Recensie: ‘Kokoschka live!’ van De Warme Winkel e.a.

“Wij weten dat u er niets aan gaat vinden, maar wij móeten dit brengen. Want dít is onze cultuur.” Het Haagse publiek is gewaarschuwd; de theatergroepen die tussen de Mondriaans en het zilverwerk zijn neergestreken in het Gemeentemuseum zijn er niet om te behagen. De vijfde voorstelling van De Warme Winkel in hun serie over Oostenrijkse kunstenaars (na o.a. Rilke en Thomas Bernhard) mist de persoonlijke visie van de eerdere delen, maar gaat in theatrale uitzinnigheid heerlijk overboord.

Oskar Kokoschka was enfant terrible van beroep en in het Wenen van voor de Eerste Wereldoorlog joeg hij de burgerij schrik aan met zijn expressionistische portretten en theatervoorstellingen. Hij was betrokken bij de Münchensche kunstenaarsgroep Der Blaue Reiter rondom Kandinsky en dat vormt de verbinding tussen de voorstelling en het museum, waar een tentoonstelling rondom die beweging te zien is.

In tegenstelling tot de eerdere voorstellingen, waarin de acteurs expliciet commentaar op het onderwerp en hun zoektocht gaven, kiest De Warme Winkel nu niet voor uitleg, maar voor inzet. We zien een aaneenrijging van scènes ontleent aan Kokoschka’s werk: naakte mannen die teksten voordragen, tableaus over zijn oorlogsverwondingen en over zijn angst voor vrouwen, sketches over zijn heftige affaire met Alma Mahler, allemaal met brille ontleend aan zijn visuele stijl, met verwrongen mimiek en lichaamshoudingen en een soundtrack van de jonge muzikanten van De Veenfabriek die nu eens lawaaiig in de weer zijn met bekkens en sirenes en dan weer verrassend melancholieke muziek maken met klokkenspel en cimbalom.

De hele speelruimte lijkt een atelier. De meeste scènes spelen op een verhoogd toneeltje met een goedkoop voordoek en bordkartonnen bomen, maar tussendoor rennen de spelers rond, schilderen ze aan de zijkant nieuwe abstracte lijnen op hun gezicht of hebben ze babbelende onderonsjes met een deel van het publiek. Of ze gaan ineens tussen het publiek staan om ‘boe!’ te roepen tegen hun eigen voorstelling, en rennen dan weer naar het toneel om ‘fuck you!’ terug te schreeuwen.

Een logische ordening is nauwelijks te ontdekken; het lijkt erop dat Marien Jongewaard vooral de kunstenaar zelf speelt (soms rondlopend en louter “Expressionisme!” orerend), Jeroen de Man een levensgrote pop die Kokoschka na de oorlog liet maken die zoveel mogelijk op Alma moest lijken en Mara van Vlijmen ‘de vrouw’ – “het morsige moeras van de voortplanting”. Het is groteske gekkigheid die meeslepend werkt vanwege de manische energie waarmee ze het uitvoeren en de virtuositeit van hun grappen.

Toch zit er iets storends in de vette ironie waarmee ze het onderwerp te lijf gaan. De scènes zijn geestig, inventief en absurd, maar nooit echt aangrijpend, tergend of teder. Wat trok de makers nou toch zo aan in die rare Kokoschka? We komen het niet te weten, en zo ga je na zo’n volle avond theater toch een beetje leeg naar huis.

Kokoschka live! van De Warme Winkel, Veenfabriek en Nieuw West. Gezien 25/3/10 in het Gemeentemuseum Den Haag. Aldaar t/m 25/4. Meer info op www.kokoschka.nl

Seizoensoverzicht 2008/2009

Met de enorme stelselherziening in het theaterveld achter de rug kunnen we weer nadenken over de kunst, zou je denken. Maar zo simpel ligt dat niet. Het afgelopen seizoen boden de grote gezelschappen weinig avontuur en neigden de vlakke vloeren opvallend naar non-fictief documentairetheater.

In seizoen 2008-2009 werden de laatste slagen gemaakt van de grote beleidshervorming in het theaterveld. Op 1 januari 2009 trad de Basisinfrastructuur in werking: acht gezelschappen verspreid over het land moeten het kwaliteitstheater waarborgen, productiehuizen verzorgen de ontwikkeling van nieuw talent en de rest van de groepen werd ondergebracht bij het nieuwe Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+ (NFPK).

De meeste regiogezelschappen in de Basisinfrastructuur hebben een nieuwe artistiek leider, die nog maar een half seizoen aan de weg timmert. Ola Mafaalani lijkt in Groningen haar zaken het snelst op orde te hebben. Ze regisseerde zelf een goed ontvangen Medea en de ‘country-musical’ Heelhuids en halsoverkop van Ko van den Bosch werd geselecteerd voor het Nederlands Theaterfestival TF-1. In Arnhem ging de artistieke kern ‘over nul’, wat betekende dat met het aantreden van Rob Klinkenberg als intendant en Erik Whien en Marcus Azzini als regisseurs alle artistieke uitgangspunten opnieuw werden geformuleerd. Vooralsnog leverde het een aantal halfgeslaagde producties op, waaruit vooral duidelijk werd dat de regisseurs en het nieuwe, jonge spelersensemble nog hard op zoek zijn naar een nieuwe invulling van het begrip ‘groot gezelschap’.
Continue reading “Seizoensoverzicht 2008/2009” »

Recensie: ‘Hannah en Martin’ van Mugmetdegoudentand

Parool,recensies — simber op 24 mei 2009 om 14:11 uur
tags: , , ,

Drie jaar geleden speelden Willem de Wolf en Lineke Rijxman twee jonge kinderen in Quality Time van Mugmetdegoudentand. Rijxman won er een Colombina mee en trad toe tot de artistieke leiding van het gezelschap. Nu maken de twee samen een voorstelling over de kortstondige liefdesaffaire tussen filosoof Martin Heidegger en politiek denker Hannah Arendt.

Ze zochten wat toch hun  wederzijdse aantrekkingskracht kan zijn geweest. De Wolf meer vanuit het perspectief van Heidegger -die met Sein und Zeit een van de meest ondoorgrondelijke werken uit de filosofie schreef en die de nazi’s steunde-, Rijxman met de blik van Arendt – de joodse theoretica die naar Amerika moest vluchten en die tijdens het Eichmann-proces in de jaren ’60 de banaliteit van het kwaad formuleerde.

Maar ze krijgen hun vinger er niet achter. Of ze nou de orerende Professor Wolf met Rijxman als adorerende 18-jarige studente spelen, of Rijxman met kunstgebit, pruik en sigaret een karikaturale Arend neerzet, of dat ze samen op televisie naturalistisch en ingeleefde Hannah en Martin spelen, of dat ze heel kritisch en persoonlijk hun wederzijdse bedoelingen met dit project ter discussie stellen, ze krijgen die liefde maar niet te pakken.

In een decor van houten kisten waarin aardewerken poppetjes blijken te liggen in stro spelen De Wolf en Rijxman een spannend, meerlagig spel met identiteit, filosofie en acteerstijlen. Niet alleen vereenzelvigen ze zich persoonlijk met Heidegger en Arendt, ze volgen elk ook hun denksystemen, en ze doen dat bovendien ieder in hun eigen stijl van theater maken, De Wolf als ironische speler en serieuze schrijver, Rijxman met haar fenomenale acteursfantasie. Die combinatie van confrontaties leidt via (vaak komische) omwegen toch weer tot inzicht.

Voor Ahrendt is nadenken een gesprek, een verdieping in andermans standpunten, niet empatisch, maar rationeel. Heidegger ziet nadenken middel om tot hogere waarheid en inzicht te komen. Maar Rijxman toont haarscherp aan dat als die waarheid en dat inzicht te ingewikkeld zijn het nadenken doel op zich wordt en dus een pose. “Het voelt wel als werkelijk nadenken”, antwoord De Wolf als hij in antwoord daarop zijn ‘denkende’ houding heeft aangenomen.

De voorstelling eindigt met een anti-democratische tirade van de Wolf, en een apocalyptisch visioen van Rijxman. Dit zijn twee theatermakers die er niet uit zijn gekomen, maar ze weten daarvan weergaloos, intelligent en soms beklemmend theater te maken.

Na About Beckett van Discordia en Villa Europa van De Warme Winkel (over Stefan Zweig) is dit de derde semi-biografische voorstelling dit seizoen waarbij het uiteindelijk meer draait om de zoektocht van de makers. Alledrie scheren ze zo net langs hun onderwerp, maar juist daardoor krijgt de toeschouwer een scherp beeld.

Hannah en Martin van Mugmetdegoudentand. Gezien 23/5/09 in de Toneelschuur Haarlem. Aldaar t/m 30/5. Volgend seizoen tournee. Meer info op www.mugmetdegoudentand.nl

Boekrecensie: ‘Eigenlijk ben ik Spaans’ van Roos Ouwehand

boekrecensies,TM — simber op 16 mei 2009 om 19:42 uur
tags: , , ,

Toen ik las dat Joop Admiraal was overleden was ik op Festival Cement in Tilburg. Zijn dood leek niet veel indruk te maken op het daar verzamelde jonge theatervolk. Waarschijnlijk hadden weinig van hen hem nog zien spelen, en degenen die daar oud genoeg voor waren, waren meer geïnteresseerd in de toekomst dan in het verleden.

Zo gaat dat met toneelspelers. Als je het niet gezien hebt, is het weg. Er blijft niets over dan “een paar foto’s, naar zweet stinkende kostuums, recensies en sterke verhalen.” Dat geldt voor Admiraal, maar ook voor Roos Ouwehand. Toen ze vertrok bij Toneelgroep Amsterdam en verhuisde naar een “een leven vol vissticks en diksap” ging ze schrijven. Nuchtere, droogkomische stukjes over het leven in een nieuwbouwwijk.

Nu publiceert ze haar eerste boek, Eigenlijk ben ik Spaans; het leven van Joop Admiraal. Het is enerzijds een beknopte biografie en tegelijkertijd een weerslag van eigen herinnering, maar vooral een liefdevol en persoonlijk boek van de ene acteur over de andere. Bij Toneelgroep Amsterdam speelden ze een aantal keer samen, en ze leerde hem kennen als een vriendelijk, enigszins afstandelijk mens. Maar vooral als unieke en ongrijpbare acteur. “Als twee mensen het toneel opkwamen keek je naar Joop. Als zeventien acteurs opkwamen keek je óók naar Joop.”

Ouwehand sprak met vrienden en familie, broer Piet Admiraal, collega’s Jacques Commandeur, Peter Oosthoek en Helmert Woudenberg, regisseurs Jan Ritsema, Ivo van Hove en Gerardjan Rijnders en met Jaap Jansen, Admiraal’s partner vanaf de jaren tachtig tot zijn dood. Aan de hand van die gesprekken en archiefmateriaal beschrijft ze het leven van de veldwachterszoon uit de Betuwe die in het geheim auditie deed voor de toneelschool, en die vanaf zijn debuut nooit een slechte recensie heeft gehad.

Het helpt dat Ouwehand zelf actrice is. Ze kan van binnenuit maar toch helder schrijven over acteren en ze kan vooral heel goed aangeven tot waar ze kan begrijpen wat een bijzondere toneelspeler als Admiraal doet, en vanaf waar het gaat om ongrijpbare kwaliteiten als charisma of sierlijkheid. Bovendien is de bewonderde acteur ook een feilbaar mens, worstelend met eenzaamheid en verslaving aan alcohol en drugs.

Ouwehands nuchterheid slaat soms door naar braafheid. Over de eerste jaren met Ramses in Amsterdam: “Hier is hij verlost van zijn keurige opvoeding (…) Hier is geen moeder die zeurt over schoonmaken en strijken.” En omdat ze bij een aantal voorstellingen gebruik kan maken van haar eigen kijk- en spelervaringen, valt het op dat ze erg vaak teruggrijpt op andermans beschrijvingen van Admiraals spel.

Maar dat zijn kleine aanmerkingen bij een mooi boek. Misschien wel het meest waardevolle werk van Ouwehand is haar zijdelingse beschrijving van de ontwikkelingen in het toneel en de samenleving van de jaren vijftig tot nu – de opzienbarende openbaarheid van de homoseksuele relatie tussen Admiraal en Ramses Shaffy, de ontwikkeling in het repertoiretoneel die van de Nederlandsche Comedie uiteindelijk Toneelgroep Amsterdam maakte, de revolutionaire maatschappelijke betrokkenheid van het Werkteater die uiteindelijk leidde tot Admiraals meesterwerk U bent mijn moeder. Een tijdsbeeld in één mens is niet vluchtig, zelfs al is die mens toneelspeler.

Gelezen: Eigenlijk ben ik Spaans; het leven van Joop Admiraal van Roos Ouwehand
Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 240 pagina’s

Recensies: Trying to find you van Monk

Parool,recensies — simber op 28 augustus 2006 om 18:16 uur
tags: , ,

Biografische voorstellingen zijn gevaarlijk terrein voor theatermakers en voor muzikale biografieën geldt dat dubbel zo hard. De makers zijn beducht voor de verwachtingen van het publiek, dat door films als Ray en Walk the line wellicht een goedgeschminkte playbackshow verwacht, maar ze willen de publiciteitswaarde van een voorstelling over een bekende naam natuurlijk wel uitbuiten.

Het is een dilemma waar Emanuel Muris en Rutger Kroon niet zijn uitgekomen bij het maken van een voorstelling over Syd Barrett. Barrett is een van de meer tragische verhalen uit de popgeschiedenis: de frontman van Pink Floyd, de uitvinder van hun psychedelische geluid en de schrijver van hun eerste hits hield het na één plaat voor gezien, kwam door inzinkingen en druggebruik in een psychiatrische inrichting terecht en leeft nu al zo’n 25 jaar bij zijn moeder in Cambridge, waar hij cactussen kweekt en elke vorm van publiciteit mijdt.

Muris en Kroon zien hem als een man die zichzelf is kwijtgeraakt. De jonge Barrett (gespeeld door Muris) komt op een dag doodleuk de huiskamer van zijn dertig jaar oudere zelf (Kroon) binnenlopen. Ze praten wat over de logische onmogelijkheid van deze situatie, Muris speelt wat gitaar -zo slecht dat het weer aandoenlijk wordt- en er zijn nog wat confrontaties met de in huis wonende bloedchagrijnige muis Gerald. De naam Pink Floyd -”diareemuziek”- komt slechts één keer voor, de gekte en de LSD worden buiten beschouwing gelaten.

Er zijn teksten over kunstenaarsschap en creativiteit versus commercie en concessies. De scènes culmineren in een eindeloze monoloog van Kroon over de tocht van Barrett uit Londen terug naar huis. Het is een warrige trip over ondoordringbare bossen, lichttapijten en naakte meisjesvrouwen.

De twee makers proberen het probleem van de muziekbiografie te omzeilen door de bezoeker in de bij de voorstelling horende flyer alvast te waarschuwen: “Gaan we een avondje ouderwets psychedelisch rocken? De mythe Barrett ontrafelen? Nee, de clichés over Barrett laten we maar even de clichés.” Maar dat is wel erg lui. Want door alles wat bekend is over Barrett al vantevoren als cliché te benoemen -en daarmee uit het raam te gooien- wordt Trying to find you een wel erg magere voorstelling.

Want wat willen Muris en Kroon nu eigenlijk met Barrett? Zien ze paralellen tussen hem en hun eigen kunstenaarsleven? Of is hij alleen maar een kapstok voor hun persoonlijke fascinaties? Het wordt gedurende de voorstelling maar niet duidelijk en dat frustreert.

Theater Trying to find you van Monk, door Rutger Kroon en Emanuel Muris. Gezien in de Melkweg, 20/5/06. Tournee volgend seizoen. Meer info op www.tgmonk.nl

Recensie: Toen ‘t licht verdween van Toneelschuur Produkties

Parool,recensies — simber op 22 augustus 2006 om 15:39 uur
tags: , , ,

Diva’s zijn er in soorten en maten. Annie Bos was een beetje plomp en mollig, met een rond gezicht, warrige krullen en expressieve ogen. Naar huidige Hollywood-maatstaven geen beauty, maar Annie was een superster uit de begindagen van de film, in de jaren tien van de vorige eeuw. En Amsterdamse die in maar liefst 49 zwijgende films speelde die succes hadden in België, Duitsland en Oostenrijk. In de jaren twintig is het plotseling gedaan met haar carrière. Ze trouwt met een notaris en wordt langzaam vergeten.

Drie cinefielen (Bart Oomen, Stefan Ram en Céline Linssen) maakten over Bos de liefdevolle voorstelling Toen ‘t Licht Verdween, waarin Willeke van Ammelrooy de oudere actrice speelt kort voor haar dood in 1975. Ze speelt met autoriteit, vooral als ze een lesje camera-acteren geeft met de meespelende cameravrouw. Film-acteren is een technische bezigheid, vindt Bos: “Je staat je aan te stellen voor een of ander mechanisch apparaat. Film is als een pashokje zonder spiegel.”

Techniek speelt een grote rol in de voorstelling: de technici die de filmbeelden en muziek regelen zitten nadrukkelijk vóór op het podium. Beelden uit Bos’ films worden geprojecteerd en vermengd met live beelden van Van Ammelrooy. Dat is vaak rommelig en soms heel lelijk. Ook het decor, dat met een aantal jaren zeventig attributen waarschijnlijk een tijdsbeeld moet aangeven, leidt alleen maar af van de hoofdzaak: de filmfragmenten en de anekdotes die erbij horen. Op de momenten dat die de ruimte krijgen gaat de voorstelling vliegen. Zoals wanneer Bos vertelt over haar vaste scherm-partner Adelqui Migliar: “Ik was getrouwd met hem, ik verleidde hem of ik verliet hem; dat waren zo’n beetje de mogelijkheden.”

Overigens moeten we bij haar films niet al te hoogstaande verwachtingen hebben: meer Johan Nijenhuis dan Mark de Cloe zeg maar. Pas helemaal aan het eind als Bos vertelt over haar tijdgenoten, zoals de Italiaanse filmster Francesca Bertini, snap je ineens de kwaliteit van Bos. Op beelden van Bertini blijkt die een archetypische stomme-filmactrice: met rollende ogen en gebalde vuisten slingert ze de emoties de camera in. Bos toont juist een mooi en onschuldig naturel.

Al met al is het een voorstelling waar het nodige op aan te merken is, maar die toch de moeite waard is door de oprechte bewondering van de makers voor het onderwerp en door de overtuigingskracht van Van Ammelrooy. En voor wie deze kennismaking naar meer smaakt: het Filmmuseum organiseert tussen 26/1 en 8/2 een programma met films van Annie Bos.

Toen ‘t licht verdween van Toneelschuur Produkties. Gezien 11/1 in de Toneelschuur. Tournee t/m 4/2. 31/1 en 1/2 in Theater Bellevue. Meer info op www.toentlichtverdween.nl

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2014 Simber | powered by WordPress with Barecity