De levensdrift van Boukje Schweigman

beschouwingen — simber op 24 februari 2014 om 10:49 uur
tags: ,

(Ik schreef dit stuk voor de zomer voor het Frascati Magazine. Het werd later opgenomen in het programmaboekje van Het Universum van Schweigman&.)

Regisseur en mimespeler Boukje Schweigman maakt al tien jaar de ene intrigerende voorstelling na de andere: intieme, beeldende, poëtische theaterwerelden die de verbeelding prikkelen en de zintuigen zachtmoedig ontregelen. In januari presenteert Frascati vijf van haar voorstellingen in Het Universum van Scheigman&. Theaterjournalist en fan van het eerste uur Simon van den Berg doet een poging de essentie van dit woordeloze universum in woorden te vatten.

De zweep raakt net iets te hard het puntje van mijn schoenen. Een speler haalt voorzichtig mijn bril van mijn neus en onderzoekt hem alsof het iets volstrekt nieuws is. Ik beklim door het mulle zand een hoog duin. Ik schreid met een iets te warme, lichtblauwe pij door de gangen van een labyrintisch theater. Ik lig op een traag draaiende schijf; ik kan bijna de lange haren van de speelster die boven me hangt aanraken, maar dan zijn we allebei alweer verplaatst. Een andere speelster klimt in het pikkedonker via de armleuningen van mijn stoel de tribune op.

Boukje Schweigman is bekend geworden met dit soort unieke, fysieke ervaringen die ze haar toeschouwers geeft. De voorstellingen die ze regisseert –en waarin ze vaak meespeelt– horen thuis in het vakje mime, maar ontstijgen dat label. Haar voorstellingen sluiten je op in een eigen, poëtische werkelijkheid. Dat begint vaak al met een individuele, rituele reis, die je als toeschouwer moet maken voordat je in de voorstelling mag binnendringen. Vervolgens beland je altijd in een bijzondere ruimte (meestal ontworpen door scenograaf Theun Mosk). Maar haar werk  gáát uiteindelijk niet over die bijzondere omgevingen. Die scheppen alleen de voorwaarden voor iets anders, voor een fysieke, innerlijke beleving.

Als schrijver en recensent is het altijd lastig om over het werk van Schweigman te schrijven. Want datgene waarover het gaat laat zich eigenlijk niet zo goed vatten in taal. Ook ik verval in clichés over ‘magisch theater’ dat zonder woorden ‘iets essentieel menselijks’ vertelt. Toch wil ik een poging wagen om te verwoorden wat het onzegbare is dat haar voorstellingen meestal uitdrukken.

Boukje Schweigman (Zambia, 1974) groeide op in Groningen en studeerde na omzwervingen langs vele studies in 2003 af aan de mimeopleiding in Amsterdam. Ze viel al tijdens haar studie op. Tijdens het ITS in 2002 zag ik Dooier, een performance voor Schweigman en een grote rode bal, in een ruimte waarin het publiek helemaal was ingesloten in rode doeken. Achter de doeken maakte een muzikant een soundscape die van alle plekken tegelijk leek te komen. Hier was een kunstenaar aan het werk die groots en eigenzinnig durfde te denken, die al een geheel eigen stem en vorm had en die tegelijk als performer een magnetische energie leek te hebben.

Het werk dat ze hierna maakte leek in twee categorieën uiteen te vallen. Enerzijds maakte ze voorstellingen die het publiek op sleeptouw namen door een of meerdere ruimtes, zoals Klep (2003), Ruim (2004) en Weef (2005). Anderzijds waren er de performances met Schweigman zelf in het centrum en het publiek ‘gewoon’ op een tribune, zoals Benen (2003), Grond (2004) en Wervel (2005) De voorstellingen uit de eerste categorie werden exemplarisch voor het zogenaamde  ‘ervaringstheater’, theater waarin het publiek een actieve rol krijgt en waarin de individuele, persoonlijke beleving centraal staat. Zo werd het publiek in Klep rondgereden in afgesloten karren met luikjes die steeds een lichaamsdeel van een van de spelers toonden, en was Ruim een sprookjesachtige rondgang door het voormalige Kruithuis van Den Bosch.

Opvallend genoeg kende de inhoud van al die voorstellingen grote overeenkomsten. Een van de belangrijkste kenmerken van het werk van Schweigman is dat haar ‘personages’ vrijwel altijd een fundamentele verandering doormaken. De voorstellingen zijn dus lineair en niet cyclisch (het einde is hetzelfde als het begin) of statisch (variaties op één situatie).

In het toneel is dat misschien niet zo bijzonder, maar in de mime wel. En dat heeft te maken met de vraag: als een mimer op het podium staat, als wie staat hij er dan? Een toneelspeler staat op het toneel als een personage, of – moderner – als toneelspeler die een personage speelt; een cabaretier of stand-upper is min of meer zichzelf; een danser kan zichzelf wegtoveren in de abstractie van de beweging. Maar een mimer staat vooral op toneel als levend lichaam.

Dat klinkt ingewikkeld, maar de lichamelijkheid van de spelers van Schweigman is onmiskenbaar zodra je een van haar voorstellingen ziet. Ergens moet ik altijd denken aan dieren: haar spelers stralen kracht, intelligentie en rust uit, maar dat allemaal zonder ratio. Zielen zonder geest. Daarom zette ik eerder ‘personages’ tussen aanhalingstekens. Ze spelen niet een rol, hun zwijgende lichamelijkheid maakt ze geschikt voor de ultieme rol: dé mens.

Ergens op een intuïtief niveau moet Schweigman begrepen hebben dat die unieke combinatie – intieme ruimtelijkheid; lineair verloop; spelers die ‘dé mens’ vertegenwoordigen – het raamwerk kan vormen om de allergrootste verhalen te vertellen.

En dus kom je altijd haar voorstellingen uit met het gevoel dat je iets hebt meegemaakt dat gaat over leven, dood, groei, levenslust, evolutie of God – afhankelijk van je opvoeding. In Benen zie je een embrynaal lichaam groeien, zich oprichten, met vallen en opstaan leren lopen, rennen. In Grond verheffen twee lichamen (Schweigman zelf en de oude danser Jaap Flier) zich uit een dikke laag aarde op het podium. De jonge zoekt de helwitte bol licht die eerder te zien was, de oude wil terug de grond in. In Dreef (mijn persoonlijke favoriet) zit het publiek binnen in een ronde drijvende bol. Via de open onderkant zie je eerst schaduwen voorbijzwemmen, even later kruipen de spelers naar binnen, leren lopen, klimmen, en vertrekken aan het eind door een opening in het dak.

Je kunt die afzonderlijke voorstellingen zien als beschouwingen over groei (Benen), leven en dood (Grond) of de evolutie van levende wezens (Dreef), maar daarmee doe je Schweigmans werk tekort. Juist als je meer van haar werk ziet, valt je op dat die thema’s hetzelfde zijn, alleen op een andere schaal. Haar oeuvre is als een fractal, waarin je steeds dezelfde patronen herkent als je in of uitzoomt.

En, net als fractals ontstaan uit één formule, ligt er denk ik één principe ten grondslag aan vrijwel al het werk van Boukje Schweigman. Dat principe is levensdrift: de oerkracht die ons als kind, als mens, als diersoort vooruit jaagt, verder, sneller en hoger dan we ooit geweest zijn, ookal weten we niet waarom of waarnaartoe.

Maar die levensdrift krijgt een opzienbarende dimensie juist doordat haar voorstellingen lineair zijn. In bijna al haar werk zit een moment waarop de spelers het publiek ‘ontdekken’. In Ruim ben je geruime tijd door een gebouw geloodst, en op de binnenplaats maken de spelers daadwerkelijk contact. Ze kijken je aan, betasten je gezicht, pakken je bril en proberen hem uit. Ook in Tussen zit een moment dat de spelers, eerst nog een ineengevouwen kluwen lijven, ineens het publiek aankijken. En in Dreef is er het moment in de evolutie van de zwemmende wezens dat ze zich kunnen verstaan met de andere schepsels in de bol.

En dan gebeurt het; datgene dat voor mij het essentiële wonder is van Schweigman’s voorstellingen: de spelers verlaten ons en gaan vérder. Ruim eindigt met de spelers die door de poort het gebouw verlaten en de wijde wereld in trekken. In Tussen klimmen de spelers via de armleuningen de tribune op. In Dreef gaan ze er via het dak vandoor; “up and out”.

Dan voel je als toeschouwer heel even het cruciale wezen van het leven: dat dit moment tijdelijk is. Een kort rustpunt in de reis naar iets dat verder en hoger is dan we ooit geweest zijn. Dat we straks iemand anders zijn dan nu, dat ook de mens zelf –met z’n inzichten en rationalisaties, met z’n gevoelens en mystiek, met z’n kunst en z’n wetenschap– maar een tussenstation is op de kosmische tocht van het leven zelf.

Daar zit de schoonheid van al haar voorstellingen, van Dooier tot Blaas: het is een oeuvre vol plekken waar je even kunt stilstaan bij het grote panta rhei. Momenten van reflectie op datgene dat eigenlijk onzegbaar is: dat je hier bent en straks niet meer.

Recensie: ‘Spiegel’ van Schweigman&

Parool,recensies — simber op 27 september 2012 om 22:26 uur
tags: , , ,

Als het over theater gaat wordt het woord magie vaak misbruikt, maar hier is het een keer echt op zijn plaats: de voorstelling Spiegel van Boukje Schweigman is een magische belevenis, een serie beelden van onaardse schoonheid en een diepzinnige beschouwing over mens zijn.

Door een smalle kier in een lange wand zie je eerst flikkerende schimmen in rood en wit. Dan worden langzaam figuren duidelijk. Vliegen ze? Zweven ze gewichtloos? Drijven ze vlak onder een wateroppervlak? Zijn astronauten in een ver universum of embryo’s in een baarmoeder?

Zoals altijd bij de voorstellingen van Schweigman is het decor, of liever gezegd de installatie, ontworpen en belicht door Theun Mosk. Hij plaatste het publiek aan weerszijden van een grote doos, maar geeft ons maar een smalle streep waardoor we de beelden kunnen zien. Opnieuw werkt hij in het begin met onwaarschijnlijk weinig licht, zodat de lichaamloze gezichten van de twee spelers/dansers (Marinke Eijgenraam en Toon Kuijpers) geestverschijningen worden in een peilloze diepte.

Later in het scherpe witte licht ontdekken de twee elkaar, kruipen hangend en vliegend naar elkaar toe, worden zichzelf gewaar in de spiegel uit de titel – die nog een prachtige verrassing herbergt – en zoeken éénwording met zichzelf. De spelers zijn niet alleen volledig beheerst, maar ook op een indrukwekkende manier leeg. Ze kijken naar zichzelf en naar ons zoals dieren kunnen kijken, of baby’s: peinzend, maar zonder gedachtenwereld.

Schweigmans beelden zijn altijd verraderlijk eenvoudig, maar blijken altijd oneindig gelaagd. En in het gebruik van spiegels, water en zwaartekracht doet haar werk nu meer dan ooit denken aan dat van de IJslandse kunstenaar Olafur Eliasson. Je zou kunnen interpreteren dat de voorstelling gaat over de evolutie van de mens, of over de mythe van Narcissus die verliefd werd op zijn eigen spiegelbeeld, of over lichamelijke vervreemding.

Schweigmans thema’s zijn vaak te banaal om op te schrijven, maar nu al zo’n tien jaar lang weet ze samen met Mosk in bijna iedere voorstelling op indringende wijze iets onzegbaars duidelijk te maken over het lichamelijke dier dat mens heet. Spiegel is gewichtloos theater van ondragelijke zwaarte.

Spiegel van Schweigman&. Gezien 27/9/12 in Frascati WG. Aldaar t/m 14/10. Tournee t/m 15/12. Meer info op www.schweigman.org

Recensie: ‘LIstEn & See (LIES)’ van Oostpool en Ward/Ward

“Arnhem till I die” staat er op ronde, rode stickers overal in de Stadsschouwburg. Toneelgroep Oostpool is er een week neergestreken om haar veelzijdigheid te tonen aan het Amsterdamse publiek: lezingen, films en feesten, repertoire in een moderne jas (De Misantroop van Molière in regie van Erik Whien) en experimenteel beeldend theater. In die laatste categorie valt de première van de voorstelling LIstEn & See (LIES) die regisseur Marcus Azzini maakte met de Vlaamse choreografe Ann Van den Broek.

Een echte versmelting van toneel en dans stond beide makers voor ogen en daarin zijn ze zeker geslaagd; dansers praten en toneelspelers (en een paar mimers) dansen en geen moment ziet dat er raar of onnatuurlijk uit. De vorm borduurt sterk door op de eerdere beeldende voorstellingen van Azzini (zoals Er moet licht zijn en Een kleine zeemeermin), en wint aan kracht door de strakke vormentaal van Van den Broek. Alleen inhoudelijk is het zeer mager.

Vier spelers van Oostpool en vijf dansers en danseressen van Ward/Ward staan al voor aanvang als bevroren op het toneel, in nonchalant modieus zwart gekleed. Zodra het zaallicht dooft rennen ze  kriskras over het toneel, meestal alleen, maar steeds met botsingen en korte, heftige momenten van contact: zoenen, droogneuken, elkaar in de houdgreep nemen, of doen alsof de een de ander vermoord, met bewegingen als uit een videogame. Ze staan in het koude licht dat uit tl-buizen aan een vierkant plafond (ontwerp Theun Mosk) op hen schijnt.

Dan valt plotseling het plafond naar beneden. De spelers lijken het nu omhoog te houden, de kleinste met de armen uitgerekt, de grootste torst het gewicht op zijn schouders, het hoofd gebogen. Maar steeds blijven ze bewegen; ze tillen het helverlichte plafond hoger en laten het zakken, het helt een kant op als de lange jongens eronder naar één kant bewegen. En steeds onttrekt één van hen zich aan het ondersteunen om over zichzelf te praten.

En dat is nou jammer. Want die teksten (van Hannah van Wieringen), in krakkemikkig engels, zijn vrij banale puberclichés van onbegrepen individuën die zich door niets willen laten binden. Help toch liever mee die plaat omhoog te houden, wil je ze toeroepen. Of je de vermorzelende dreiging van het plafond nu ziet als de voortdenderende crisis of de onvermijdelijke dood, tegenover zo’n sterk beeld moet je even dwingende taal zetten óf zwijgen.

Wat er overblijft is vampiertoneel: de spelers zijn sexy maar eenzaam; de voorstelling is mooi, maar bloedeloos.

Oostpool is een van de weinige regionale theatergroepen die zo enthousiast blijft experimenteren en zoveel mogelijk vanuit een artistieke impuls blijft opereren, waar anderen kiezen voor toegankelijke formats en doelbewuste versimpeling. Dat is bijzonder te prijzen, zeker nu onvoorspelbare resultaten in de kunst niet meer zo gewenst lijken.

LIstEn & See (LIES) van Oostpool en Ward/Ward. Gezien 1/12 in de Stadsschouwburg. Meer info op www.oostpool.nl. Toneelgroep Oostpool in Stadsschouwburg Amsterdam duurt nog tot 4 december.

Verslag: ‘Candide’ in Bochum

Bij het eindapplaus komen de cultuurverschillen het scherpst in beeld: de Nederlandse acteurs stuiven uitgelaten het toneel op, hun Duitse collega’s trekken hen weer in het gelid van de strenge en langdurige choreografie die applaus halen in Duitsland nu eenmaal is. Oh, en Duitse critici klappen überhaupt niet.

De première in Bochum afgelopen donderdag van Candide oder der Optimismus van de Nederlandse regisseur en componist Paul Koek is een bijzondere, in een maand die bol staat van theateruitwisseling tussen de lage landen en Duitsland. Vorige week gingen Luk Perceval’s Hamlet in Hamburg en Ivo van Hove’s Menschenfeind in Berlijn in première, over drie weken volgt Theu Boermans’ Hamlet in Graz.

Koek en zijn Leidse gezelschap De Veenfabriek gaan drie jaar samenwerken met Schauspiel Bochum, waarbij ook Nederlandse acteurs en muzikanten worden meegenomen. Het Bochumse theaterhuis start het nieuwe seizoen met maar liefst vijf premières in één weekend om een nieuw begin te markeren: een nieuwe artistieke staf afkomstig uit Essen (waar vorig jaar in Ubu werd samengewerkt met Toneelgroep Amsterdam) heeft de Bochumse schouwburg overgenomen en omdat Bochum ook meedoet met het Culturele Hoofdstadprogramma van Essen en het Ruhrgebied moet nu voor het oog van de wereld (of in ieder geval Duitsland) een artistiek hoogstaand statement worden gepresenteerd.

Candide, naar de filosofische en satirische avonturenroman waarin Voltaire vraagtekens zet bij het optimisme als levensbeschouwing, lijkt een toepasselijk nuchtere keuze bij de aanvang van zo’n grote onderneming. De jongeman Candide, geschoold door een leraar in de geest van Leibnitz (“Dit is de beste van alle mogelijke werelden”), reist door de wereld, maakt rampen en onrecht mee, hoort verhalen van helpers en medereizigers en keert zich uiteindelijk van zijn meester af, maar vindt wel zijn jeugdliefde Kunigunde terug.

Koek gebruikt, zoals hij vaker doet, het toneel als plek om verschillende (muziek)stijlen, ideeën en visies tegenover elkaar te zetten, en uiteindelijk te verzoenen. Een electronisch bandje clasht met klassieke strijkers, de naïeve, jonge Candide (Joep van der Geest) staat naast zijn wijzere, oudere zelf (Jürgen Hartman), elegante couture  wordt ingepakt in afstotelijke blootmaakpakken, de degelijk expressieve speelstijl van de Duitse acteurs staat soms haaks op de exuberante anarchie die de Nederlanders (naast Van der Geest ook Reinout Bussemaker) meebrengen.

De roman Candide is een wirwar van stijlen en Koek zet dit door in de enscenering. Op het lege toneel staat een grote houten doos (decor: Theun Mosk), een coulissendecor, waarin met houten schotten op verschillende dieptes een heuvellandschap of een golvende zee wordt gesuggereerd. Op doorzichtige doeken voor en achter worden kinderlijk getekende animaties geprojecteerd.

De voorstelling duurt ruim drie uur, en regelmatig wordt de handeling onderbroken door langdurige monologen van personages die laconiek over hun gruwelijke lot vertellen. Maar uiteindelijk lijken de oude en de jonge Candide verzoend, de twee muziekstijlen vloeien harmonisch in elkaar over en ook Candide en Kunigunde worden romantisch herenigd.

En daar zit uiteindelijk datgene wat het Nederlandse theater Duitsland te bieden heeft: ongedwongen speelsheid en een flinke dosis romantiek.

Recensie: ‘Tussen’ van Schweigman&

Parool,recensies — simber op 21 februari 2010 om 14:57 uur
tags: , , ,

Even staan we in het volle licht. Het volledige publiek op het podium van Frascati, stil en overdonderd. Dan worden we teruggeworpen in de eenzaamheid van de diepste duisternis, waarin je je niet kunt voorstellen dat je omringd bent door zoveel andere mensen.

Theatermaker Boukje Schweigman maakte naam met bijzonder voorstellingen op locatie, op basis van mime en beweging. Producties als Ruim, Dreef en Wiek vielen op door hun ongebruikelijke intimiteit en grote poëtische kracht. In de theaterzaal lukte het niet altijd om die bijzonder sfeer vast te houden, maar haar nieuwe, schitterende voorstelling Tussen slaagt daarin volledig.

Dat is vooral de verdienste van het magistrale lichtontwerp van Schweigman’s vaste samenwerkingspartner Theun Mosk. Wat hij weet te bereiken met subtiele kleurverschillen, nabeelden en de allerdonkerste schemer is subliem.

De entree is al bijzonder. Het publiek begint met een rondgang door de krochten van Frascati om op het duistere toneel uit te komen. Sommige spelers liggen in de foetushouding op de grond in een kleine lichtcirkel. Pas na enige tijd wordt de tribune zichtbaar en mogen we gaan zitten.

We zien een kluwen menselijke ledematen uit het duister opdoemen, een kuise orgie van friemelende ledematen. Lichaamsvormen worden onderscheidbaar, figuren proberen zich los te maken, worden weer teruggehaald. Het schemerlicht brengt de waarneming in de war en verhult kleuren. Dan maakt één man zich vrij.

Het is de Japanse danser en choreograaf Kenzo Kusada. Met zijn sterke, goeroe-achtige presence is hij de aanjager van de rest van de voorstelling. Is hij de eerste mens, een god of gaat Tussen ook gewoon over theater maken? Ondanks de vele dansante elementen blijft de voorstelling open voor (vele) concrete interpretaties. Samen met Mosk’s onaardse licht zorgt de altvioolmuziek van Oene van Geel –met veel pizzicato en live sampling- voor een onwerkelijke sfeer die de hele voorstelling aanhoudt.

Aan het eind lijken de spelers voor het eerst het publiek te ontdekken. In het duister, slechts onderbroken door een korte lichtpuls klimmen ze de tribune op en komen ze tussen ons in zitten. Het besluit van een reis van het absolute niets naar het huidige moment. Magisch theater.

Tussen van Schweigman&. Gezien 19/2/10 in Frascati. Tournee t/m 15/4. Meer info op www.boukjeschweigman.nl

Recensie: ‘Boe!’ van het Ro Theater

Parool,recensies — simber op 14 oktober 2009 om 00:10 uur
tags: , , , , ,

De poster meldt onder de namen van de vier spelers: “En u”. U bent dus gewaarschuwd. Bij aanvang we allemaal een koptelefoon met een zendertje. Kort na het begin staan een paar mensen op uit het publiek, lopen naar het toneel en nemen deel aan de voorstelling, blijkbaar nauwkeurig gestuurd door een stem in hun oor.

Ze trekken een plastic wegwerpregenjas aan en struinen door het decor: een enorme rotzooi; een vloer vol plastic flessen, vuilniszakken en papier met daartussen een omgevallen parasol, een piskruis en een container. Het lijkt een verlaten festivalterrein na een paar dagen stevig feesten. In het midden zit een vrouw met een griezelig echt lijkende hoofdwond. De toeschouwer/spelers negeren haar, halen een biertje uit een koelbox. Eén verdwijnt in de container en komt eruit in het uniform van een ambulancemedewerker.

Het is een onbehaaglijk maar intrigerend begin. Is dit een rampgebied? Een nachtmerrie? De sfeer in de zaal blijft hangen tussen giechelige gene en beklemming. Sommige toeschouwers mogen terug naar hun plek, anderen worden opgeroepen. De spanning over wie nu weer aan de beurt is overschaduwt de spanning van wat er op het podium gebeurt tussen de toeschouwers en de vier ‘echte’ acteurs, onder wie Bram Coopmans en René van ‘t Hof.

De voorstelling kantelt als een van de actrices in bikini lekker tussen het vuil gaat liggen zonnen op een meegebrachte handdoek. Er volgen een paar scènes tussen de spelers –geestig genante gesprekjes vol misverstanden in gebroken Engels tussen een toerist en een lokale bewoner- die weinig verband hebben met de rest, maar die wel lading geeft aan de voorstelling.

Aan het eind staan er wel tien toeschouwers op het toneel. In een poetische processie gaat één van hen voorop, de anderen doen hem na en zo onstaat een instant choreografie. Ze halen samen met de acteurs applaus.

Regisseur Jetse Batelaan ontwikkelde zijn bijzondere theatervisie op het menselijk onvermogen op de zomerfestivals en op locaties buiten het theater. Nu werkt hij vast bij het Ro Theater, maar het lijkt met dit decor wel alsof hij heimwee heeft. Zou de gene van de spelende toeschouwer beter tot zijn recht komen als deze voorstelling op een festival als Oerol was gemaakt? Batelaan’s uitgangspunt is geweldig, maar minder dan in eerdere voorstellingen weet hij er een samenhangende voorstelling van te maken. Maar misschien kan het gewoon niet: spannend theater in combinatie met de angst om mee te moeten doen.

Boe! Een spookverhaal voor grote mensen van het Ro Theater. Gezien 13/10 in Frascati. Aldaar t/m 24/10. Meer info op www.rotheater.nl

Recensie: Licht is de Machine van De Veenfabriek

Sinds een paar jaar werkt Paul Koek vanuit Leiden aan zijn avant-garde combinaties van locatie- en muziektheater. Nu is zijn gezelschap De Veenfabriek neergestreken in een reusachtige hangar op het voormalige marinevliegveld Valkenburg, waar hij het ambitieuze maar moeilijk te doorgronden project Licht is de Machine regisseerde.

Een enorm groen uitgelicht blok verdeelt de ruimte in tweeën. Erin is een lage smalle spleet uitgespaard, waardoorheen we een Katwijks zeegezicht zien. De voorstelling begint met het afbreken van het enorm brede schilderij, zodat we de enorme hal erachter zichtbaar wordt. Het is als een waarschuwing: u hoeft verder geen herkenbaarheid te verwachten.

Wat we wel zien is (onder heel veel meer) een vertederende dans van kleine koepeltentjes, acteur Joep van der Geest die op high-tech mechanische stelten het toneel over rent, een klein orkestje dat minimal music, big band, folky liedjes ondersteund door sirenes en chinese muziek speelt, een enorme carnavalswagen met een meeuwenkop en een verdwaalde postbode op een motorfiets.

Achterliggend thema is het utopische ideaal van de 18e eeuwse filosoof  Charles Fourier waarin arbeid niet langer dient om identiteit of geld te verkrijgen, maar om aan elkaar goed te doen. “Een mens die acht uur per dag vuilnis ophaalt wordt gereduceert tot een vuilnisman, maar iemand die uit vrije wil twee uur per week vuilnis ophaalt blijft een mens die helpt de rommel op te ruimen.”

Van daaruit worden uitstapjes gemaakt naar utopieën van de verschillende acteurs zelf: Van der Geest als profeet van de mens-machine, Reinout Bussemaker als filosoof van de passie, Lizzy Timmers die het leven als kinderspel wil beleven en Yonina Spijker die economische common sense zoekt. De voorstelling eindigt met een adembenemend mooi ballet van tientallen bewegende gloeilampjes, een mechanische utopie van onmenselijke schoonheid.

Koek bracht een groot aantal kunstenaars bijeen –componist Martijn Padding, vormgevers Theun Mosk en Joost Rekveld, dramaturg en schrijver Paul Slangen- maar de inhoudelijke basis is te smal om het verband te blijven zien tussen de verschillende onderdelen. Licht is de Machine is een voorstelling die je graag goed wílt vinden, vanwege de compromisloosheid en gigantische ideeënrijkdom van de makers, maar een die uiteindelijk stikt in z’n eigen overdaad.

Licht is de machine van De Veenfabriek. Gezien 15/11/08 op Vliegkamp Valkenburg bij Katwijk (ZH). Aldaar t/m 13/12. Meer info op www.veenfabriek.nl

Recensie: ‘Walking’ van Robert Wilson, Boukje Schweigmann en Theun Mosk (Oerol)

Parool,recensies — simber op 18 juni 2008 om 23:29 uur
tags: , , , ,

Theaterfestival Oerol op Terschelling wordt meestal geassocieerd met kermisachtig straat- en locatietheater, maar de laatste jaren toont festtivalleider Joop Mulder steeds meer artistiek hoogwaardig theateraanbod. Zo stond de op het festival gemaakte voorstelling Broeders dit jaar op de prestigieuze Wiener Festwochen en voor de huidige editie maakte de Amerikaanse kunstenaar Robert Wilson, wiens werk normaalgesproken in Het Muziektheater te zien is, de installatie/voorstelling Walking. Het bezegelt de high brow-allure die Oerol graag óók wil hebben.

Wilson werkte samen met de jonge Nederlansde theatermakers Boukje Schweigmann en Theun Mosk en bedacht een bedriegelijk simpel idee: het publiek maakt een vier uur durende wandeling over de oostelijke punt van het eiland. De grap is dat Wilson ons één voor één en met ruime tussenruimte vertraagd laat lopen – een soort kalme kuier. Die vertraging is kenmerkend voor de voorstellingen van Wilson, maar het is nu voor het eerst dat het publiek er actief deelgenoot van wordt.

En zo ga je als toeschouwer –na je horloge en telefoon afgelegd te hebben- mee in deze pelgrimage in slow-motion. Voor je en achter je strekt een dun lint van wandelaars zich uit door het fraaie duinlandschap. Je begint bij een zwarte, kegelvormige kuil tussen met riet bedekte muren, waaruit onheilspellende brultonen klinken. Vandaar gaat de route het natuurgebied in. In het begin loop je mee met de natuur, in de richting van de door de eeuwige wind gegroeide struiken en grashalmen.

Je moet trappen op en af, door deuren heen en een route volgen gemarkeeerd met stenen. Je hebt alle tijd om rustig te associëren. Zou hier wellicht sprake zijn van een tocht door de onderwereld? Het zou de Beatrice-achtige meisjes verklaren die aan het begin een stukje met je meelopen om het juiste tempo te bepalen. Het blanke duin wordt de louteringsberg. Na Homerus en Dante, die de reis van hun personages naar het rijk der doden beschreven kun je in het ervaringstheater de symbolische tocht nu zelf maken. Aan het eind is er opnieuw een kegel, nu lichtgekleurd en triomfantelijk rechtopstaand op het strand.

Het probleem is echter dat de meer spirituele kant van dit kunstwerk, die zeker wordt gesuggereerd, te zeer bij de toeschouwer wordt gelegd. Al kuierend kom je in een speciaal soort hypnose, die extra alert maakt op de natuur, het weer en je passen. Dat is bijzonder, maar de paar installaties eromheen voegen te weinig toe om de ervaring daadwerkelijk betekenisvol te maken.

Walking van Robert Wilson, Boukje Schweigmann en Theun Mosk. Gezien 18/6 op Oerol. Aldaar t/m 22/6. Meer info op www.oerol.nl

Recensie ‘Mirage’ van Theun Mosk, Hetveem Werkplaatsproductie

Parool,recensies — simber op 7 december 2007 om 02:23 uur
tags: , ,

Het decor staat op het toneel en het publiek zit in de zaal. Zo hoort het zo’n beetje in het theater. Zo niet bij Theun Mosk. Voor Mirage, zijn tweede eigen voorstelling bij mime-werkplaats Hetveem, bouwde hij voor het publiek een krappe, houten doos, van waaruit je naar een lege theaterzaal kijkt. Schimmen doemen op uit de duisternis, door rook en trillend hete lucht, bewegen in geel en blauw licht en verdwijnen weer.

Mosk is een tot theatervormgever opgeleide theatermaker, die vaker ruimtes voor de toeschouwer bouwt. Vaak werkt hij met mimester Boukje Schweigman. Bij haar schijnbaar eenvoudige beeldentaal maakt hij intieme, poëtische plekken waarin performers en publiek samen zijn.

Het idee voor een “anti-decor” -een plek die het publiek omvat, in plaats van de voorstelling- gebruikte hij eerder bij de radicale voorstelling Gerucht van Lotte van den Berg. Daarvoor bouwde Mosk ook een houten doos met één glazen wand, die op een plein in de stad stond. Zo kon het publiek ongezien naar buiten kijken en de stad bekijken alsof het een theatervoorstelling was.

Mirage verplaatst dit gegeven weer terug naar de theaterzaal, en laat je als toeschouwer de zolder van gebouw het Veem bijna als installatiekunstwerk zien. Subtiel en scherp uitgelicht, door een gordijn van warme lucht die even het effect geeft van een fata morgana.

Na het fascinerende begin wordt het iets te snel weer een “gewone” mime-voorstelling. Drie spelers bewegen door de ruimte. Twee vrouwen zetten met uiterste precisie een aantal stoelen op precies de goede plek, keer op keer en dan een keer met hun ogen dicht. Een man speelt op een ter plaatse gemaakt instrument van zingende wijnglazen. Een kist appels wordt van klokhuizen ontdaan, geschild en in plakken gesneden. En dan ineens is het donker.

Mosk’s spel met licht, kleur en schaduw is prachtig, maar het lijkt erop dat hij niet goed raad weet met zijn spelers. Het is jammer dat het geen getrainde mimers zijn, af en toe lijken ze een beetje lacherig onzeker over de abstracte handelingen die ze moeten verrichten. Alleen Swantje Schäuble, getraind danseres, weet consequent de aandacht vast te houden.

Mirage van Theun Mosk, Hetveem Werkplaatsproducties. Gezien 6/12/07 in Hetveem Theater. Aldaar t/m 9/12. Meer info op www.hetveemtheater.nl

Recensies Festival a/d Werf

Gerucht op het St JanskerkhofMei was traditioneel de laatste maand van het theaterseizoen. Maar omdat veel van de leukste en spannendste ontwikkelingen in het theater zich de laatste jaren afspelen op de zomerfestivals is er voor theaterliefhebbers geen enkele reden om tot september op vakantie te gaan. Gelukkig staan steeds meer voorstellingen op meerdere festivals en het Festival a/d Werf in Utrecht is een uitstekende gelegenheid om potentiële theaterhits van deze zomer te gaan bekijken.

Bovendien heeft Festival a/d Werf een naam hoog te houden op het gebied van grensverleggende theaterexperimenten en ervaringstheater. Een prachtig voorbeeld van dat laatste genre is U bevindt zich hier van Dries Verhoeven. In een gigantische, duistere hal in de Jaarbeurs bouwde deze theatermaker een hotel met een kleine kamertjes waar iedere bezoeker zich in zijn eentje moet onderwerpen aan merkwaardige rituelen met vragenlijsten, zingende kamermeisjes en -jongens, kopjes suiker en poffertjes.

Maar met een fenomenale truc die ik hier niet zal verklappen weet hij een ontroerend statement af te geven over eenzaamheid en contact. Dit is inmiddels de vierde installatie/performance/voorstelling die Verhoeven maakt voor de zomerfestivals, en ze groeien in schaal en complexiteit, maar ook in impact. Deze eigenlijk tot decorontwerper opgeleide maker begint een van de meest oorspronkelijke stemmen in het Nederlandse theater te worden.

Net als Lotte van den Berg overigens, inmiddels algemeen aanvaard de belangrijkste opkomende regisseur van het moment. Voor Festival a/d Werf maakte ze dit jaar de high-concept voorstelling Gerucht, waarbij de toeschouwers in een door Theun Mosk ontworpen, geluidsdichte doos midden in de stad zitten en door een glazen wand mogen uitkijken op een druk plein. Vier performers stappen door een deur het plein op en lossen op tussen de stadsbewoners. Het is een sterke beginselverklaring voor Van den Berg’s even radicale als toegankelijke vorm van theater maken, waarin nieuwe manieren om de werkelijkheid te zien worden gezocht, maar levert vooralsnog te weinig meerwaarde boven een uur zitten op het terras ertegenover. Gelukkig is later deze week haar wonderschone voorstelling Stillen nog op het festival te zien – overigens met een door Dries Verhoeven ontworpen decor van duizenden gele glycerinezeepjes.

Iets traditioneler theater -maar we hebben het over subtiele gradaties- biedt de Rotterdamse performer Lizzy Timmers met haar voorstelling Lizzy vraagt Arend. De Arend in kwestie is de Vlaamse acteur en danser Arend Pinoy uit de school van Alain Platèl. Samen maakten ze een tamelijk fascinerende performance over hoe je dat nou doet, verliefd zijn op toneel. Ze beginnen kinderlijk met een gefantaseerd verhaal waarin ze elkaar voortdurend moeten bijsturen omdat hun verbeelding toch niet helemaal hetzelfde blijkt. Later wordt er hevig en hitsig gezongen, geschreeuwd en gedanst, opgestuwd door de geweldige muziek van toetsenist William Bakker die even makkelijk weeë liefdesliedjes als retestrakke gabber uit zijn apparatuur tevoorschijn haalt.

Teleurstellingen zijn er ook, zoals La Torera van locatietheatergroep Odd Enjinears. Inhoudelijk origineel, een vrouw met strijkwerk (intens gespeeld door de spaanse Amalia Fernandez) zou liever stierenvechtster zijn en wordt vervolgens aangevallen door haar huisraad, terwijl rammelende pannetjes juichen als enthousiaste toeschouwers in de arena. Helaas kiest de groep voor een clichématige vorm; het decor is een huiskamertje met daaromheen in het volle zicht de technici die geluid, muziek en special effects verzorgen. Die effecten zijn soms charmant, maar meestal knullig en, net als de muziek, slordig uitgevoerd.

Festival a/d Werf, Utrecht. Gezien 19 en 20/5/07. Aldaar nog t/m 26/5. Meer info op www.festivalaandewerf.nl

Volgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2018 Simber | powered by WordPress with Barecity