschikbaar en bereid is om de kleine moederrol op zich te nemen.

De klacht dat het Treffen te weinig oog heeft voor de vernieuwingen in het theater snijdt wel hout. Juist in Duitsland is naast de stadsgezelschappen de afgelopen vijf á tien jaar een nieuw, secundair theatercircuit opgekomen, waar in Berlijn de Sophiensaele en het Hebbel Theater uitingen van zijn. Sophiensaele was bijvoorbeeld coproducent van Stillen van Lotte van den Berg en While we were holding it together van Ivana Müller – dat later nog op het TheaterTreffen te zien is; maar dus niet in de selectie, maar als speciale gastvoorstelling.

In het Hebbel was in de week vóór het TheaterTreffen Showtime: Trial and Terror te zien, van het internationale performance-collectief Andcompany&Co, die met een rad van fortuin de Hamletmachine van Heiner Müller te lijf ging. Een licht sadistische quizmaster laat vier spelers in wedstrijdvorm scènes doen, alnaargelang het rad aanwees. Het is geestig, maar ook vermoeiend avant garde-theater, waarbij vooral opvalt hoeveel moeilijker publieksinteractie werkt in een land dat nog erg aan de repertoire-traditie hangt. De spelers lijken er ook niet helemaal uit of de toeschouwers nu de rol hebben van meelevende supporters of keurig schouwburgpubliek dat iets moet meekrijgen over het werk van Müller.

Ditzelfde probleem doet zich voor bij de enige echt wilde keuze van de TheaterTreffen jury: Die Erscheinungen der Martha Rubin, een ervarings-voorstellings-installatie die de jonge Deense theatermaker Signa Sørensen maakte bij Schauspiel Köln. In een grote loods in het diepe zuiden van Berlijn bouwde ze een stadje van aftanse caravans en houten schotten, bewaakt door militairen en ziekenzusters, met een café, een snoepwinkel en een peepshow. Gedurende acht dagen spelen de ongeveer vijftig acteurs in volledige improvisatie en interactie met het publiek het verhaal over de wonderbaarlijke orakels van een zigeunervrouw, terwijl ze in het stadje koken, eten, zich wassen en slapen.

Deze installatie lijkt op het werk van Boukje Schweigman en Dries Verhoeven, maar Sørensen schiet door in megalomanie. ’s Avonds schijnt het heel wild te zijn met veel drank en risque optredens, maar ’s morgens om negen uur ligt het grootste deel van de goegemeente nog te slapen, zodat niet helemaal duidelijk wordt wat de toegevoegde waarde is van het 24-uurs-concept.

En dan is er ook nog de State of the art van Berlijn zelf. In de Volksbühne heeft de jonge theatermaker René Pollesch zich een vaste plaats verworven naast intendant Frank Castorf. In deze week was van hem de voorstelling Darwin-win, Martin Loser-Drag King & Hygiene auf Tauris te zien. Zijn mix van sociologisch theoretische teksten, dansers, flauwe humor en improvisaties is een soort kruising van Eric de Vroedt, Wim T. Schippers en Alain Platel, maar dan on speed en van een intellectueel bijzonder krachtig niveau.

Hier zie je –ook zonder de in plat Berlijns uitgesproken gortdroge verhandelingen over sociaal Darwinisme helemaal te kunnen volgen- meteen de verbinding tussen wat de personages staan te roepen en de ontwikkelingen buiten op straat. Waar in de nieuwe hippe wijken zoals Friedrichshein of Pankow naast de cafés en designerwinkels geen galeries of theaters meer komen (zoals eerder wel gebeurde in Prenzlauer Berg en het Scheunenviertel en waar naast Alexanderplatz een gigantische mall is verrezen die de Berlijners fascineert met zijn ongegeneerde verkooplust.

Tot slot: in Nederland zijn we de afgelopen jaren wel erg met onze eigen theatersores bezig geweest. Het is buitengewoon verfrissend om te merken dat in Berlijn Nederland en België er gewoon bijhoren: Pia Douwes speelt haar sterrol Elisabeth in het Theater des Westens; het Maxim Gorki Theater gaat Mefisto Forever van Tom Lanoye uitvoeren; tegelijk met het TheaterTreffen spelen NT Gent en Toneelgroep Amsterdam hun coproductie Maeterlinck; en zoals gezegd werkt de Sophiensaele regelmatig voor Nederlandse makers.

Het zou fijn zijn als die vanzelfsprekendheid iets meer wederzijds werd. Het Nederlandse publiek verdient Gosch’ Onkel Vanja en wat zou het leuk zijn als Pollesch eens een gastregie zou komen doen.

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2019 Simber | powered by WordPress with Barecity