Interview Ramsey Nasr

interviews,Parool — simber op 18 juni 2014 om 10:00 uur
tags: , , ,

Aanstaande zondag gaat The Fountainhead in première, de nieuwe, grootschalige voorstelling van Toneelgroep Amsterdam, een bewerking van de controversiële roman van Ayn Rand. Ramsey Nasr speelt de centrale rol, de hyperindividualistische en compromisloze architect Howard Roark. “Als acteur is het leuk om dingen te verkondigen waar je privé volstrekt niet achter staat.”

“Ik hoop niet dat ik het woord frustratie te vaak gebruik”, zegt hij half serieus aan het begin van het gesprek als hij nog bezig is om koffie te zetten. De dag ervoor –anderhalve week voor de première– was de eerste doorloop van de voorstelling en de tijdsdruk plus het feit dat de voorstelling duidelijk nog niet af is maken Nasr, nou ja, gefrustreerd. “Het is gekkenwerk, zeker met zoveel techniek.”

Nasr begon zijn carrière als acteur bij regisseur Ivo van Hove die toen nog artistiek leider van Het Zuidelijk Toneel. In 2000 besloot hij een andere kant op te gaan: hij werd dichter. Het toneel bleef echter trekken en vorig jaar pakte hij zijn acteursloopbaan weer op, opnieuw bij Ivo van Hove, inmiddels directeur van Toneelgroep Amsterdam.

“Ik vind Ivo een zeldzaam goede regisseur. Het is fantastisch om met iemand te werken die zo bevlogen is en een klare visie heeft op wat er in een theater moet gebeuren. En ik vertrouw hem. Ik vind Ivo totaal veranderd ten opzichte van Het Zuidelijk Toneel destijds. Hij is een enorm losse, vrolijke man, staat ook veel meer open voor suggesties en input. Dat vind ik heel fijn.”

Van Hove had al heel lang de wens om The Fountainhead voor toneel te bewerken, maar het duurde jaren voordat hij de rechten kreeg. “Om eerlijk te zijn kende ik het boek en Ayn Rand helemaal niet. Ik kom nu mensen tegen die het óf totaal niet kennen, óf wel – en dan zijn ze er ook echt idolaat van. Rand heeft een fantastische schrijfstijl. Maar ik vind het vooral knap dat als je niet op de hoogte bent van haar ideologie je dan nog altijd een prachtig boek hebt.”

Want The Fountainhead is niet zomaar een Amerikaanse klassieker. De na de Russische revolutie naar de VS gevluchte Rand bezong in haar eerste literaire succes een vorm van romantisch hyperindividualisme dat geen plaats laat voor naastenliefde of solidariteit. Later werkte ze haar libertijnse filosofie verder uit en werd ze met haar verdediging van laissez faire kapitalisme de held van rechtse politici en economen van Alan Greenspan tot Geert Wilders.

“Ik ben het op veel vlakken oneens met Rand. Ik vind het cruciaal dat háár waarheid niet onze waarheid hoeft te worden. Elk van de personages zegt dingen waar ik het volstrekt mee eens ben, om daarna in een bijzin weer iets verschrikkelijks te zeggen. Ivo van Hove wil één ding: een discussiestuk maken. The Fountainhead dwingt je als lezer en hopelijk als toeschouwer om je ertoe te verhouden. Het is een handleiding om te leven en er zijn maar weinig boeken die die kracht hebben. Er zijn nu trouwens VVD-vrienden van me die niet zo snel naar toneel komen maar nu zeggen: ik ben benieuwd!”

“Overigens is het als acteur juist leuk om dingen te verkondigen waar je privé echt niet achter staat. Dat is het interessante aan dit vak: om mensen waarmee ik het niet eens ben te begrijpen en een stem te geven. Van jongs af aan ben ik altijd op zoek geweest naar tegenargumenten. Howard Roark is voor mij een held, maar ik vind de meest interessante plekken in het stuk die waar hij dingen verkondigt waar ik het absoluut mee oneens ben. Want dat confronteert me met m’n eigen geweten.”

Maar ondanks de prikkelende inhoud is Nasr nog driftig op zoek naar de finesses van zijn rol. “Voor Rand is Roark de ideale mens. Dat is misschien onmogelijk om te spelen, maar ik wil het personage toch recht doen. Ik benaderde hem lange tijd als autist; ietwat kil en gesloten, iemand die leeft volgens de ratio. Maar ik kom daar op de terug, nu ik nadenk over andere kunstenaars zoals Rem Koolhaas en ook Ivo van Hove. Dat zijn geen autisten, maar mensen die leven voor hun werk.”

“Ik vermoed dat Ivo goed gedijt op de tijdsdruk die we nu voelen. Daarom vertrouw ik Halina Reijn en Hans Kesting die eerdere projecten hebben meegemaakt en die zeggen dat het in de laatste week allemaal af komt. Ik hoop het en vertrouw erop.”

The Fountainhead gaat in première op 15 juni in de Stadsschouwburg. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘De Pelikaan’ van Toneelgroep Amsterdam

Lepelen, slurpen, spugen, lepelen, slurpen, slikken. De moeder (Marieke Heebink als massieve berg geel tule op de bank) en de dienstmeid (Janni Goslinga als de kwaadaardige zus van Sneeuwwitje) zijn verstrengeld in een ziekelijk ritueel. De meid voert pap, de moeder slikt door of spuugt uit, terug in het pannetje.

Dit soort eindeloos herhaalde, unheimische handelingen zijn zo’n beetje het handelsmerk van regiseur Susanne Kennedy. Na een aantal opmerkelijke voorstellingen bij het Nationale Toneel en NT Gent, rees haar ster snel in Duitsland. Haar eerste grotezaalvoorstelling bij de Münchner Kammerspiele werd uitgekozen voor het prestigieuze Theatertreffen als een van de beste tien voorstellingen van het afgelopen jaar en zij zelf werd door Theater Heute het regietalent van het jaar genoemd. Gistermiddag maakte ze haar debuut bij Toneelgroep Amsterdam.

Ze koos voor De Pelikaan (1907), een relatief overzichtelijk kamerdrama van August Strindberg. De moeder heeft een verstikkende invloed op het leven van haar volwassen kinderen. Terwijl zij pap eet is de dochter van twintig onvolgroeid en vel over been, de zoon is ziek, de schoonzoon is op geld uit. Een brief van de onlangs overleden vader brengt het drama op gang: de moeder heeft het familiekapitaal zelf opgegeten en haar kinderen tekort gedaan, bovendien heeft ze een affaire met de schoonzoon (Vanja Rukavina).

Maar plot is slechts bijzaak voor Kennedy. Ze concentreert zich op de huiveringwekkende situatie, waaruit de personages niet kunnen ontsnappen. Steeds herhaalde korte zinnetjes, steeds op dezelfde manier uitgesproken, is wat er van Strindbergs tekst over is gebleven.

Het decor (Katrin Bombe) is een huis van drie verdiepingen, met boven een kamer voor de volwassen kinderen met ballonnen, knuffeldieren en een hobbelpaard, onderin is een halfhoge kelder. Daartussenin de huiskamer (en dat is vanuit het publiek gezien al behoorlijk hoog) met Heebink die gedurende de voorstelling niet van haar bank komt. Vóór het huis is een doorzichtig doek met daarop projecties van bossen en meer onsmakelijk geëet, smerige schuim dat van lippen en kinnen druipt. De soundscape van Richard Janssen maakt van het huis een levend organisme, dat piepend en bubbelend de personages verder fijnknijpt.

De vele bossen geven al snel de associatie met boze sprookjes. De dochter (Hélène Devos) slaapwandelt (al honderd jaar?),  of het is een soort omgekeerde Hans en Grietje, met een heks die kinderen niet vetmest, maar verhongert. Een metafoor voor de babyboomers? Maar Kennedy slaat je dit soort associaties al snel uit handen. De zoon (Alwin Pulinckx) braakt Schopenhaueriaanse teksten uit over opheffing van de wil en al aan het begin laat een voice-over ons weten dat we hier naar een ‘zuiveringsritueel’ kijken.

De voorstelling is verdeeld in korte scènes die steeds naar een hoogtepunt toewerken, op fantastisch kitscherige symforock-bombast. Daar zit vermoedelijk de kern van wat Kennedy wil. Het naturalistische theater is een geperverteerde constructie, die zo onwaarachtig is en zozeer faalt om betekenis te geven, dat het alleen nog komisch kan werken. Er is een nieuw theater nodig. Met haar complexe beeldenstorm laat Kennedy met haar relatief jonge ploeg een glimp zien van wat dat zou kunnen zijn. Ik hoop dat Amsterdam daar klaar voor is.

De Pelikaan van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 23/3/14 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 5/4. Tournee. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Interview Guy Cassiers

interviews,Parool — simber op 25 maart 2014 om 10:00 uur
tags: , , , , ,

Met een radicale bewerking van het stuk der stukken keert toneelregisseur Guy Cassiers terug naar Nederland. De artistiek leider van Toneelhuis in Antwerpen laat Hamlet spelen door een vrouw en zet zijn spelers in een multimediaal decor waarin niets verborgen blijft.

Iedere grote regisseur moet uiteindelijk zijn of haar Hamlet maken. Waarom is het nu de tijd voor uw versie?

Er zijn verschillende inhoudelijke ingrediënten die ik heel belangrijk vind, maar daarnaast moet het passen in je ontwikkeling als kunstenaar. Ik maak mijn voorstellingen samen met een groep mensen, zowel acteurs als vormgevers, en samen maak je een evolutie door. Zo is deze Hamlet er ook gekomen, omdat ik nu denk dat Abke Haring die rol moet spelen. Daarnaast is het praktisch: door de samenwerking met Toneelgroep Amsterdam heb ik de beschikking over een groter ensemble dan ik in Antwerpen heb.

Tom Lanoye heeft een prachtige tekst geschreven, waarin het generatieconflict in Hamlet veel sterker naar voren komt. In het stuk zijn drie kinderen, Hamlet, zijn vriend Laertes en diens zus Ophelia, die erfgenamen zijn van een samenleving die de idealen van waaruit ze gegroeid is volledig aan de kant zet. De ethiek is aan het verdwijnen. De nieuwe generatie probeert te reageren, maar vindt zijn eigen identiteit niet. Als weeskinderen bezingen ze hun eigen onmacht.

Waarom koos u met Abke Haring voor een vrouw als Hamlet?

Ik zie Hamlet als een nog niet geïdentificeerd persoon, een jong iemand die zijn/haar vorm nog niet gevonden heeft. Op een psychologisch niveau kun je zeggen dat, omdat zijn oom Claudius zijn vader vermoordt, Hamlet zelf niet de mogelijkheid krijgt om symbolisch vadermoord te plegen. Dat verwart hem.

Abke speelt geen vrouw of een man, ze speelt een zoekend iemand. Daarnaast komt zij heel jong over. Hamlet is een adolescent en je moet kunnen geloven in zijn jeugdigheid. En bovendien: ten tijde van Shakespeare stonden er geen vrouwen op het toneel, dus er zat altijd een spel in met mannelijkheid en vrouwelijkheid – die lijn trekken we door naar vandaag.

U staat als regisseur vooral bekend om uw literatuurbewerkingen, zoals de Proust-cyclus en De man zonder eigenschappen. Ziet u het werk van Shakespeare ook als literatuur die eerst bewerkt moet worden voordat het kan worden opgevoerd?

Nee, de tekst heeft zeker nog relevantie. Maar Shakespeare schreef voor een ensemble met specifieke acteurs en binnen een sociale en artistieke context. Ik denk dat ik Shakespeare meer recht doe door zijn ideeën –die hij ook weer ontleende aan eerdere verhalen– verder ontwikkel voor deze tijd, natuurlijk met zeer veel respect.

De bewerking van Lanoye versterkt een aantal elementen uit Shakespeare: de dictatuur, het generatieconflict en voegt een aantal nieuwe ingrediënten toe. Wie het stuk goed kent zal verrast worden over hoe de tragische uitkomst nu tot stand komt. Maar Lanoye maakt het wel metrisch, in vijfvoetige jamben. Daarin zie je het respect voor de schriftuur van het origineel.

U heeft lang in Nederland gewerkt, als artistiek leider van het Ro Theater. Hoe is het nu om weer terug te zijn?

Er is ontzettend veel veranderd. Ik zou de kansen die ik bij het Ro kreeg om mijn stijl voor de grote zaal te ontwikkelen in Vlaanderen nooit gekregen hebben. Toen ik terugging naar Antwerpen zag ik de noodzaak om het politieke in mijn werk belangrijker te maken.

Ik heb de laatste twee jaar van Pim Fortuyn meegemaakt en me erg verbaasd dat in een stad die al heel lang door de sociaal-democraten wordt bestuurd ‘socialist’ ineens een scheldwoord werd. En in Antwerpen zie je nu precies hetzelfde gebeuren. We keken in België altijd op naar Nederland als voortrekker, en ik vrees dat Nederland voortrekker blijft, maar dan in negatieve zin. Ik probeer er alles aan te doen om het in Vlaanderen niet zo ver te laten komen; de mentaliteit ten opzichte van de kunsten in de maatschappij.

Ziet u dat ook bij Toneelgroep Amsterdam?

Ik denk dat Toneelgroep Amsterdam nog een van de weinige eilanden is waarop op een relevante manier hedendaags theater ontwikkeld kan worden. Maar ik zie wel dat tussen Vlaams en Nederlands theater een muur wordt opgetrokken. Iedereen isoleert zich. Dat is ook het probleem van Hamlet: in zijn zelfbeklag isoleert hij zichzelf en ziet hij niet meer wat er om hem heen gebeurt. En dat is heel gevaarlijk. Ik hoop dat de samenwerking van Toneelgroep Amsterdam en Toneelhuis een symbool kan zijn voor hoe we ook op andere manieren kunnen samenwerken.

Hamlet vs Hamlet van Toneelgroep Amsterdam/Toneelhuis gaat op 19 maart in première in de stadsschouwburg. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Interview: Adelheid Roosen en Johan Simons

interviews,Parool — simber op 14 februari 2014 om 12:00 uur
tags: , , , ,

Hij regisseert Dantons Dood bij Toneelgroep Amsterdam en zij maakt haar nieuwe project met wijkbewoners, De Oversteek, daar dwars doorheen. Johan Simons en Adelheid Roosen verschillen in alles. Hij is duidelijk, slaat graag met zijn vuist op tafel en spreekt klare taal over de wereld en de revolutie, zij praat zoekend en tastend, soms verdwalend in haar zinnen. Ze vinden elkaar in hun bewondering voor de filosoof Peter Sloterdijk en in de houding dat ze nooit willen opgeven. “Ik wordt extremer naarmate ik ouder wordt.”

Dantons dood en De oversteek zijn twee projecten die door elkaar heen lopen. Hoe zit dat in elkaar?

Roosen: “Ik maak nu al jaren voorstellingen met wijkbewoners. En ik wilde, mede door de hele discussie over kunst in de Zijlstra-periode, de cultuurgebouwen ter discussie stellen. Want we zeggen wel dat de schouwburg een openbaar gebouw is, maar ik wil de vraag stellen: in hoeverre is dit gebouw eigenlijk openbaar? Dus ik kom hier binnen met een groep wijkbewoners en vluchtelingen die anders nooit in de schouwburg komen, we maken de voorstelling mee, we blijven slapen en ’s morgens ontbijten we met de schouwburgdirecteur en de medewerkers. En dat doen we in alle theaters waar Danton’s dood staat.”

“Om die beweging te maken, de schouwburg in, moet dat gebouw wel in functie zijn. Want als dat gebouw dood is, heb je niks aan de uitspraak die De Oversteek doet. Dus ik had een voorstelling nodig die niet van mij is, waarin ik met die mensen zou mogen binnenwandelen. Ik ben alliantiepartner van Toneelgroep Amsterdam, dus ik keek eerst naar de voorstellingen die zij op stapel hadden staan. En ik koos meteen Johan, omdat…”

Simons: “Omdat-ie goed is!” (beiden bulderen van het lachen.)

Roosen: “Omdat ik dacht: hij laat dat toe.”

Maar kan het publiek dan ook mee slapen in de schouwburg?

Roosen: “Ja, in Amsterdam spelen we veel langer dan in de andere steden, maar we wilden dat idee van blijven slapen wel consequent doorvoeren, vanuit het idee: hoever kun je gaan om van de schouwburg een buurthuis te maken. Daarom is het hier steeds een kleinere groep van ongeveer twintig mensen, de ‘waakgroep’ die blijft slapen, en voor de rest van de plekken heeft de Stadsschouwburg mensen uitgenodigd die juist wel veel naar het theater gaan. Die zien de voorstelling en worden aan het eind op het podium uitgenodigd en gekoppeld aan een wijkbewoner, een soort kennismaking met het hedendaagse volk. Ik vind dat een mooi gebaar; de Franse revolutie gaat over gelijkheid en wanneer ben je nu gelijker aan je medemens dan als je slaapt.”

“In de andere steden hebben we steeds moeten overleggen met de brandweer over hoeveel slaapplekken er mogen zijn op het podium. Meestal hebben we er een paar over en kunnen we aan het eind van de voorstelling mensen uit de zaal uitnodigen om te blijven slapen. We leggen een slaapzak en een tandenborstel voor je klaar. Dit soort dingen organiseren is de afgelopen jaren veel moeilijker geworden. Alle schouwburgen zijn van goede wil en zeer gastvrij, maar er is geen personeel meer om dit soort inspanningen te doen. Soms kan het computersysteem van de kassa het zelfs niet aan. Daarom wilde ik blijven slapen, om die ‘heropening’ van de culturele instituten zo extreem mogelijk in te zetten.”

Hoe past dat in de voorstelling?

Simons: “De voorstelling is veel breder dan alleen het verhaal over die vluchtelingen die op het toneel staan. Dantons Dood van Büchner is een enorm rijk ideeëndrama. Je hebt twee vrienden, Robespierre en Danton, die samen verantwoordelijk zijn voor de Franse revolutie. Maar in de loop van de bloedige revolutie worden ze het fundamenteel oneens. Danton (Hans Kesting) wil de republiek opzetten en het slachten stoppen, omdat hij inziet dat het toch nooit perfect wordt. Hij ziet het menselijk tekort. Robespierre (Gijs Scholten van Aschat) gelooft dat de revolutie permanent  moet worden, en dat je dan uiteindelijk uitkomt bij de utopie, bij een nieuwe mens. Maar die kennen wij niet, maar ik denk dat je dan uitkomt bij genetische manipulatie. Daarom heb ik Büchners stuk aangevuld met teksten van Houellebecq en Sloterdijk, die daarover hebben nagedacht.”

Waar heb je het eigenlijk over als je het woord revolutie gebruikt?

Simons: “Wij weten helemaal niet meer wat revolutie is. We kennen dat gevoel niet meer, jammer genoeg. Wij kunnen wel over maatschappijmodellen spreken, maar het blijft toch theorie en dat maakt ons heel er moe. De enige revolutie die we wel in de praktijk voelen, is de genetische revolutie, de mens die zijn eigen lichamelijke en mentale tekorten wil corrigeren. Daarom kies ik provocatief voor de genetische revolutie. Met Sloterdijk en Houellebecq in de hand vraag ik me af: als we in staat zijn om mensen te scheppen die beter zijn dan die er nu op aarde rondlopen, waarom doen we dat dan niet? Ik wil dat het publiek het na afloop niet heeft over het decor of de acteurs, maar over de thematiek. Mensen mogen echt kwaad op me zijn. Dat ben ik gewend.”

Roosen: “Ik gebruik dat woord revolutie nooit. Wie mij lang geleden inspireerde was Gandhi: maak de wereld elke dag zoals jij hem zou willen zien. Sloterdijk heeft het over oefenen, hij beschrijft dat je door training een beter mens kunt worden. Voor mij betekent dat dat ik op m’n eigen vierkante meter moet beginnen. Ik vind de verandering door de aanraking. Voor mij betekent dat dat ik toelaat om mezelf te betrappen op de momenten dat ik onderscheid maak tussen mensen. Dan wijk ik van mijn humaniteit, dat is pijnlijk. Maar als je er bewust van bent dat je dat doet, kun je jezelf trainen. Het is een mentale spier die je kunt trainen, net als je lichaam.”

Wat is jouw invloed op de voorstelling van Johan?

Roosen: “Ik wil niet aan Johans voorstelling zitten, dat is zijn regie. Ik breng mensen binnen, dan lever ik ze over aan hem, en na het applaus pik ik het weer op. Voor mij gaat het erom wijkbewoners dat bastion binnen te brengen. Voor mij is dat een tweede huis, maar voor hen zijn de kaartjes te duur. Dus ik dacht: er is een kantine waar je kunt koken, er zijn kleedkamers met douches, je kunt er slapen; dan doen we het zo. Ik ben wel samen met Johan aan het kijken wat voor functie je hen kunt geven. Er zitten vluchtelingen bij die nauwelijks buiten komen of die streng gelovig zijn. Dat luistert nauw. Soms merk je dat je een sturende opmerking maakt die precies echoot wat Gijs en Hans in de voorstelling zeggen. Zo subtiel is het.”

Simons: “Voor mij is het de realiteit van het theater, waar ineens de realiteit die Adelheid meebrengt doorheen komt wandelen. Ik hoop dat toeschouwers zich realiseren dat je die mensen die nu over het toneel lopen anders nooit in de schouwburg ziet. Het zijn maar een paar druppels van de realiteit die het theater binnen komen, en dat ontroert mij. Tegelijk is het een van de thema’s van het stuk: de revolutie gaat over de hoofden van deze mensen heen. De personages doen heel  minnetjes over het volk.”

Je hebt Dantons Dood eerder dit seizoen geregisseerd in München, met Pierre Bokma als Danton. Is het dezelfde voorstelling?

Simons: “Hier is hij iets korter. Als je in Duitsland vertelt dat je Dantons Dood doet, een lang stuk, en erbij zegt dat je nog allerlei teksten toevoegt, vinden ze dat een geweldig idee: veel tekst? Nóg meer tekst. In Nederland heerst veel meer dan in Duitsland het idee dat theater over een leuk avondje uit gaat.”

“Maar het wordt een totaal ander ding dan aan het worden dan in Duitsland. Het is ook elitair. Ik zou mensen die daar niet tegen kunnen, aanraden om niet te komen.”

Wat leren jullie van elkaar?

Roosen: “Ik hou heel erg van Johans directheid. We hebben een heel verschillend vocabulaire, ik begin soms een inleidende zin maar dan vergeet ik het onderwerp – want zo praat ik – en hij vraagt domweg: waar heb je het over? Ik geloof in zachte krachten en het is zoeken en tasten op welke momenten je je urgentie formuleert. Want Johan is ook indrukwekkend.”

Simons: “Adelheid is een hele goeie toeschouwer. Ik voel dat als zij het goed vindt dat ik het dan ook goed vind. En wij kunnen elkaar inderdaad ongezouten de waarheid zeggen.  Ik hoef bij Adelheid niet voorzichtig te zijn. En dat is een groot goed in het leven. Ik zie dat Adelheid door roeien en ruiten gaat voor haar idealen. Zij is een van de weinige mensen die voor honderd procent staat te geloven in wat ze doet. Daar kijk ik graag naar. Dat doordouwen, en niet opgeven, en het enthousiasme en de menselijkheid waarmee ze dat doet en de pijn die dat ook kost bewonder ik zeer, en daar leer ik ook van.”

“Ik zie mezelf ook als een idealist en naarmate ik ouder wordt, word ik extremer. Dat vind ik belangrijk, omdat je daarmee ook een voorbeeld aan de jeugd stelt. Adelheid en ik hebben een sterke overeenkomst: we voelen dat we niet mogen opgeven in ons leven. We werken allebei met de energie van het nooit opgeven.”

Roosen: “Dat is wel de essentie.”

Dantons Dood van Toneelgroep Amsterdam en De Oversteek van Zina/Female Economy gaan beide in première op 6 februari. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl en www.zinaplatform.nl

Bloedbruiloft van TA2 (Toneelgroep Amsterdam en Frascati Producties)

Het licht vormt een helder gemarkeerde ruit op de toneelvloer. De bruid (Lauranne Paulissen) balanceert voet voor voet op de scherpe lijn tussen licht en donker. Boven haar, precies boven de ruit, hangt dreigend een huis. Als het nu zou vallen zou het haar verpletteren.

Julie Van den Berghe won in 2010 de Ton Lutz Prijs voor meest veelbelovende regisseur. Inmiddels werkte ze in München en Gent en nu maakt ze in het kader van het talentontwikkelingsprogramma TA2 van Toneelgroep Amsterdam een voorstelling in Frascati. Ze koos voor Bloedbruiloft van Federico Garcia Lorca, over een plattelandshuwelijk dat door zich vrijvechtende passies bloedig eindigt.

De voorstelling begint met een serie stijlvolle, strakke tableaus van de zeven acteurs dicht op elkaar in de punt van de ruit. “Morgen zijn we gelukkig en blij”, zingen ze, maar erg overtuigend zijn ze niet, in hun sombere kledij en vale grime. Chris Nietvelt als moeder van de bruidegom (net als de meeste andere personages een naamloos archetype) is een geweldige feeks die met iedere klop van haar stok de orde handhaaft.

En daar gaat deze voorstelling over: de patriarchale orde en de bruid die zich wil bevrijden van het vooruitzicht van een leven met uitsluitend man en kinderen achter “muren van drie el dik”.

In de tweede helft, als de bruid vlucht met een oude vlam (een mooi aardse Dragan Bakema) knalt ook de voorstelling uit de strenge vorm, soms iets te wild. Waar de bruid het evenwicht zoekt tussen orde en hartstocht kiest Van den Berghe voor contrasten, en dat is spannend.

Bloedbruiloft van TA2 (Toneelgroep Amsterdam en Frascati Producties). Gezien 1/12/13 in Frascati. Aldaar t/m 14/12. Meer info op www.frascatitheater.nl

Interview Karina Smulders

interviews,Theatermaker — simber op 3 oktober 2013 om 10:00 uur
tags: , , ,

Karina Smulders speelt nu twaalf jaar bij Toneelgroep Amsterdam (TA). Lang was ze de jongste van het ensemble en speelde ze de bijbehorende meisjesrollen. De laatste jaren ontpopt ze zich echter als veelzijdige leading lady met een opmerkelijke gave voor komedie (zo bleek in Zomertrilogie). Voor haar rol in Persona, afgelopen seizoen, werd ze genomineerd voor de Theo d’Or, samen met haar tegenspeelster Marieke Heebink. “Dit is het grootste decor waar ik ooit in heb gestaan en tegelijk heb ik nooit zó klein gespeeld.”

TA had weinig premières dit jaar. Waarom was dat?

We speelden heel veel reprises, omdat we niet wisten wat er zou gebeuren met de subsidies. Dat is leuk, maar zwaarder dan we dachten, omdat we alles door elkaar deden. Aan het eind liep iedereen op z’n tandvlees. Ik heb na tien jaar weer Desdemona gespeeld in Othello, naast Hans Kesting. Dat is niet een reprise zoals we die normaal doen. Het was destijds mijn eerste rol bij TA en ik had nog nooit op een groot toneel gestaan. Tijdens repetities voor de herneming kwam ik erachter dat ik toen de hele voorstelling niet de zaal in keek. Ik was zó geïntimideerd.

Bovendien heeft Ivo van Hove die voorstelling destijds gemaakt op de verhouding tussen Hans en mij, namelijk dat ik toen als de dood was voor Hans Kesting. Ik heb er voor deze reprise met Ivo en Hans over gesproken of ze niet iemand anders moesten vragen voor die rol. Ik had dat heel jammer gevonden, maar ik zou het wel gesnapt hebben. Maar uiteindelijk werkte het wel. Ik ben volwassener, sommige zinnen krijgen een andere lading en de voorstelling wordt gelaagder.

Daarnaast speelde je in een nieuwe voorstelling van Ivo van Hove: Persona/Na de repetitie. Is dat nou één voorstelling, of zijn het er twee?

Na de repetitie is een kleine scène over een regisseur en een actrice, in een realistische kamer, Persona gaat over een actrice die is opgehouden met spreken en haar verpleegster op een eiland. Het zijn twee voorstellingen, maar ze horen heel erg bij elkaar. Misschien is dat is ook een beetje een self-fulfilling prophecy: als je twee dingen naast elkaar zet dan ga je vanzelf allerlei overeenkomsten en verbindingen zien. Maar allebei de voorstellingen gaan over toneel, en over de pijn die toneelspelen kan doen. Persona is meer de binnenwereld, het onderbewuste van Na de repetitie.

Ik kom nu net uit München. Daar zouden we ze allebei spelen bij de Kammerspiele, maar hun zaal is te klein voor ons zwembad. Dan spelen we alleen Na de repetitie, maar dat voelt een beetje alsof je de helft van een grap vertelt. We hebben de twee voorstellingen door elkaar gerepeteerd. Voor mij was dat perfect, omdat ik me snel verveel, haha.

Niet alleen zijn die voorstellingen met elkaar verweven, in Persona zijn jouw rol en die van Marieke Heebink ook complementair. Jullie zijn ook allebei genomineerd.

Het is een heel rare voorstelling. Toen ik het script las, leek het een monoloog. Maar het is absoluut een dialoog, alleen praat één personage niet. En misschien zijn het wel twee aspecten van dezelfde persoon. Elke avond verbaas ik me erover hoe we dat samen doen. Ik weet het ook niet precies, het heeft te maken met respect en concentratie. Eigenlijk heb ik nog nooit zo intens met iemand samen gespeeld als met Marieke. We spelen één rol, maar dan met twee lichamen. Dus ik vind het te gek dat we samen genomineerd zijn.

Ivo zei laatst dat er zit iets in deze voorstelling zit waar we geen grip op hebben; we weten niet goed wat het is. Dit is bijvoorbeeld het grootste decor waar ik ooit in heb gestaan en tegelijk heb ik nooit zó klein gespeeld. Het is bijna filmacteren. En de vormgeving is heel extreem met storm en regen, en wij zelf hebben geen idee hoe dat eruit ziet.

Je had het over de pijn van het toneelspelen waar Persona over gaat. Voel je die zelf ook?

Jazeker, ik kan alleen goed toneelspelen als ik dat helemáál doe: alles voor de kunst. Maar dan moet je heel goed weten waarom je het doet. Anders kun je mensen niet uitnodigen om ernaar te komen kijken, vind ik. En op dit moment weet ik soms niet zo goed waarom. Vanaf m’n vijftiende heb ik alleen maar gespeeld, en altijd het geluk en de geweldige kansen gekregen dat dat kon. Ik ga het volgend jaar ook even wat rustiger aan doen en geen nieuwe voorstellingen maken. En het is ook weer een enorme luxe dat dat bij TA ook kan.

Je bent lang de jongste geweest bij het gezelschap. Ben je blij dat je daar nu vanaf bent?

Ik vroeg wel eens aan Ivo waarom ik nou de hele tijd het meisje moest spelen. En hij zei: zie er ook de waarde van in, want je kunt dat maar één keer doen in je leven. Maar als je het meisje blijft, lijkt het soms alsof je alleen per ongeluk iets goed doet. Als je wilt groeien als acteur moet je verantwoordelijkheid nemen voor wat je kunt; dan is het geen toeval meer, maar gewoon hard werken.

Een aantal gezichtsbepalende spelers heeft het ensemble verlaten, waaronder ook jouw partner Fedja van Huêt. Hoe voelt dat?

Die groep gaat even helemaal schuiven. Je kunt daar met heel veel angst naar kijken, maar dit ensemble heeft zeven hele vette jaren gehad en nu met het vernieuwde ensemble hopelijk weer. Met Fedja heb ik in Na de zondeval gespeeld, kort nadat onze dochter geboren was. We hebben bewezen dat dat kan en dat is goed, want dan hoeven we nooit te denken: hadden we nou maar… Maar het is ook goed dat we dat niet meer doen.

Ik vind trouwens de nominatie van Fedja véél belangrijker dan mijne. Fedja heeft zoveel verschillende mooie dingen gedaan en in Macbeth komen heel veel van die rollen samen. Ik ben er oprecht vrij relaxed over of die ik de prijs ga winnen, maar als hij hem wint ben ik echt blij.

Recensie: ‘Lange dagreis naar de nacht’ van Toneelgroep Amsterdam

De bitterste beledigingen, meteen gevolgd door excuses. Regisseur Ivo van Hove heeft al lang iets met het werk van Eugene O’Neill. Bij Het Zuidelijk Toneel regisseerde hij Het begeren onder de olmen en het fascinerende Rijkemanshuis, bij Toneelgroep Amsterdam maakte hij het veel geprezen Rouw siert Electra (deze weken in reprise te zien). Nu waagt hij zich aan het meest complexe stuk van de Amerikaanse toneelschrijver en Nobelprijswinnaar, of in ieder geval z’n meest autobiografische.

Lange dagreis naar de nacht toont een dag in het leven van de familie Tyrone, bestaande uit een alcoholische vader (Gijs Scholten van Aschat), een morfineverslaafde moeder (Marieke Heebink) en twee zoons, een mislukte acteur (Ramsey Nasr) en een mislukkende dichter (Roeland Fernhout). In een in whiskey gedrenkte nacht zeggen ze elkaar de waarheid, maken ze elkaar verwijten en beuken ze elkaar murw.

Het decor is een onpersoonlijke huiskamer, zoals ontwerper Jan Versweyveld er al dozijnen maakte, hier volstrekt kloppend met de beschrijving van de moeder dat het huis nooit een thuis is geworden. Er staat niets anders in dan een enorme tafel en een even grote plant. Een eindeloze wenteltrap spiraalt de kap in, die Heebink beklimt als ze haar spuit gaat zetten. Er staan geen stoelen en de acteurs zitten op de grond of hangen op de tafel. Alle muziek is van singer/songwriter Randy Newman, wiens afstandelijk sarcasme slecht lijkt te passen bij O’Neills intensiteit.

Het is niet de enige merkwaardige keuze in deze voorstelling. Van Hove lijkt te willen benadrukken dat achter al het kwetsen ook nog steeds familiale warmte en genegenheid te vinden is en de voorstelling begint met de familie in omhelzing verstrengeld. Maar het contrast werkt niet: de combinatie van verbale beledigingen en lichamelijke affectie voelt onwaarachtig aan.

Door die ongeloofwaardigheid gaat O’Neills stuk nogal trekken en gaat je ineens opvallen hoe mechanisch de psychologie van de personages eigenlijk is. Allevier hebben de gezinsleden hun eigen beschadiging, die expliciet ontraadseld wordt en die hun gedragingen tot in detail verklaart. Het ouderwets reductionistische mensbeeld krijgt op geen enkel moment tegenwicht, en daardoor rijst de vraag waarom Toneelgroep Amsterdam eigenlijk dit stuk wilde spelen.

Wat rest is dat de spelers voor mooie momenten zorgen. Met name Scholten van Aschat is prachtig: oud en verslagen, maar dan plotseling zijn autoriteit doen gelden. Zijn monoloog over de jeugd van de oude Tyrone is het hoogtepunt van de voorstelling. Ook Fernhout is mooi getormenteerd.

Het meest opmerkelijke aan deze voorstelling is dan ook iets dat de toeschouwers niet kunnen zien: tegelijkertijd speelt theatergroep De Warme Winkel achterop het toneel de voorstelling Achterkant. Als je even wacht nadat de zaal leegstroomt duiken ineens Vincent Rietveld en Ward Weemhoff op op het toneel. Weemhoff noemde in een interview Achterkant een protest tegen het huidige repertoiretoneel. Daar hebben ze een uitstekend mikpunt voor gevonden.

Lange dagreis naar de nacht van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 25/8/13 in de Stadsschouwburg. Aldaar nog t/m 13/12. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘De Meeuw’ door Toneelgroep Amsterdam

Een lange, zwarte verfstrook trekt naar beneden op het achterdoek. Aan de achterkant schildert de onzichtbare Bas Peeperkorn met een kwast aan een lange steel langzaam en nonchalant een Chinees aandoend berglandschap. Met deze fraaie vondst opent De Meeuw van de Duitse regisseur Thomas Ostermeier bij Toneelgroep Amsterdam. Zowel de verwondering over het maken van kunst als het achterliggende onheil worden erin zichtbaar.

Want De Meeuw van Tsjechov gaat over kunst maken. De jonge, aanstormende generatie –de schrijver Kostja en actrice Nina– zoekt nieuwe vormen, maar is te driest en voelt zich continu tekort gedaan door de oudere – de gevierde actrice en Kostja’s moeder Arkadina en haar minnaar, de schrijver Trigorin.

Ostermeier, die als gastregisseur twee jaar geleden al een mooie Spoken maakte bij Toneelgroep Amsterdam, weet het ensemble een vrij opvallende nieuwe speelstijl mee te geven. Weg zijn de rauwe emotionele uitbarstingen en de gestileerde psychologie, er wordt losjes en naturel gespeeld; ze spelen bijna alsof ze niet spelen. De tekst is vlot gemoderniseert en er is ruimte voor improvisatie. Hans Kesting als Trigorin kondigt voor de zaal de scènes aan en omschrijft de plaats van handeling. In deze versie wordt Trigorin erg vereenzelvigd met Tsjechov: de oudere kunstenaar die een lucide toneelstuk schreef over de artistieke opstand van de jeugd.

Die opstand bestaat uit de rampzalige première van een toneelstuk van Kostja (een nijdig melancholieke Eelco Smits), waarin hij zelf de duivel speelt met een enorme rode voorbinddildo waaruit vuurwerk spuit. Plattelandsbakvis Nina (Hélène Devos) speelt de hoofdrol en je ziet haar oplichten onder de complimenten van Trigorin, die daarop meteen voor haar valt.

Deze Meeuw blijft lang lichtvoetig van toon en een beetje sloom. Er zit een subtiele, onderkoelde humor in hoe Nina de diva-poses van Arkadina afkijkt, en in het tragisch zwartgallige personage Masja (Janni Goslinga). En dan lopen er ook nog twee kippen te scharrelen over de met aarde bedekte toneelvloer. Die contrasteren mooi met de twee neergeschoten en opgezette meeuwen: symbool voor de radicale, idealistische kunst van Kostja en Nina; Trigorin en Arkadina hebben hun vleugels ingeleverd om veilig, comfortabel en laf hun graantjes te kunnen pikken.

Pas helemaal aan het eind krijgt de voorstelling ook emotionele impact. Een jaar later keert Nina –na omzwervingen een middelmatige actrice geworden– terug naar Kostja. Ze houdt zich groot maar is gebroken. Devos is prachtig in deze scène en het fatale eindpunt van het stuk is plotseling onontkoombaar.

Devos heeft iets weg van de jonge Chris Nietvelt, dezelfde sprietige, springerige uitstraling. De gelijkenis tussen de twee actrices werd eerder uitgebuit in Nooit van elkaar van Ivo van Hove. Ook in De Meeuw spiegelen ze elkaar en vullen ze elkaar aan. Maar hier laat Devos haar eigen kunnen zien. En dat is niet gering.

De Meeuw door Toneelgroep Amsterdam. Gezien 16/6/13 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 23/6 en vanaf 14/8. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Interview Eric de Vroedt

interviews,Theatermaker — simber op 18 december 2012 om 11:00 uur
tags: , ,

[extented version van het interview uit de TM van december]

Het is een paar dagen na de première van Mightysociety10. Voor Eric de Vroedt is Mightysociety klaar maar nog niet klaar. Hij moet nog met de voorstelling mee op tournee (“Dat is het echte werk”), hij wordt ’s avonds in de sideshows ondervraagd door prominenten en hij werkt aan de Mightyfinalremix, een multimediale epiloog van de serie. Maar terugblikken kan al. Snel pratend, meanderend, ferme statements makend en die later soms weer nuancerend of ronduit tegensprekend. “Eigenlijk ben ik helemaal niet geëngageerd.”

Je hebt het volbracht. Hoe voelt dat?

Het voelt nu heel voldaan. Tegelijk was het hele spannende voor mij niet óf ik het wel zou volbrengen, maar of het succesvol zou worden en of ik het door zou kunnen ontwikkelen. Dat dat gelukt is voelt heel goed. Bij Monk had ik in een jaar of zes ook tien voorstellingen gemaakt, dus ik wist dat ik dát wel voor elkaar zou krijgen. Het waren er ook van het begin af aan tien, ik zou er nu niet nog vijf kunnen maken. Dat is ook zo’n beetje de uiterste houdbaarheid van een concept of een groep. Na zes à acht jaar is het over z’n hoogtepunt heen. Daarna dreigt het gevaar dat het je belangrijkste doel wordt om je instelling in stand te houden.

Vlak na Mightysociety1 had je in een briefwisseling met Pieter Bots felle kritiek op Ivo van Hove die een cyclus van voorstellingen over het huwelijk maakte. Nu eindig je Mightysociety met een voorstelling over familie. Wat is er gebeurd?

Ik vind mijn familiedrama wel heel anders dan Ivo’s huwelijkscyclus toen, heel kort nadat Theo van Gogh was neergeknald. Ik was boos omdat er ineens beweerd werd dat zo’n huwelijksdrama dat vijf jaar vantevoren gepland was dáárover ging, of dat het huwelijk een microcosmos is voor de grote wereld, en dat vond ik in 2004 echt onzin.

Mightysociety10 werd een familiedrama omdat het zich opdrong. Maar het is wel een familiedrama in de context van de hele wereld en écht als metafoor voor de hele wereld. Omdat ik de eerdere delen van Mightysociety heel erg politiek wilde houden, heb ik heel veel kanten van mezelf bewust achter de schermen gehouden. Ik wilde niet theater maken over ‘de kunstenaar’, ‘het leven’, ‘de liefde’, want dat weten we allemaal wel. Het moest over politiek gaan, en niet over mij. Daarmee heb ik mezelf ook verstopt.

Continue reading “Interview Eric de Vroedt” »

Recensie: ‘Na de repetitie / Persona’ van Toneelgroep Amsterdam

Met haar rug naar het publiek ligt Marieke Heebink op een tafel. Onnatuurlijk uitgestrekt, monumentaal, naakt. De blauwe lijnen op haar bewegingloze lichaam versterken de suggestie van een marmeren beeld. Maar als ze zich omdraait zien we het stretchverband waarin de zender zit, het microfoonsnoer is op haar zij geplakt als de hechting op een lange wond. Voor een keer stoort het niet: Na de repetitie/Persona is een tweeluik dat het theater met al z’n trucs als onderwerp heeft.

Na eerder Scènes uit een huwelijk en Kreten en gefluister regisseert Ivo van Hove opnieuw scripts van de Zweedse filmmaker Ingmar Bergman, en wel twee achter elkaar. Na de repetitie is een televisiescript uit 1984 over een toneelregisseur in een repetitielokaal in een discussie verzeilt raakt met zijn jonge hoofdrolspeelster. Persona (1966) is een film over een actrice die gestopt is met praten en als vorm van therapie met een jonge verpleegster op een verlaten eiland belandt.

Van Hove regisseert Na de repetitie als kamermuziek. Gijs Scholten van Aschat speelt de regisseur zoekend, getergd, in wezen onzeker. Karina Smulders heeft lol met haar rol als slechte jonge toneelspeelster. Samen debiteren ze aardige wijsheden over toneel, maar het wordt pas interessant als Marieke Heebink opkomt. Is zij de overleden moeder van de jonge actrice, of een oudere (maar niet wijzere) versie van dezelfde vrouw? Heebink maakt er een gedenkwaardig nummer van, snel wisselend tussen hitsig, flemend en beklagenswaardig en continu in gevecht met de mouwen van haar jas.

Toch gaat het storen dat er zoveel clichés getoond worden; de regisseur wil controle en kan alleen in zijn kunst leven, de actrices zoeken aandacht en bevestiging. Het eindigt met een mooie dialoog tussen Smulders en Scholten waarin ze hun potentiële affaire in een serie toneelscènes aan elkaar voorstellen en zo de hele verhouding bij voorbaat overbodig maken.

Persona wordt bij Van Hove een soort opera. Na het begin met de naakte Heebink in een klinische ziekenhuiskamer, vallen de muren om en blijkt het hele toneel van de Rabozaal een gigantische vijver, met de vloer als het eiland waar de zwijgende actrice (Heebink dus) zich terugtrekt met haar verpleegster (opnieuw Smulders). Opnieuw is het spel prachtig: de zwijgende, maar aggressief expressieve Heebink tegenover de alsmaar wanhopiger voortbabbelende Smulders, terwijl ze gegeseld worden door de storm, regen en mist die gemaakt wordt door de pontificaal neergezette hi-tech toneelmachinerie rechts.

De paralellen en tegenstellingen tussen de twee delen zijn aardig. Theater als vlucht uit het leven, als plaatsvervanging voor het leven of als oefening hóe te leven. Maar het blijft light toneel, waarin de beelden het gekeuvel overdonderen.

Na de repetitie / Persona van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 13/12/12 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 22/12 en later in februari en mei. Tournee. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

« Vorige paginaVolgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2019 Simber | powered by WordPress with Barecity