Recensie: ‘La Grande Bouffe’ van TGA en NTG

En weer valt het decor uit de lucht. Regisseur Johan Simons liet het eerder gebeuren in Platform (een berg vuilnis) en in Drei Farben (een auto), dit keer is het een berg in plastic verpakt vlees dat met een klap op het toneel terecht komt.

La Grande Bouffe (‘de grote schranspartij’), de schandaalfilm uit 1973 van Marco Ferreri over vier gegoede mannen die zich letterlijk dood eten, wordt nu op het toneel gezet door Toneelgroep Amsterdam en NT Gent. Voor Johan Simons is het zijn laatste regie in de lage landen voordat hij in september uit België naar Duitsland vertrekt om daar artistiek leider te worden van de Münchner Kammerspiele. Hij laat Nederland achter met een strenge waarschuwing over de functie van kunst, verpakt als verziekte komedie.

Simons dient de zaak op als een reconstructie. De twee vrouwen die bij het bacchanaal een rol spelen, een onderwijzeres (Elsie de Brauw) en een prostituee (Chris Nietveld), zetten de mannen in als zetstukken bij hun terugblik, en de voorstelling begint als de lijken al onder plastic liggen. De vier – een piloot (Jacob Derwig), een televisiepersoonlijkheid (Steven van Watermeulen, grotesk hilarisch), een rechter (Aus Greidanus jr.) en een chefkok (Wim Opbrouck, opvallend ingehouden maar daardoor grimmiger) – verzamelen zich in het buitenhuis van een van hen, kopen de meest exquise ingrediënten en gaan eten tot ze erbij neervallen. Seks is broodnodig en zo komen de vrouwen in het spel. Psychologie of motivatie worden niet bijgeleverd.

Al vaker hekelde Simons in interviews de afzijdige houding van het Nederlandse theaterpubliek dat liever amusement ziet dan polemiek, en nu zullen we het krijgen ook. We krijgen wanstaltige neptieten voorgeschoteld, seks tussen de vleeshopen, eindeloze poep en pieshumor en een scène als een ware schetensymphonie. De acteurs blijven hard komedie spelen ook al is het halverwege duidelijk niet meer grappig. Net als in Instinct hanteert Simons een geëxalteerde speelstijl, tegen het schmieren aan, waar mindere acteurs genadeloos mee door de mand zouden vallen. Alle middelen worden ingezet, steeds door de vrouwen geprepareerd op de requisietentafel achterop het toneel, op dezelfde manier als de mannen steeds nieuwe gerechten uit de keuken binnenbrengen.

De voorstelling speelt in een nogal kaal decor, maar heeft een zogenaamd ‘beeldconcept’ van kunstcriticus en curator Anna Tilroe, dat voornamelijk bestaat uit projecties op de achtermuur van min of meer bekende kunstwerken uit de afgelopen eeuw, van Willem de Kooning tot Joep van Lieshout en van Mapplethorpe tot Dumas. Soms zijn de beelden erg illustratief: wordt de chefkok geïntroduceerd, zien we een stilleven met fruit; bij de piloot hoort een (overigens erg mooi) schilderij van een enkel vliegtuigraampje. Dan weer zijn het poëtische associaties of zorgen ze voor contrast, zoals de eindeloze reeks beelden van vrouwen die zich in hun geslacht laten kijken, die een uitgebreid gesprek over eten begeleid.

Sowieso bestaat de tekst voornamelijk uit beschrijvingen van en lofzangen op eten. Recepten en menu’s  worden met erotische wellust voorgedragen, als de kok ruikt aan een van de vele slipjes die de prostituee uittrekt is zijn eerste associatie citroenmerengue. Eten en seks hebben voor deze mannen van positie gewisseld. Ze zijn ook niet zo oud als in de film en minder viriel, bijna fatjes met hun sjaaltjes, hun hoedjes en hun vestjes waarvoor ze elkaar complimentjes geven.

Zo is de link met het consumptiehedonisme makkelijk gelegd. Maar juist de beeldcollage en de copieuze stijl geven aan dat het Simons om meer gaat, namelijk de waarde van kunst zelf. Wij laten ons kunst opdienen om te consumeren, en dat is net zo decadent als deze mannen die zich dood eten. En dat is een inzicht om nog lang op te kauwen.

La Grande Bouffe van Toneelgroep Amsterdam en NT Gent. Gezien 28/2 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 6/3 en 7 t/m 17/4. Tournee t/m 15/5. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘Teorema’ van Toneelgroep Amsterdam

Een grijze woestijn. Dat moet vormgever Jan Versweyveld in zijn hoofd  hebben gehad bij het maken van het decor van Teorema. De hele, enorme vloer van de Rabozaal van de Stadsschouwburg is grijs gestoffeerd, net als de meubels, de wanden, de kasten en de gestileerde keuken. Net zo leeg en grauw is het innerlijk leven van de familie die hier woont.

Opnieuw brengt regisseur Ivo van Hove een filmbewerking op het toneel, Teorema van Pier Paolo Pasolini. In de vrijwel dialoogloze film (“slechts 923 woorden” aldus de tagline in 1968) komt een mysterieuze en aantrekkelijke gast op bezoek bij een rijk, burgerlijk gezin. Hij heeft sex met allevier de familieleden en met de huishoudster en vertrekt weer, hun leven in puinhoop achterlatend.

Van Hove voegt meer taal toe: de personages praten niet met elkaar, maar beschrijven hun handelingen in de derde persoon. Het werkt als krachtig effect van vervreemding en afstand, die doorwerkt in hun verlangen naar de gast, de jonge, charismatische acteur Chico Kenzari. Geen van de vijf kan direct met hem omgaan; De moeder (Chris Nietveld) raakt bedwelmd door zijn kleren, de vader (Jacob Derwig) praat met hem in dialogen uit De dood van Ivan Iljitsj van Tolstoj en de oudere huishoudster (Frieda Pittoors) verliest in een mooi frivole scène bijna de controle over haar stofzuiger.

Het is prachtig om te zien hoe vooral Nietveld en Pittoors als het ware opgetild worden door de aandacht en genegenheid van de jongeman. Het is niet alleen de sex, maar de troost en het leven in het moment die de personages tot een nieuw zelfinzicht brengt. Het vertrek van de gast is dan ook catastrofaal. De cleane huiskamer wordt een puinhoop, de muziek (van Eric Sleichim en strijkkwartet Bl!ndman New Strings) wordt atonaler en de personages zoeken allemaal een manier om  het verlies te compenseren van een passie die ze tot voor kort niet kenden.

De voorstelling is opvallend schematisch: de vijf personages schetsen een voor een hun leven; worden om de beurt verleid door de gast; nemen afscheid van hem; en gaan op hun eigen manier te gronde. Dat, gecombineerd met de onderkoelde vertelwijze, maakt dat de afstandelijkheid het in deze voorstelling wint van de heftigheid van de emoties die de gast oproept.

Net als in zijn vorige film-voorstelling Antonioni Project lijkt Van Hove op zoek naar een dramtische stilering die ineens heel ver verwijderd lijkt van warmbloedige en heftig emotionele voorstellingen als Opening Night en Angels in America. Er is veel te zien op het toneel –een kort optreden van een herdershond; een programma over stokstaartjes op een televisie achteraan; de schitterend uitgelichte achterkant van de oude zaal van de Stadsschouwburg die door de glazen achterwand te zien is; de muzikanten, die aan het begin en eind de vier dj-sets in de hoeken van het decor bedienen; Frieda Pittoors die warmte zoekt onder de synthetische vloertegels- maar de impact ervan is beperkt.

Overigens sprak regisseur Ivo van Hove vooraf enkele woorden naar aanleiding van de dood van Ramses Shaffy, waarbij hij de voorstelling aan hem opdroeg. Van Hove memoreerde Shaffy’s rollen bij Toneelgroep Amsterdam en beschreef de energie die de acteurs voelen als hij –tot vrij kort geleden- in de zaal zat.

Teorema van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 2/12 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 9/12. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘Kreten en gefluister’ van Toneelgroep Amsterdam

Als Agnes na een moeizame nacht wakker wordt zit er kots rond haar mond en haar haar ligt sliertig om haar smalle gezicht. Ze is ziek, stervend en lijdt hevige pijn. Ze wordt omringd door drie vrouwen, twee zussen die hulpeloos toekijken en een bediende die rustig en efficiënt de zieke verzorgd en bijstaat.

Kreten en gefluister is na Scènes uit een huwelijk de tweede film van Ingmar Bergman die regisseur Ivo van Hove voor het toneel bewerkt. Hij verplaatste het verhaal naar het heden en maakte van Agnes (getergd en krachtig gespeeld door Chris Nietvelt) een videokunstenares die haar stervensproces vastlegt op camera.

Het eerste deel is de voorstelling heeft nauwelijks tekst. In een klinisch, installatie-achtig decor -video-apparatuur en medische installaties vloeien in elkaar over- zien we bediende Anna (Karina Smulders) het ochtendritueel van Agnes uitvoeren; bed en kleren verschonen, voorzichtig ontbijt.
Zussen Karin en Maria (Renée Fokker en Halina Reijn) drentelen er hulpeloos doorheen. Pijnlijk scherp weten Van Hove de onmacht en de angst die bij ernstige ziekte hoort te vatten, zonder dat het illustratief wordt.

Er heerst een sfeer van grote kunstmatigheid: een overdreven soundtrack van buitengeluiden met hondjes en vogels, video’s van bloemen en zonlicht; alle natuur komt via luidspreker of beeldscherm. Het contrasteert enorm met strenge wit met grijze ruimte. Agnes doorbreekt de grauwheid door een wit vel te besmeuren met blauwe verf en haar eigen uitwerpselen in een hyperkinetische sterfscène. Een slingerende camera zwiept de projectie van Nietvelt’s getergde gezicht heen en weer over het langgerekte decor.

En daarna volgt nog een eindeloze, maar ongehoord mooie scène waarin Anna met een tweede vrouw het lichaam van Nietvelt schoonmaken en wassen, terwijl in nette pakken gestoken technici zakelijk het kille huis uitruimen en Fokker en Reijn nog steeds onbeholpen door het decor dolen.

Hierna kantelt de voorstelling. In een serie flashbacks leren we dat beide nog levende zussen vastzitten in een liefdeloos huwelijk (beetje clichématig verbeeld met twee mensen aan de hoofdeinden van een hele lange tafel), dat ze elkaar haten en geen intimiteit verdragen kunnen. Op de achtergrond werkt Nietvelt aan Agnes’ kunstwerken, projecties van baarmoeders die engelenvleugels worden. De scènes geven reliëf en nieuwe invalshoeken voor het ogenschijnlijk herkenbare begin, maar het wordt ook ineens teksttoneel, terwijl het daarvóór juist de prettige kunstmatigheid van een performance had.

Kreten en Gefluister speelt al een tijdje, maar de voorstelling voelde gisteravond toch als een première vanwege de plek waar hij werd opgevoerd: de nieuwe zaal van de Amsterdamse Stadsschouwburg. Regisseur Van Hove leidde de voorstelling kort in, wijzend op de bijzonderheid van een eerste keer spelen op een geheel nieuwe plek, waarvan je nog niet weet hoe hij voelt of klinkt. Welnu de zaal voelt en klinkt prachtig (op een hopelijk nog te verhelpen brom in de airconditioning na), en heeft een groot gevoel van gezamenlijkheid. In combinatie met deze voorstelling bijna kerkelijk.

Kreten en gefluister van Toneelgroep Amsterdam. Gezien in de Stadsschouwburg 14/4/09. Aldaar t/m 18/4. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: Ifigeneia in Aulis van Toneelgroep Amsterdam

Ook op het toneel wordt ons beeld van wat oorlog is voornamelijk bepaald door het Amerikaanse leger. Het decor van de nieuwe voorstelling van Toneelgroep Amsterdam bestaat uit rijen plastic poppen –een soort crash test dummies met dogtags– in een stofvrij magazijn. Vooraan een mobiel commandocentrum, een klein huisje op palen zoals je dat vaak naast ambassades ziet. Clean maar dodelijk efficiënt wapentuig, klaar voor actie.

TGA heeft al een aantal jaar een samenwerkingsverband met het American Repertory Theatre uit Boston. Eerder maakten de twee groepen Hemel boven Berlijn, nu komt artistiek leider Robert Woodruff naar Nederland om Ifigeneia in Aulis te maken, de klassieke tragedie van Euripides. Het is een nogal onevenwichtige voorstelling geworden waarin de verschillende elementen van Woodruff’s regie maar geen geheel willen vormen en het aan de fantastische acteurs van het Amsterdamse ensemble is om de zaak te redden.

Ifigeneia is de dochter van Agamemnon (opvallend zwaarmoedig gespeeld door Roeland Fernhout), bevelhebber van het Griekse dat op weg is naar Troje. De vloot ligt echter stil in de baai van Aulis; er is geen wind. Een orakel zegt dat alleen het offeren van Ifigeneia door haar vader de goden gunstiger kan stemmen. Agamemnon laat zich meeslepen door de eigen logica van de oorlog en laat zijn dochter onder een vals voorwendsel naar het legerkamp komen, vergezeld van haar moeder Klytaimnestra.

Chris Nietveld’s Klytaimnestra is een kruising tussen koningin Fabiola van België en Liz Taylor ten tijde van Virginia Woolf. Met haar lakjas en haar plissee jurkje past zij op geen enkele manier bij de oorlogsmachine. Pas als zij halverwege de voorstelling achter de werkelijke beweegredenen van haar man komt en met hem de confrontie zoekt krijgt de voorstelling spanning en gevoel. Na haar recente Theo d’Or winst voor Romeinse Tragedies speelt Nietveld wederom een grootse rol, waarin diep drama en een lichte toets wonderwel samengaan.

Verder blijft de voorstelling merkwaardig vormelijk. Wellicht heeft dat te maken met de tamelijk zakelijke vertaling van Gerard Koolschijn die niet zo goed past bij de heftig emotionele stijl van het huidige gezelschap onder Ivo van Hove.

Het koor, dat de volgens de regels van de klassieke tragedie tussen de scènes door de handeling becommentarieert, zingt de teksten in het oud-Grieks op electronische klanken van componist Gene Carl. Het blijft een fremdkörper in de voorstelling. De muziek klinkt ingeblikt en de vijf zangeressen –verbonden aan Opera Studio Nederland- hebben te weinig présence tussen de toneelkanonnen.

Daar heeft Marwan Kenzari geen last van. Deze jonge acteur maakt op enthousiaste wijze zijn debuut in de grote zaal. Met zijn sterke aanwezigheid en soepele tekstbehandeling zal hij vanaf volgend seizoen wanneer hij een vaste aanstelling krijgt een welkome aanvulling vormen in het tableau van TGA.

Het moeilijkste deel van het stuk zit kort voor het eind. Ifigeneia –een jong meisje dat tot dan toe bang is voor de dood- besluit ineens dat ze wíl sterven. Het leidend voorwerp eist ineens de hoofdrol op. Dat is een raadselachtige omslag en geen regisseur ontkomt eraan om hier een duidelijke reden voor te geven. Kiest ze de dood uit plotseling doorbrekend plichtsbesef, puberale grootheidswaanzin of romantisch nationalisme? Een heldere keuze blijft uit en dat maakt deze voorstelling stuurloos. Het is te prijzen dat Karina Smulders in de titelrol desondanks enkele zeer mooie scènes neerzet.

Overigens is dit niet de eerste voorstelling van een gastregisseur bij Toneelgroep Amsterdam die zo slecht uit de verf komt. Voorstellingen van Pierre Audi, Theu Boermans en Gerardjan Rijnders haalden de afgelopen jaren bij lange na niet het niveau van die van artistiek leider Ivo van Hove. Dat is niet onlogisch –Van Hove zit op een uitzonderlijke creatieve piek en hij zet het gezelschap zoveel mogelijk naar zijn hand-, maar een beetje zorgelijk is het wel.

Ifigeneia in Aulis door Toneelgroep Amsterdam. Gezien 12/10/08 in de Stadsschouwburg. Aldaar nog 14-15/10, 18-28/11 en 27-31/2/09. Tournee. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘Romeinse Tragedies’ van Toneelgroep Amsterdam (Holland Festival)

En zo werd het toch nog het seizoen van Ivo van Hove. In september gooide hij een flinke steen in de vijver met zijn negenpuntenplan voor het theater. Daarna vertrok hij en maakte hij voorstellingen in Hamburg en Brussel, maar nu op het laatste randje van het seizoen is Romeinse Tragedies een van zijn meest indrukwekkende voorstellingen geworden.

In de zes uur durende monsterproductie over het politieke bedrijf worden drie tragedies van Shakespeare over het klassieke Rome in één magistrale krachttoer zonder pauze achter elkaar gespeeld, in een open setting, waarbij het publiek het podium op mag en tussen de acteurs op de jaren zeventig-banken mag zitten en een drankje en een broodje kan bestellen aan de bar.

Het is een vorm die Toneelgroep Amsterdam al eerder onderzocht in de voorstellingen van Carina Molier, zoals Huis van de Toekomst en Ruigoord 2. Overal is de handeling te volgen op beeldschermen, en het informatiebombardement wordt compleet gemaakt door beelden van talkshows, weerberichten, sportwedstrijden en videoclips, plus nog een lichtkrant met achtergrondinformatie, de koppen van Teletekst en droog commentaar als “Nog 180 minuten tot de dood van Julius Caesar”.

In de eerste twee delen, Coriolanus en Julius Caesar, ligt het tempo hoog en gaan over het belang van imago in de politiek. Coriolanus is een militair die het niet zo op heeft met het gewone volk en daarom verbannen wordt en verraad pleegt, ondanks de inspanningen van de mannetjesmakers en de spin-doctors om hem heen. We belanden in de wereld van openstaande microfoons en cameraploegen achter de schermen. Het publiek op de sofa’s en aan de bar lijkt soms op toehoorders of VIP-spotters, maar zou soms ook prima een groepje verveelde parlementair journalisten kunnen zijn.

Aan de retorica van Shakespeare’s taal wordt steeds de retorica van het beeld toegevoegd. Het mooist komt dat tot uiting in de redes die Brutus en Marcus Antonius houden bij het graf van Caesar. Brutus (Jacob Derwig, mooi beheerst) houdt een keurige persconferentie, maar Antonius (een zinderende Hans Kesting) breekt de regels van het spel, toont authenticiteit en dwingt de camera hèm te volgen in plaats van andersom.

Die scène is het draaipunt van de voorstelling, ervóór is de politiek nog een zaak van de ratio, erna is alles alleen maar persoonlijk. Het is de opzet voor het derde stuk: Antonius en Cleopatra, waarin de liefde van Antonius voor de Egyptische koningin hem ten onder drijft in de burgeroorlog tegen Octavianus (een onderkoelde Hadewych Minis).

Niet alles in de voorstelling werkt: de meer ingetogen scènes, waarin het spelen met vóór en achter de schermen van minder belang is, zoals de samenzwering rond Brutus, hebben te lijden onder de open vorm. Het laatste uur, de klaagzang van Cleopatra (zeer knap gespeeld door Chris Nietvelt), is lang en na het hoge tempo is de verstilling tastbaar, maar ook zwaar.

Als aan het eind Bob Dylan The times they are a-changin’ zingt, blijkt die verandering niet te gaan over de overwinning van democratie en vrijheid, maar juist over de opkomst van de dictatuur. Octavianus brengt weliswaar vrede en voorspoed, maar symboliseert een berekende realpolitik, waarin voor idealisme geen plaats is; precies datgene waar alle personages de afgelopen zes uur tegen gestreden hebben.

Holland Festival: Romeinse Tragedies van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 17/6/07 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 23/6, en later weer in augustus, tournee. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: Opening Night van Toneelgroep Amsterdam en NT Gent

In dit toch wat karige toneelseizoen blijken Toneelgroep Amsterdam en NT Gent keer op keer te zorgen voor interessante en geslaagde voorstellingen. De verwachtingen voor een coproductie van deze twee gezelschappen waren dan ook hooggespannen en Opening Night maakt die alleszins waar.

Opening Night is gebaseerd op de gelijknamige film van John Cassavetes uit 1977. Daarin speelde Gena Rowlands de ouder wordende actrice Myrtle die in een toneelstuk een ouder wordende vrouw moet spelen en in de laatste dagen voor de première hopeloos met zichzelf in de knoop raakt. Directe aanleiding voor haar crisis is de dood van een jong meisje die haar na een try-out als geobsedeerde fan aanklampt en een ogenblik later wordt aangereden door een auto.

Regisseur Ivo van Hove en zijn vaste ontwerper Jan Versweyveld plaatsen het theater centraal in deze voorstelling, door letterlijk een toneel op het toneel te zetten, met kleedkamers en technici links en een extra tribune voor vijftig man publiek rechts op het podium. Zo kijkt de grote zaal naar een dwarsdoorsnede van een kleine zaal. De grote groep acteurs speelt het stuk-in-het-stuk voor het publiek op het podium en hun privé-besognes voor de grote zaal. Deze twee toneelvloeren worden aangevuld met live beelden van rondlopende cameramensen. Hun kadrering geeft extra reliëf aan de moeizame relaties tussen de personages.

Het resultaat is in de eerste plaats een fantastisch ensemblestuk, waarin van Hove met name de jongere acteurs van zijn TGA troupe de kans geeft te schitteren. De beheersing die Jacob Derwig en Fedja van Huêt aan de dag leggen bij het spelen van twee tempramentvolle mannen is buitengewoon spannend en Hadewych Minis kan moeiteloos schakelen van kinderlijke lolita naar gevaarlijke demon. Maar ook een oudgediende als Chris Nietvelt speelt de schrijfster van het toneelstuk-in-het-stuk op fenomenale wijze. Onder haar lachwekkende excentriciteit suggereert zij peilloos diep drama en daarmee wekt ze medelijden.

Maar zij staan allen in de schaduw van Elsie de Brauw die hier de rol van haar leven speelt. Het gevecht dat Myrtle moet leveren -tegen het ouder worden, tegen de geest van de overleden fan, tegen de verwachtingen die de regisseur en haar medespelers van haar hebben- wordt door De Brauw overrompelend intens geacteerd.

De strakke regie van Van Hove, ondersteund door melancholieke liedjes van Neil Young, geeft de voorstelling samenhang en vaart, maar laat ook vragen open. Waarom bijvoorbeeld zijn alle acteurs tien jaar jonger dan hun rol gecast? Ook het einde, met een gelouterde Myrtle, is misschien erg zoet, maar wat geeft het, na zo’n fijne avond toneel.

Toneel Opening Night van Toneelgroep Amsterdam en NT Gent. Gezien 7/4/06 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 12/4. Tournee t/m 27/5

« Vorige pagina
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2019 Simber | powered by WordPress with Barecity