Voorstuk Misdaad & Straf

Als de rechter binnenkomt, staat iedereen op. Want de verdachte mag dan wel een acteur zijn, en de rechtszaal het Universiteitstheater in Amsterdam, de rechter is wel degelijk echt. Meester Rob Keurentjes doet uitspraak in de zaak Raskolnikov, een straatarme student die een vrekkige oude woekeraarster met een bijl heeft vermoord, en daarna haar zuster die op het verkeerde moment binnenkwam.

De rechtszaak Raskolnikov is onderdeel van het randprogramma bij de theatervoorstelling Misdaad en Straf van het Noord Nederlands Toneel (NNT) die dit weekend in de Stadsschouwburg te zien is. Theatermaker Ko van den Bosch (voorheen Alex d’Electrique) bewerkte de beroemde roman van Dostojevski en werkte ook mee aan deze fictieve zitting, waarin jonge strafpleiters en advocaten zich buigen over deze moordenaar met idealen.

Want Raskolnikov is niet zomaar een moordenaar: volgens hem was de woekeraarster een stuk ongedierte zonder wie de wereld beter af is. In het geloof dat hij een hoger soort mens is, meent hij dat hij het recht heeft om deze daad te plegen. Hij plant hij zijn daad nauwkeurig,  rooft haar geld en haar bezittingen in de hoop hiermee goede werken te verrichten en zo tegengewicht te bieden aan zijn misdaad. Maar uiteindelijk speelt zijn geweten op in paranoïde ijldromen en geeft hij zichzelf aan.

“Dostojevski zorgt ervoor dat je de redenering van Raskolnikov helemaal kunt volgen”, vertelt Van den Bosch. “Je geeft hem gelijk, maar de vraag is: zou ik daarvoor een mens doden? Je zegt snel nee, want dat hoort zo. Maar als je echte armoede kent, echte honger hebt en als je ziet dat iedereen naar de klote gaat en iemand zit de gebraden haan uit te hangen, dan weet ik het niet. Dostojevski brengt je daar dicht bij en dat is een enge gedachte.”

Anders dan in eerdere voorstellingen van het NNT, zoals Alice in Wonderland of Hamlet, heeft Van den Bosch Misdaad en Straf niet geactualiseerd. “Het is een ontzettend spannend verhaal en als je dat goed vertelt, hoef je het niet naar het hier en nu te brengen. Het gaat over een wereld waarin de jongeren geen geld hebben. Daarmee wordt hun toekomst afgesloten, precies zoals je nu in Spanje en Griekenland ziet gebeuren. Raskolnikov wil iets doen. Hij neemt de verkeerde afslag, maar wel met de goede motieven. Dat was voor (regisseur) Ola Mafaalani de belangrijkste vraag: wat doe je in een crisis? Wanneer wordt je actief?”

Ondanks dat het verhaal niet geactualiseerd is, werkte schrijver en columnist Bas Heijne mee aan de voorstelling, juist om de band met het heden te smeden. “Bas is een groot liefhebber van het boek en hielp ons vanuit de huidige maatschappij op het materiaal te refelecteren. Hij heeft vooral veel bijgedragen aan het eind: Raskolnikov wordt veroordeeld tot acht jaar strafkamp in Siberië, maar wordt gered door zijn liefje Sonja en zijn bekering tot een soort verlichte christelijkheid. Daar hebben wij in de voorstelling empathie en liefde van gemaakt, juist omdat we met Bas Heijne concludeerden dat dát is wat we in Nederland nu missen.”

De aanklager in het fictieve proces in het Universiteitstheater noemt Raskolnikov een ‘overtuigingsdader’. Dat is niet toevallig dezelfde karakterisering als Volkert van der G. kreeg in het proces over de moord op Pim Fortuyn. Van den Bosch: “Noraly Beyer, die vaak research doet voor ons, heeft geprobeerd hem te spreken. Dat is niet gelukt. Ik vind die vergelijking ook niet zo gelukkig: als je Raskolnikov een terrorist noemt, dan maak je hem eendimensionaal. Dostojevski zorgt juist dat je zijn brede menselijke, maatschappelijke ideaal begrijpt. Dat zie bij Volkert niet; dat is toch een dierenactivist bij wie een draadje los zit.”

Van den Bosch is zelf ook benieuwd wat de echte rechters denken. “Twee weken geleden in Groningen hielden we zo’n zelfde rechtszaak en probeerde de verdediging zo snel mogelijk om Raskolnikov niet toerekeningsvatbaar te verklaren.” In Amsterdam kiest de jonge advocaat een originelere benadering. Hij vraag vrijspraak op grond van ‘het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid’: omdat het slachtoffer inderdaad een slecht mens was is het recht er méér mee gediend om de student niet te straffen, ondanks dat zijn daad tegen de wet is. De rechter veegt dat argument fluks van tafel. Het vonnis: zestien jaar voor moord met voorbedachten rade.

Misdaad en straf van het NNT: 22 t/m 25/3 in de Stadsschouwburg. Meer info op www.nnt.nl.

Wat heeft Duitsland dat wij niet hebben?

buitenland,cultuurbeleid,overig — simber op 23 maart 2013 om 22:45 uur
tags: , ,

(Voor het Stadsschouwburg Journaal; ook te lezen op Issuu)

Het was een kort berichtje in de Nederlandse kranten begin november: “Duitsland blijft investeren in cultuur”. Al snel zoemde het artikel rond in culturele kringen op Facebook en Twitter. Zie je wel, was de teneur, onze Oosterburen zijn niet van die cultuurbarbaren als bij ons in de regering, daar geven ze nog wel geld aan de kunsten. Het bevestigde een oud beeld dat Nederlandse theatermakers hebben over Duitsland. Zodra je de grens oversteekt zou je terecht komen in een luilekkerland van onuitputtelijke subsidies en ontzaglijk prestige. Maar klopt dit beeld wel? Is het in Duitsland wel echt zoveel beter dan hier?

I. Geld

Om bij dat nieuwsberichtje te beginnen: het ging om een investering van 100 miljoen door de Bondsdag, waarmee het totale nationale cultuurbudget op 1,28 miljard euro komt. Da’s niet niks, maar vergeet niet dat (ook na de bezuinigingen) in het vijf keer kleinere Nederland de rijksoverheid bijna 1 miljard uittrok. Om een goede vergelijking te maken is het nodig om te kijken naar de verdeling van de verantwoordelijkheden over nationaal, regionaal en lokaal niveau. In Nederland verdeelt het rijk ongeveer dertig procent van de cultuurgelden, in Duitsland is dat nog geen vijftien procent. De rest komt voor rekening van de deelstaten en de steden. En tegenover de investering van de bondsdag staan vaak bezuinigingen op de lagere niveaus.

Toen Thomas Ostermeier, artistiek leider van de Schaubühne in Berlijn, een paar jaar geleden voor het eerst hoorde over de Nederlandse cultuurbezuinigingen zei hij: “In Duitsland wordt al jaren bezuinigd, alleen kondigt de overheid het niet aan, maar doen ze het langzaam en stilletjes.” Dat Berlijn –‘arm aber sexy’– zuinig aan moet doen is al jaren een gegeven, maar sinds de crisis beknibbelen ook andere steden en deelstaten op cultuur. In Wuppertal werd een theater gesloten en ook diverse musea en orkesten worden in hun voortbestaan bedreigd. Het gaat allemaal zonder de anti-elitaire retoriek die in Nederland de afgelopen jaren zo dominant was, maar als je naar de cijfers kijkt (voor zover bekend), ontlopen de bezuinigingen bij ons en bij hen elkaar niet veel.

Sterker nog: cijfermatig springt Nederland er op een ander punt juist bijzonder goed uit. De website Culturalpolicies.net houdt de uitgaven aan cultuur bij van alle landen in de Europese Unie. De laatste cijfers zijn inmiddels zo’n vijf jaar oud, maar het beeld is duidelijk: Nederland spendeert per hoofd van de bevolking veel meer dan Duitsland: 183 euro tegenover 101 euro per jaar. Dit lijkt onmogelijk: Duitse theaters hebben toch veel meer te besteden dan hun Nederlandse collega’s? Ostermeiers Schaubühne krijgt zo’n 12 miljoen euro subsidie: ongeveer het dubbele van Toneelgroep Amsterdam.

Nog los van het feit dat de Schaubühne een grote eigen zaal runt en in Amsterdam de Stadsschouwburg en TA aparte organisaties zijn, zit het verschil in de dichtheid: als je de kaart van Nederland op een even groot gebied in Duitsland legt, zie je dat Nederland veel meer toneelgezelschappen, schouwburgen, orkesten, musea, bibliotheken en muziekscholen heeft. Duitsland besteedt z’n geld aan een kleiner aantal grote instellingen, Nederland verdeelt de koek over ontelbare monden.

II. Prestige

In een ander opzicht zal Nederland nooit kunnen winnen van Duitsland: in Duitsland dóet theater ertoe. Sowieso zien Duitsers zichzelf als een volk van schrijvers en filosofen, maar theater neemt een speciale plek in. De Vlaamse regisseur Luk Perceval, sinds jaren directeur van het Thalia Theater in Hamburg vindt dat nog steeds opvallend: “In Duitsland is theater een polemische factor. Voorstellingen hebben sterke voor- en tegenstanders die in de kranten en soms in de zaal met elkaar in aanvaring komen. Het heeft een sterk moreel aspect.” Perceval ziet de oorzaak daarvoor in Duitsland’s verleden: “Na de oorlog wilde Duitsland de beste leerling van de Europese klas zijn. Er ontstond een bewustzijn dat kunst er is om de fouten uit het verleden niet te herhalen. Daar moet bij gezegd worden dat kunstenaars zoals Peter Zadek en Einar Schleef, die tegen de gevestigde orde aanschopten, beschermd zijn door de pers en het cultuurbeleid.”

Maar er speelt nog iets anders mee: “Duitsland heeft zich na de oorlog in culturele zin niet laten koloniseren door Amerika. Het cultuurmodel van de vrijemarkteconomie dat daar en steeds meer in Nederland wordt aangehangen is dodelijk voor de oude Europese cultuur. Duitsland definieert zichzelf als cultuurland en cultuur wordt ook gezien als exportproduct. De bewondering van landen als China of India geldt niet voor Mercedes en Siemens, maar ook voor Bach, Wagner en Goethe, en in handelsmissies gaan die twee facetten ook altijd hand in hand.”

III. Dynamiek

De verhouding tussen de lage landen en Duitsland is eind jaren negentig definitief veranderd. Voor die tijd keken Nederlandse en Vlaamse theatermakers, zoals Perceval, vol bewondering naar het Duitse repertoiretheater en werden Duitse regisseurs uitgenodigd om hier een voorstelling te maken. Perceval was een van de eersten die de andere kant op reisde en enorm succes oogstte met Schlachten, de vertaling van Ten Oorlog. In zijn kielzog volgden talloze Nederlandse en Vlaamse theatermakers, zoals Ivo van Hove, Paul Koek, Nanine Linnig, Anouk van Dijk, en natuurlijk Johan Simons.

In deze beweging openbaart zich de grote zwakte van het Duitse cultuurbestel: het is eenvormig, log en verstard. Perceval: “Dat begint bij de opleidingen. Als jonge regisseur in Duitsland mag je geen flops maken, dan wordt je meteen afgeschreven. Maar je moet kunnen mislukken om je methode en te ontwikkelen. Daarom zijn Nederlandse en Vlaamse regisseurs zo populair: wij hebben een vrijere, minder gestresste omgang met theater.”

Ook in Duitsland begint dit besef door te dringen en dit leidt, onvermijdelijk, weer tot polemiek. Vier schrijvers van Der Spiegel schreven vorig jaar een boekje Der Kulturinfarkt, waarvan de ondertitel de kwaal van het cultuurbestel adequaat samenvat: ‘Van alles te veel en overal hetzelfde’. Der Kulturinfarkt stelt voor om de helft van de Duitse theaters, opera’s en musea te sluiten en het geld dat dat oplevert in te zetten voor nieuwe vormen van ondersteuning van de kunsten. De schrijvers kregen te maken met een zelden vertoond spektakel van scheldpartijen, hoon en bedreigingen. Duitse politici en burgers voelen zich diep verbonden met hun culturele instituten, maar voor vernieuwing is weinig belangstelling.

En zo valt de vergelijking tussen Nederland en Duitsland helemaal niet zo ongunstig uit. Duitsland is en blijft het land waar de beste regisseurs hun meest weidse theatrale dromen kunnen verwezenlijken en impact kunnen hebben op het maatschappelijke debat. Maar Nederland blijft, ook na de bezuinigingen, het land waar jonge kunstenaars makkelijker aan geld en gelegenheid komen om nieuwe artistieke vormen en praktijken te ontwikkelen. Op prestige wint Duitsland, op dynamiek Nederland. En qua geld? Laten we het houden op een gelijkspel.

Chapeau: Nieuw West

overig,Theatermaker — simber op 22 maart 2013 om 13:35 uur
tags: , , ,

Waar heeft Marien Jongewaard me al niet naartoe gesleept? Tochtige fabriekspanden, keurige keukens op het KNSM, winderige pleinen, sjieke musea, Frascati 2 om 4 uur ’s nachts, de Dam op in een blauwe vuilniszak met een jodenster erop geplakt. Maar niet alleen fysiek bracht hij me naar plekken waar ik soms liever niet wilde zijn. Nieuw West, naast Jongewaard bestaande uit Dik Boutkan en schrijver Rob de Graaf, is bij uitstek de theatergroep die de onaangename, pijnlijke en onverdraaglijke kanten van het de menselijke ziel in het licht zette.

Dat begon al met mijn eerste kennismaking: het schandaalstuk Jezus/Liefhebber (1998) dat Cyrus Frisch maakte met Jongewaard, De Graaf en en stelletje van de straat geplukte, schizofrene en drugsverslaafde daklozen, die in al hun ellendigheid rukkend, heroïne rokend en spatisch bewegend op het toneel stonden. Op een legendarische avond tijdens het Theaterfestival, waar de halve toneelgoegemeente tierend de zaal verliet heb ik geleerd wat ‘épater la bourgeoisie’ betekent.

De diversiteit van locaties, gimmicks en gastacteurs bij voorstellingen van Nieuw West was noodzaak: de teksten van De Graaf en het stormachtige spel van Jongewaard kun je welwillend ‘consequent’ of kwaadgezind ‘eenvormig’ noemen. Het vertrouwde bluesy huilen van Jongewaard ging altijd op nieuwe manieren over mensen aan de zelfkant van de samenleving, over zelfmutilatie en over haat tegen burgerlijkheid en de consumptiemaatschappij.

Uiteindelijk is Nieuw West het theaterequivalent van een punkbandje: het gaat niet over de drie akkoorden waaruit alle liedjes bestaan, maar om de authentieke woede, pesterigheid en de attitude waarmee het gebracht wordt. Onderdeel van de lol van een voorstelling als Pleinvrees (co-productie met Lotte van den Berg’s Omsk) is dat op welk naargeestig hangplein je Jongewaard ook neerzet, hij als speler altijd de ruigste en meest intense persoon aanwezig is.

Het is jammer dat Nieuw West nu geen rijkssubsidie meer krijgt. In hun meest recente voorstelling Lokjoden deed Boutkan na lange afwezigheid weer mee en het was het fijne avond waarin het publiek weer even goed gejend werd. Juist in tijden van groeiende nadruk op publieksvriendelijkheid lijkt de confronterende instelling van een groep als Nieuw West me onontbeerlijk voor het theaterbestel.

Ik houd me maar vast aan de geschiedenis: de vorige keer dat de subsidie van Nieuw West werd stopgezet, bleef de groep zonder geld gewoon vier jaar zo onontkoombaar dooretteren dat bij de volgende ronde het Fonds niet anders kon dan ze weer opnemen in het bestel. Ik hoop dat Nieuw West nog lang ontuitroeibaar zal zijn.

 

 

Voorstuk Kwartet

interviews,Parool — simber op 20 maart 2013 om 10:00 uur
tags: , ,

Kun je Heiner Müller grunten? Dat lijkt de vraag bij de voorstelling Kwartet: een powerballad van de net afgestudeerde theatermakers Naomi Velissariou en Urland. Ze lieten zich inspireren door Death Metal-bands als Slayer en Carcass en maakten van Müllers toneelstuk over macht, seks en manipulatieve geilheid een extreme performance die deze week in Frascati te zien is.

Urland is een jong performancecollectief, onstaan op de Toneelacademie in Maastricht. De vier mannen van Urland lijken geobsedeerd door harde muziekstromingen: hun eerste voorstelling heette Gabberopera. Actrice Naomi Velissariou, toendertijd klas- en huisgenoot van Urland-lid Ludwig Bindervoet, zag die voorstelling en was meteen enthousiast: “Het had een sterke beeldtaal, en een energie waar ik opgehitst van raakte.” Uiteindelijke samenwerking lag voor de hand.

De Belgische actrice Velissariou (1984) viel op in de voorstelling Tartuffe van NT Gent en Toneelgroep Amsterdam waarin ze stage liep, en maakte afgelopen herfst al een eigen voorstelling bij Frascati, Mr Jones. Maar ze studeerde ook theaterwetenschap in Antwerpen. “Ik ben dramaturg én acteur”, zegt ze in een Amsterdams café. Haar combinatie van speeldrift en analytisch denken liet ze expliciet terugkomen in Mr Jones: “Ik speelde in die voorstelling een lijdende vrouw, maar tegelijk beschreef ik op meta-niveau wat er gebeurde, en wat het publiek hoorde te voelen.”

Heiner Müller heeft haar belangstelling al sinds theatermaker Sam Bogaerts haar met de Duitse schrijver kennis liet maken op de toneelschool. In Tartuffe werd ze vervolgens geregisseerd door Dimiter Gotscheff, een van de belangrijkste Müller-regisseurs van Duitsland. Kwartet is misschien wel zijn bekendste stuk: een rauwe, cynische variatie op het verhaal van Les Liaisons Dangereuses, waarin een man (Valmont) en een vrouw (Merteuil) hun sexualiteit en hun taal inzetten in een harde onderlinge machtsstrijd.

Velissariou: “Müller was nooit helemaal tevreden over dit stuk. Het lijkt bijna psychologisch-realistisch en soms wordt het ook zo gespeeld, maar dan mis toch je de point. Ik denk dat het eigenlijk niet door mensen gespeeld kan worden. Het zijn constructies van taal en geen psychologische identiteiten. En ze spreken in het stuk voortdurend over hun lichaam als over een machine. Vanuit mijn achtergrond in gender studies vind ik het interessant om de personages te bekijken als cyborgs, als mensen zonder lichaam.”

Tijdens het maken van de voorstelling botste het soms tussen de meer analytische Velissariou en de improviserende aanpak van Urland. “Zij gaan uit van kostuums, geluid, beeld en sfeer om een voorstelling te maken, ik meer van een inhoudelijk idee.” Maar alles viel op z’n plaats toen ze Death Metal erbij haalden. “In die muziek vonden we dezelfde tegenstrijdigheid als in de tekst van Müller: in het extreem esthetiseren van de dood zit een absurde lieflijkheid en een enorme vitaliteit.”

“Bovendien stralen die muzikanten een interessant idee over mannelijkheid uit, met hun sluike haar en hun make-up. Het zijn heel nerderige jongens, half man, half nymf. In interviews voldoen ze graag aan het mannelijke rock ’n roll cliché, maar het is een hyper-emotionele mannelijkheid. Dat had ook z’n uitwerking op ons: vanaf het moment dat we de kostuums aantrokken werd ik een man en werden zij vrouwen.”

Velissariou werd geboren in Vlaams Limburg en wilde eigenlijk politicus worden. “Op de middelbare school was ik een nerderig meisje dat de kranten niet vertrouwde en in de pauze persberichten zat na te zoeken.” Maar vlak voordat ze politicologie zou gaan studeren kreeg haar liefde voor taal de overhand en deed ze auditie voor de toneelschool in Antwerpen, “In het geheim, want mijn vader vond dat helemaal geen goed idee.”

Een paar jaar later verhuisde ze naar Nederland. “Op dit moment is het voor jonge theatermakers makkelijker in Vlaanderen. Maar de scene is veel kleiner. Nederland is groter en veel diverser; er is naast repertoiretoneel ook mime en performance enzovoort. Maar ik vind het wel lastig dat kunstenaars in Nederland nu zo sterk worden afgerekend op hun publieksbereik. Verkopen is een vak en het zou zeker niet je primaire vaardigheid moeten zijn als theatermaker. Er zijn ongetwijfeld briljante kunstenaars die niet weten hoe ze dat moeten doen. Die vallen nu buiten de boot.”

Kwartet; een powerballad van Urland en Naomi Velissariou. 14 t/m 16/3 in Frascati. www.theaterfrascati.nl

Profiel Alvis Hermanis

overig,Parool — simber op 13 maart 2013 om 09:44 uur
tags: , ,

Hij is een van de meest vooraanstaande theaterregisseurs van Europa, maar in Nederland nog een grote onbekende. Daar gaat deze maand verandering in komen: de Stadsschouwburg nodigde maar liefst vijf voorstellingen uit van de Letse regisseur Alvis Hermanis uit in het kader van het programma ‘Brandstichters’. Zaterdag is de eerste te zien: Sommergäste.

Het is niet voor het eerst dat Hermanis’ werk naar Nederland komt. Een paar jaar geleden was Sounds of Silence een succes in Rotterdam (de voorstelling is volgende week twee dagen te zien) en vorig jaar, toen het door Johan Simons geleide gezelschap Münchner Kammerspiele onderwerp was van een vergelijkbaar evenement, werd zijn voorstelling Ruf der Wildnis, een performance voor zes acteurs en evenveel honden, getoond.

De gigantische, ongekend gedetailleerde decors en kostuums in Hermanis’ voorstellingen én die honden zijn de sleutels tot zijn werk: enerzijds het intellectuele denkwerk en precisie en anderzijds de wilde, dierlijke vrijheid die de acteurs moeten zoeken in die ruimtes. Hij blijkt daarbij fan van de Nederlandse en Vlaamse acteurs (zoals Elsie de Brauw en Katja Herbers) met wie hij de voorstelling Wassa maakte in München.

Alvis Hermanis (Riga, 1965) groeide op in de Sovjetrepubliek Letland, toen nog onderdeel van de USSR. Hij ging naar de toneelschool en werd acteur. Na de val van het ijzeren gordijn ontwikkelde hij zich tot regisseur en sinds 1997 is hij artistiek leider van het Nieuwe Theater in Riga. Daarnaast regisseert hij veel in het Duitse taalgebied, onder andere in Wenen, Keulen en München. In Duitsland is hij een gevierd kunstenaar. Hij won de uiterst prestigieuze Nestroy prijs en werd uitgenodigd voor het Theatertreffen in Berlijn.

De vijf voorstellingen die de komende maand in Amsterdam te zien zijn geven een goed beeld van zijn zeer diverse werk. Sommergäste en Wassa zijn twee stukken van de Russische schrijver Maxim Gorki, Sound of Silence en Long Life zijn twee grotendeels woordloze voorstellingen over Letland, de eerste over Hermanis’ jeugd, de tweede over de overbodige generatie na de val van het communisme. Väter tenslotte is een documentaire voorstelling, waarin drie Weense acteurs vertellen over hun vaders.

Het decor van Sommergäste alleen al is de gang naar de schouwburg waard. De Stadsschouwburg claimt dat het het grootste decor is dat ze ooit in huis hebben gehad. Het is een vervallen datsja, een art deco landhuis, dat eruitziet alsof het decennia lang heeft leeggestaan: de verf bladdert, de ruitjes zijn stuk, planten groeien naar binnen. Een badkuip, een griezelige elektra-installatie en een bed zonder matras staan er nog. De vloer ligt bezaait met boeken

Het lijkt onbewoonbaar, maar toch scharrelen hier nog mensen rond. Het zijn geen zwervers, maar intellectuelen; een dokter, een advocaat, een dichter. Ze zijn hier op zomervakantie en ze vervelen zich te pletter. Ze verliezen zich in gekibbel en onmogelijke liefdesavontuurtjes. Hun kleding –negentiende eeuwse korsetten, boezeroenen die ooit wit waren, jasjes met gaten– is net zo versleten als het huis. Ook hier snuffelt weer een hond tussen acteurs. Centraal staat advocatenvrouw Warwara, die de hele voorstelling op de divan midden in het decor hangt.

Hermanis’ werk wordt soms realistisch genoemd, en de eerste helft van Sommergäste zou je dat nog kunnen denken. Maar na de pauze wordt de voorstelling langzamerhand steeds absurder; er wordt over personages geroddeld waar ze naast staan, de vrouwen zitten in hun afgedragen ondergoed sensueel aan elkaar te plukken terwijl de mannen door alle gaten toekijken, een liefdesverklaring wordt bemoeilijkt doordat beide partijen een berg stoelen met zich meedragen, in de badkuip worden worstjes gegrilld.

De voorstellingen van Hermanis zijn over het algemeen slim én grappig, met een melancholiek mededogen met de worstelende mens. In bijna al zijn werk valt de omgang met taal op. In Sommergäste beuzelen de personages wat af, maar alleen in het onbeholpen uiten van hun driften worden ze sympathiek. In het internationaal bejubelde Sound of Silence wordt niet gesproken, de muziek van Simon & Garfunkel speelt de hoofdrol. In 1968 zou het duo een concert geven in Riga, maar dat werd op het laatste moment om politieke redenen afgelast. De veertien personages in een nauwgezet nagebouwde studentenwoning horen de muziek echter overal vandaan komen, als de soundtrack van hun leven.

Het is niet verwonderlijk dat Hermanis veel succes heeft in Duitsland. Voorstellingen als Sommergäste en Wassa zijn intellectueel aansprekend, maar ook ontroerend. Zelf heeft hij echter veel kritiek op het Duitse theater. “Er zijn eenvoudig gezegd drie kanalen tussen podium en publiek”, zei hij in een recent interview: “Hoofd, gevoel en erotiek. Het Duitse theater heeft grote problemen met die laatste twee. Bij mij geldt “body goes first”, pas daarna komen de tekst en de betekenis. Dat is ook het verschil tussen Duitse en Nederlandse toneelspelers: de Nederlanders zijn fysiek zeer aanwezig. Met Elsie de Brauw of Benny Claessens heb ik geen enkele intelectuele discussie gehad. We zijn liever gaan dansen.”

Brandstichter: Alvis Hermanis in de Stadsschouwburg, van 2/3 t/m 6/4.
www.ssba.nl/brandstichter

Voorstellingen:
Sommergäste van de Schaubühne Berlin: 2 en 3/3
Sound of Silence van Nieuw Theater Riga: 7 en 8/3
Long Life van Nieuw Theater Riga: 25 en 26/3
Väter van het Wiener Burgtheater: 3 en 4/4
Wassa van de Münchner Kammerspiele: 5 en 6/4

 

Recensie: ‘De Kersentuin’ van Hummelinck Stuurman

Er wordt een hoop Tsjechov gespeeld dit seizoen: Het Nationale Toneel bracht een moderne Drie Zusters, NT Gent speelt Platonov, Toneelgroep Amsterdam herneemt de compliatievoorstelling De Russen! en Oostpool maakte een revue van enkele kluchten van de Russische schrijver onder de titel Tsjechov. En dan was er nog De Kersentuin, waarschijnlijk zijn mooiste stuk, dat zaterdag in première ging in DeLaMar. De mooiste voorstelling werd het echter zeker niet.

De Kersentuin is het sluitstuk van een Tsjechov-trilogie, die vrije producent Hummelinck Stuurman de afgelopen drie jaar maakte met Gerardjan Rijnders als regisseur. De stellingkast in het decor herkennen we nog uit De Meeuw en Oom Wanja, net als een aantal acteurs, zoals Hein van der Heijden, Reinier Bulder, Eline ten Camp en Thomas de Bres.

Samen met Janine Brogt bewerkte Rijnders het stuk tot een vlotte, tamelijk komische, nog geen twee uur durende voorstelling over de lichtzinnige landgoedeigenares Ljoebova (Carine Crutzen), die na een verblijf in Parijs thuiskomt op ene failliete boedel die op een veiling verkocht zal worden. Handelaar Lopachin, rijk geworden zoon van een lijfeigene, weet de oplossing: bouw zomerhuisjes voor stedelingen. Maar daarvoor zal de kersentuin moeten worden omgehakt en dat is onbespreekbaar.

Het merkwaardige aan de voorstelling is de volstrekte visieloosheid van de regie. Je mag hier en daar lachen, er is een vleugje ontroering, maar nergens krijg je het idee dat het om iets wezenlijks gaat. Twaalf acteurs staan op het podium, allemaal met eigen verlangens en verhaaltjes, maar het zijn er te veel, en je zit je constant af te vragen wie nou ookalweer wat met wie wil.

Daar zitten overigens best een paar mooie rollen tussen. Reinier Bulder weet als de moederende oude bediende Firs een mooie toon tussen grappig en aandoenlijk te vinden; Crutzen en Van der Heijden (als de door biljart geobsedeerde broer van Ljoebova) zijn grote, vastgeroeste kinderen, de eerste een wulpse losbol, de laatste een dikdoenerige nietsnut; nieuwkomer Yara Alink weet als hitsig dienstmeisje als een van de weinigen een beetje gekte in de voorstelling te brengen

Want daar lijkt toch het grote probleem te liggen van deze Kersentuin. In een voorstelling die zo karig is met emoties, blijft alles keurig binnen de lijntjes. Aan het eind, als het landgoed daadwerkelijk verkocht wordt, is er een soort emotionele uitbarsting tussen de oude en de nieuwe eigenaar. Maar ook dit blijft veel te vlak, en onderstreept daarmee de saaie grauwheid van de voorstelling. Tsjechovs verloren personages verdienen beter.

De Kersentuin van Hummelinck Stuurman. Gezien 23/2/13 in DeLaMar. Tournee t/m 2/6. Meer info op www.tsjechov3.nl

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity