Recensie ‘Queens’ van Dood Paard

Parool,recensies — simber op 14 november 2015 om 23:23 uur
tags: , , , , ,

In zekere zin is Queens al na een kwartier voorbij. De voorstelling begint voor een zilveren doek, waarop ‘The End’ staat. Voor het doek vertelt Janneke Remmers als dienstbode op beheerste, berustende toon over de executie, met de bijl, van haar meesteres Maria Stuart, in opdracht van koningin Elisabeth. Het doek valt en de twee rivaliserende koninginnen komen op: beide in hetzelfde uitzinnige kostuum. Als diva’s die in dezelfde jurk op een feestje komen uiten ze heftig mimend hun schok, woede en gêne.

Die kostuums zijn de lokker van de voorstelling. Modeontwerper Bas Kosters verzon hysterische witte pakken met een enorme paraplukraag. Op pak en kraag staat in bloedrood ‘whore’ en bovendien zitten ze vol rode geborduurde smetten. Stuart heeft om haar nek een fonkelend rode halsband, waaruit nog een paar edelstenen druppelen. Een donkerblauwe en lichtblauwe pruik maken het af. Het effect is van late-Elvis travestieclowns. Elisabeth wordt gespeeld door Joachim Robbrecht, Stuart door Manja Topper.

Rob de Graaf baseerde zich voor Queens op het verhaal van de koninginnentwist tussen Maria Stuart van Schotland en Elisabeth I van Engeland. De eerste katholiek en volgens de overlevering mooi en een mannenverslindster, de laatste protestant en maagd. Schiller schreef Maria Stuart over hun strijd (nu op het repertoire bij Toneelgroep Amsterdam), bij De Graaf bestaat het stuk uit een uitgebreide (en fictieve) ontmoeting tussen de twee.

Maar het kruit is al verschoten. Want hoewel de tekst bol staat van de mooie De Graaf-taal (“Ik ben geen mens/ik ben een koningin”), wordt het contrast tussen de twee personages en het reliëf platgeslagen en overschreeuwd door de bijzonder onsubtiele vormgeving. Alleen de eenvoud van Remmers’ personage beklijft.

Queens van Dood Paard. Gezien 7/11/15 in Frascati. Aldaar t/m 14/11, tournee. Meer info op www.doodpaard.nl

Recensie ‘Macbain’ van Dood Paard

Parool,recensies — simber op 14 april 2015 om 21:18 uur
tags: , , , , ,

Met halfdoorzichtige lamellen en vleeshaken achter op het podium en plastic op de hele vloer doet het toneel onmiskenbaar denken aan een slachthuis. Alleen het bloed moet je er zelf bij verzinnen.

Macbain is de nieuwe voorstelling van Dood Paard, een mash-up van Shakespeare’s Macbeth en het leven van het koningskoppel van de grungerock Kurt Cobain en Courtney Love. Om de hoofdmaaltijd – een nieuw stuk van Gerardjan Rijnders – in te leiden spelen Manja Topper (in bloot niemendalletje) en Gillis Biesheuvel (in een kilt met houthakkersprint – geestig) eerst op de bank een paar fragmenten uit interviews met Kurt en Courtney, en daarna een poppenkastversie van scènes uit Macbeth.

Dat begin is nog wel aardig, Biesheuvel en Topper hebben het geaffecteerd neurotische en het ontwijkende van de hyperbewuste supersterren uit de jaren negentig goed in de vingers. Macbeth spelen ze achter de bank als een soort onbehouwen jeugdtheater, met speelgoed als requisieten, veel rook en liedjes van Nirvana op clavecimbels en blokfluiten.

Maar daarna gaat het mis. Rijnders’ dialoog voor een destructief koppel doet denken aan zijn relatie-stukken als Silicone en Pick-up, maar haalt nergens de scherpte van zijn eerdere werk. Het is een murw beukende uitwisseling van ellende, bloederige moorden en onfraaie gekte.

Tussen de scènes door zien we bliksemflitsen, klinkt een overdreven luide soundscape en komt stukje bij beetje het glazen plafond naar beneden, waarop een grote hoeveelheid bestek trilt op de geluidsgolven, een verwijzing (denk ik) naar de dinertafel waar Macbeth bij Shakespeare de geest van een van zijn slachtoffers ziet. Maar dat theatrale geweld tussendoor benadrukt eigenlijk alleen hoe bloedeloos deze tekstberg is.

Macbain van Dood Paard. Gezien 2/4/15 in Frascati. Aldaar t/m 18/4 en 4 t/m 6/6. Meer info op www.doodpaard.nl

Recensie: ‘Botox Angels’ van Dood Paard

Parool,recensies — simber op 31 maart 2014 om 11:35 uur
tags: , , , ,

Drie smurfinnen. Daar doen ze nog het meest aan denken, met hun blauw geverfde blote borsten, witte herenslips en blonde pruiken. De Botox Angels van Dood Paard heten ons welkom in hun driepersoonsbed annex studio.

Drie jaar geleden speelden Manja Topper, Ellen Goemans en Lies Pauwels de succesvolle voorstelling Freetown, over westers sekstourisme in Westafrika. Dit jaar spelen ze opnieuw een tekst van Rob de Graaf, zonder Pauwels, maar met Janneke Remmers.

De voorstelling is een afwisseling van scènes over drie vrouwen die proberen een drievrouws liefdes- en seksrelatie te hebben, en van scènes waarin ze met hun eigen naam en een flinke dildo met een plopkap die dienst doet als microfoon elkaar interviewen als succesvolle sterren. Tegen de pik praten ze zoals er van vrouwen verwacht wordt, onder elkaar zijn ze onzekerder en zoekender, maar ook heel gemeen. “Dat gezicht van jou is een donkere wolk – zo’n wolk waar elk moment de zure regen uit kan komen vallen.”

Tussendoor doen ze coverversies van performances van Yoko Ono (Cut Piece – een vrouw wordt stukje bij beetje uitgekleed door haar jurk in stukken te laten knippen) en Martha Rosler (Semiotiek van de keuken – een alfabetische opsomming van keukenattributen met bijbehorende, opmerkelijk geweldadige bewegingen).

Die performancedelen zijn het leukst en je vraagt je af waarom die lesbische soap er überhaupt nog doorheen verteld moet worden. Pluspunten zijn vooral de uitzinnige kostuums (o.a. Carmen Schabracq) en het nuchtere spel van Goemans, die er erg goed in is het publiek deelgenoot te te maken van de grappen.

Het blijven echter de hele tijd niet meer dan aanzetten tot iets interessants. Pas het eindbeeld, dat onder het motto ‘Alle vrouwen zijn mooi’ het vrouwelijk deel van het publiek betrekt, is feestelijk. Waren ze daar maar begonnen.

Botox Angels van Dood Paard. Gezien 22/3/14 in Frascati. Aldaar t/m 29/3. Tournee. Meer info op www.doodpaard.nl

De ironische utopie

beschouwingen,Theatermaker — simber op 27 mei 2013 om 10:32 uur
tags: , , ,

En ineens steekt het utopisme opnieuw de kop op. Theatermakers kweken als een soort kolchoz zelf groente (Dood Paard en De Warme Winkel), bouwen nieuwe steden (Maas), luisteren naar utopische speeches (Laura van Dolron) of stichten een totaal nieuwe samenleving (Wunderbaum). Waar komt deze drang naar een betere wereld op de podia ineens vandaan? En hoe verhoudt dit nieuwe utopisme zicht tot de diepgewortelde ironie die de huidige generatie theatermakers kenmerkt?

De sla wil maar niet opkomen. Meer dan een paar iele sprietjes steken er niet uit de donkerbruine aarde. “Het is ook eigenlijk te warm voor sla. Sla houdt van kou: 8 á 9 graden.” Hier spreekt geen tuinder op zijn akkerweide, maar toneelspeler Kuno Bakker van Dood Paard. Samen met collega Manja Topper en Jeroen De Man en Vincent Rietveld van De Warme Winkel loopt hij rond in de voormalige mediatheek van het TIN, op de eerste verdieping van een oude bank aan de Sarphatistraat.

De balie is vol met aarde gestort, in de neergelegde boekenkasten groeien nu voorzichtig aardappelen en bonen en in de plastic displays waar een paar maanden geleden TM nog uitgestald stond ontkiemen nu doperwtenplantjes. Naast de lichtkoepel midden op de verdieping branden snelweggele groeilampen.

De plantenbakken zullen uiteindelijk het decor vormen voor de voorstelling die de twee groepen hier gaan spelen. Met thema’s als duurzaamheid, ecologie, urban farming en de instortende markt voor kantoorpanden lijken Dood Paard en De Warme Winkel de vinger stevig aan de pols van de tijd te hebben. Maar er is meer aan de hand. De voorstelling heet per slot van rekening Paradijs.

Op het woord ‘utopie’ reageren de makers van Dood Paard en De Warme Winkel nogal afhoudend: “Utopisch denken is te weinig concreet, vind ik”, zegt Bakker, “Er hangt een alomvattend toekomstbeeld aan vast.” De Man: “Maar in de start van het project zit wel een heel idealistische, utopische drive: het idee dat we de hele straat hier zouden kunnen voorzien van groente.” “Utopisch betekent ook onmogelijk”, vult Topper aan, “en dit lukt wél, al is het op een kleine schaal.”

Ondanks de bescheidenheid van de makers denk ik dat er toch een niet mis te verstane utopisch aspect aan dit project zit. Achter de naïeve ideeën over de mogelijkheden van stadstuinieren en de retoriek over alternatieve economische modellen is dit ook een samenleving in het klein.

Continue reading “De ironische utopie” »

Reportage: Paradijs van Dood Paard en De Warme Winkel

In een oud bankgebouw aan de Sarphatistraat ontkiemen bonenplanten, komt sla voorzichtig op en groeien kruiden en planten in oude boekenkasten. Nee, het is geen verlaten gebouw dat door de natuur wordt overgenomen, maar het werkterrein van de theatergroepen Dood Paard en De Warme Winkel. Samen zijn ze begonnen aan urban gardening, wat moet uitmonden in de voorstelling Paradijs die donderdag in première gaat. “Wij proberen de toekomst te ontginnen.”

“We hebben tuinstress”, verzucht Manja Topper. Vier toneelspelers (Topper en Kuno Bakker van Dood Paard, Jeroen De Man en Vincent Rietveld van De Warme Winkel), ondersteund door een paar technici, hebben twee weken geleden de eerste verdieping –waar een paar maanden eerder nog de bibliotheek van het Theater Instituut gevestigd was– gestript en er vijf kuub tuinaarde naar binnen geschept. De kasten voor de boeken en de laden voor videobanden zijn verzaagd en gevuld met grond, een kantoortje is ingericht als warme kiemkamer, een paar helle groeilampen baden de ruimte in geel licht. Nu hebben ze nog een maand tot de première, maar aan theater maken lijken de vier nauwelijks toe te komen.

“We worden keihard geconfronteerd met ons eigen consumenten-gedrag”, zegt Topper bijna verontschuldigend. “We willen direct resultaat. Een week wachten voordat een bol die we in de grond stoppen een puntje groen laat zien vinden we écht heel lang.” Het ziet er al behoorlijk groen uit, maar de acteurs hadden hun verwachtingen hoog opgeschroefd. “We zagen al voor ons dat we de hele buurt van sla en courgettes zouden voorzien”, lacht De Man. Maar voorlopig zijn het vooral kleine puntjes en dunne groene draadjes.

De Warme Winkel en Dood Paard zijn geen onbekenden van elkaar, maar nu werken ze voor het eerst echt samen. “Met z’n vieren zijn we eigenlijk een nieuwe groep,” zegt Kuno Bakker, “Wij hebben met Dood Paard andere manier van werken dan De Warme Winkel. We hebben meteen in het begin gezegd dat we samen op zoek moesten naar iets dat we allemaal niet kunnen, en dat we samen moeten leren.”

Toen het duidelijk werd dat de onderwerpen rond ecologie, duurzaamheid en de huidige crisis op gezamenlijk enthousiasme konden rekenen, lag de keuze om zelf te gaan tuinieren in een leegstaand pand voor de hand. Bakker: “Het is de uiterste consequentie van zo’n idee: we willen onderzoeken hoe ver we zelf eigenlijk af staan van de natuur en van de productie van ons voedsel.” De Man: “Toen zagen we inspirerende video’s uit Detroit waar parkeerterreinen van leegstaande fabrieken worden omgeploegd om er voedsel te gaan verbouwen. In Nederland hebben we enorme leegstand van kantoren die voortkomt uit de hoogmoed van projectontwikkelaars die geloofden in eindeloze groei.”

De groep heeft een vast dagschema: ’s morgens tuinieren, ’s middags theater maken. “Dan doen we acts voor elkaar, we lezen dingen voor, we discussiëren”, zegt Vincent Rietveld. “We zitten nu midden in de keuze of het een hardcore performance wordt waarin we geen contact maken met het publiek en alleen tuinieren, of dat we het publiek ene heel apocalyptisch verhaal vertellen.” Topper: “Je kunt dit niet als decor gebruiken voor een toneelstukje.”

De tuin blijkt namelijk een behoorlijke eigen wil te hebben. “Er zijn heel veel dagen geweest dat we ons er totaal in verloren”, vertelt De Man. “We dachten: we hebben helemaal geen tijd om theater te maken. Het is zo energieverslindend.” Rietveld: “We staan hier te juichen als de zonnebloem twee nieuwe blaadjes heeft. Dat zijn de kleine triomfen die we iedere dag weer voelen.”

De spelers hebben een paar gemeenschappelijke bakken, maar ieder ook een eigen project. Rietveld teelt radijs, Topper maakt iets kunstzinnigs van planten in eierdopjes, zelfs publiciteitsmedewerker Raymond Querido zaait plantjes voor de vroege boekers van de voorstelling. Een bijzonder project hangt in vochtige plastic zakken. Bakker las een artikel over Gro-Holland, een bedrijfje dat oesterzwammen kweekt op koffieprut. “We hebben koffiedik gevraagd van cafés in de straat en in die zakken telen we onze eigen zwammen. Ik vind dat echt een mooi idee om van afval weer een grondstof te maken.”

Ondanks dat ze zichzelf er tomeloos in verliezen gaat het Dood Paard en De Warme Winkel uiteindelijk niet eens zozeer om hun hoogst kunstmatige tuin. Topper: “De vervreemding die we zichtbaar willen maken over de enorme energie die we stoppen in het heen en weer brengen van al dat voedsel gaat ook over iets groters. We staan in ons leven sowieso vrij ver af van allerlei problemen, waar we door ons gedrag wel aan bijdragen. Dat is het gevoel dat je als een soort toerist door je leven beweegt. Het gaat ons niet lukken om het hele systeem te veranderen, maar een heleboel kleine initiatieven uiteindelijk wel.”

Paradijs van De Warme Winkel en Dood Paard is te zien van 4 t/m 18/4 op locatie aan de Sarphatistraat 53. En in mei op het Spring Festival in Utrecht. Meer info op www.paradijs.nu

 

Recensie: ‘In die nag’ van Dood Paard

Een groepje van vier hangt rond in de Blincker, het theatercafé van Frascati. Ze hebben blijkbaar diepzinnige onderonsjes en verplaatsen van tafel naar tafel, naar bar, naar trap. Ze vallen nogal op: ze zijn van top tot teen in het oranje, met maffe hoedjes, voetbalbroekjes, veiligheidshesjes en pruiken.

De vier, Manja Topper, Gillis Biesheuvel, Joachim Robbrecht en Marien Jongewaard, zijn de spelers van In die nag, de nieuwe voorstelling van Dood Paard, geschreven door Rob de Graaf. Na zijn stuk Freetown, ook voor Dood Paard twee jaar geleden, gebruikt hij nu opnieuw Afrika als lens om naar onszelf en onze relatie met de ander te kijken, maar de voorstelling In die nag is weerbarstiger en minder eenduidig.

De voorstelling is een drieluik dat begint in het café. De vier oranjeklanten blijken een totaal verzuurde, typisch Hollandse zeikfamilie. Vanaf de balustrade boven de bar krijsen ze hun ongenoegen over het land, het leven en elkaar uit over de toeschouwers onder hen. Ze spreken een voor een, heftig gesticulerend, maar als een ander het woord neemt bevriezen ze in een groteske grimas. “Als ik een mening heb, dan ventileer ik ‘m. Hersens zijn net darmen: als je ze niet af en toe leegt dan krijg je alleen maar verstopping.” Ontevreden zijn ze, en dat is van iedereen de schuld, van de kinderen, de ouders, het land, de bureaucratie, nu ja in ieder geval niet van henzelf.

Maar ze hebben een oplossing: ze gaan verhuizen naar Afrika. Het is de opmaat voor het langdurige ritueel waarmee het publiek de zaal wordt geloodst. De spelers dansen in pluchen dierenkostuums, delen een plukje gras en een boontje uit aan iedere bezoeker die binnenkomt en zetten met water een stip op hun voorhoofd. Ze verkleden zich in lange gewaden en spannen een enorm grote doek vlak boven de hoofden van het publiek.

Onder die tent is er ruimte voor voorzichtige en onzekere gedachten. Een groep mensen is op zee en zwalkt de aarde rond. Zijn het piraten, kolonisten of bootvluchtelingen? “Ons schip heeft geen roer en geen anker.” Zowel Dood Paard als De Graaf laten zich hier van een onkarakteristiek lyrische kant zien en dat smaakt naar meer.

Het laatste deel is echter koud en slepend. De vier spelen weer een familie, maar nu in Zuidafrikaanse woonwagens. Ze zijn niet meer verbonden met hun thuisland, maar evenmin geworteld in het land van aankomst. De tekst is ineens in het Zuidafrikaans, maar het is vrij goed te volgen – de taal is simpel en wat Jongewaard ook spreekt, het wordt toch Amsterdams. De lethargie is verwoestend. Wat het gezin aan het begin aan energie en woede te veel heeft, heeft deze te weinig.

Als je de vier aan het eind ziet als dezelfde familie van het begin (wat niet per se hoeft) is er niets van ze overgebleven behalve jaloezie op de buren en de verwachting dat het morgen op de een of andere manier vanzelf beter wordt. In vorm en spel is dit Dood Paard op z’n best, maar waar het ze nu om te doen is blijft te lang onhelder.

In die nag van Dood Paard. Gezien 27/10/12 in Frascati. Aldaar t/m 4/11. Tournee t/m 13/2/13. Meer info op www.doodpaard.nl

Recensie: ‘Bye Bye’ van Dood Paard

Parool,recensies — simber op 11 maart 2011 om 02:39 uur
tags: , , , , ,

Eerder dit seizoen maakte Dood Paard met Freetown een voorstelling voor drie vrouwen. Nu zijn de mannen aan de beurt. Kuno Bakker en Gillis Biesheuvel spelen in het kleinste zaaltje van Frascati een kwajongensachtige bewerking van Shakespeare’s Othello, die aan het eind buitengewoon geraffineerd blijkt.

Ze worden daarin bijgestaan door de Marokkaans-Nederlandse acteur Chaib Massaoudi, die de voorstelling opent met een gruwelijk verhaal dat hij vertelt in het Arabisch of Berbers en dat hij ondertitelt met behulp van een overheadprojector, over een kamermeisje dat een verminkt vrouwenlijk vindt in een hotelkamer.

Na dat zware begin wordt hij gedegradeerd tot bankzitter, terwijl Bakker en Biesheuvel in twee uur op weergaloze wijze Othello erdoorheen jassen. Na een ruzie over wie van de twee Othello mag spelen (waarin Massaoudi arbiter is) spelen ze in lange onderbroeken en met voor ieder personages speciaal gebruikte sjaaltjes de scènes over de jaloerse zwarte generaal (traditioneel vertaald als ‘moor’, maar nu consequent Berber of naffer genoemd) die door zijn vaandeldrager Iago wordt opgestookt te geloven dat zijn vrouw Desdemona een ander heeft.

Ze wisselen hedendaags taalgebruik moeiteloos af met prachtig vertaalde lyrische poëzie en na scènes met nu eens demonstrerend, dan weer ironisch ingeleefd spel, volgt altijd weer waaghalzerige slapstick op de vierkante meter. De twee staan op een klein podiumpje van losse planken dat steeds meer uit elkaar valt en dat achtereenvolgens toneel, zeilschip, rariteitenkabinet voor Noordafrikaanse meuk en graf kan zijn. Uit alles blijkt de jongensachtige bravoure van twee acteurs die niet bang zijn om ruw met elkaar om te gaan.

Je zou bij alle spelvreugde bijna vergeten dat Othello eigenlijk een nogal problematisch stuk is, met een zwarte hoofdpersoon geschreven door een witte schrijver voor een wit publiek, nog steeds vaak gespeeld door een witte acteur met zwarte schminck. Ook Biesheuvel verft aan het begin zijn gezicht slordig zwart, en in de loop van de voorstelling komt de grime op zijn handen en kleren te zitten.

Tegen het slot onderbreekt Massaoudi het spelletje. Mag hij ook nog een monoloog doen of zit hij er alleen voor de politiek correcte sier? Met tegenzin wordt hij op het podiumpje uitgenodigd en met z’n drieën doen ze de laatste scène: Bakker als Desdemona, Massaoudi als Othello die de tekst van Biesheuvel nazegt. En dan valt ineens alles in elkaar: Iago die beschuldigingen in Othello’s hoofd plant, Biesheuvel die Massaoudi souffleert, Shakespeare die die zijn denkbeelden over vreemdelingen projecteert en de allochtone indringer die aan het eind de schuld van alles krijgt.

Zonder enige voorkennis van Othello kan Bye Bye misschien een beetje lastig te volgen zijn, maar deze combinatie van spelerslol en intelligentie is onmogelijk te weerstaan.

Bye Bye van Dood Paard. Gezien 10/3/11 in Frascati. Aldaar t/m 26/3. Meer info op www.doodpaard.nl

Recensie: ‘Freetown’ van Dood Paard

Parool,recensies — simber op 14 november 2010 om 18:50 uur
tags: , , , , ,

De hele vloer van Frascati 2 ligt bezaait met een deken van lege blikjes bier en frisdrank. Het is geen grote zaal, maar de hoeveelheid volstrekt bevreemdend. Een paar plastic tuinstoelen staan met hun poten diep in de zee van blik. Als de spelers erdoorheen waden schrik je iedere keer weer van het overwacht krankzinnig harde lawaai.

Drie vrouwen komen elkaar tegen bij het zwembad van Venus Beach, een toeristische enclave in een niet nader benoemd Westafrikaans land. Ze zijn alleen en komen hier niet eens zozeer voor de zon en het strand, maar meer voor de mooie zwarte jongens die de westerse vrouwen graag van dienst zijn, mits die een bescheiden bijdrage leveren voor hongerige families of gederfde arbeidsinkomsten. Schrijver Rob de Graaf baseerde de tekst zeer losjes gebaseerd op de Canadese film Vers le sud uit 2005.

De drie worden gespeeld door Manja Topper (de cynische), Lies Pauwels (de wereldwijze) en Ellen Goemans (de idealistische). Ze dragen steeds wisselende variaties van panter-, jaguar- en luipaardprint, drinken uit blikjes die ze na afloop in de zee laten vallen. Ze wisselen hun wederwaardigheden uit, maar hun tegengestelde wereldbeelden leiden al snel tot gesprekken over waar racisme, cultuurrelativisme en westerse schaamte dicht onder de oppervlakte liggen. Ook hun kritisch vermogen is met vakantie; de tegenstrijdigheden in hun redenaties blijven onweersproken. Alledrie verdedigen ze hun eigen ongerijmde aanwezigheid in dit land met andere argumenten.

De mooiste rol is voor Pauwels. Met een trekje van haar mond transformeert ze van lief en redelijk naar spijkerharde afstandelijkheid. In een beheerste monoloog vertelt ze hoe ze met haar ‘vriend’ meeging de Afrikaanse stad in, waar het paradijs ruw verstoord wordt. Ook Goemans is sterk als de nieuweling, die in de loop van de voorstelling leert dat dit geen resort is, maar een trainingskamp voor gevoelloosheid.

De vloer vol blikjes is adembenemend mooi, maar beperkt ook de bewegingsruimte van de acteurs; als ze lopen kunnen ze niet praten. De voorstelling is daardoor talig en tamelijk statisch. Maar de tekst is scherp en als de voorstelling langer is ingespeeld zal de harde humor waarschijnlijk beter tot z’n recht komen.

Freetown van Dood Paard. Gezien 13/11/10 in Frascati. Aldaar nog op 15 en 16/11. Tournee. Meer info op www.doodpaard.nl

Dood Paard naar Guggenheim

Dood Paard is uitgenodigd door het Guggenheim Museum in New York. Het museum met de kenmerkende slakkenhuisvorm toont regelmatig theatervoorstellingen, maar internationale voorstellingen zijn een bijzonderheid. De groep zal van 28 april t/m 1 mei 2011 een engelstalige versie spelen van hun voorstelling Reigen.

Interview Gillis Biesheuvel

interviews,Theatermaker — simber op 21 september 2010 om 15:29 uur
tags: , ,

Met zijn tanige lijf, verzorgde sik en gouden oorbel ziet Gillis Biesheuvel (1972) er niet uit als de doorsnee toneelspeler. Dat is hij dan ook niet. Op het toneel heeft hij iets manisch, oncontroleerbaars. Maar in de van seks doortrokken voorstelling Reigen van zijn groep Dood Paard is hij, jonglerend met sigaren en sabels, daarnaast ook onweerstaanbaar grappig. Een Arlecchino nominatie was zijn deel. “Ik zoek de opstand tegen de keurigheid.”

Half juli. Bij de meeste toneelgezelschappen is het kantoor al afgesloten en het antwoordapparaat ingeschakeld, maar niet bij Dood Paard. Begin juni ging hun nieuwe voorstelling Answer Me in première op het Alkantara festival in Lissabon en de spelers maken zich op voor een zomerse tournee langs Estland en Denemarken voordat de voorstelling in september in Nederland te zien is op het festival De Internationale Keuze in Rotterdam.

Aan een grote tafel in het atelier van Dood Paard aan de Herengracht in Amsterdam vertelt Biesheuvel over het zomerproject: “Het Alkantra festival wordt geleidt door een Belg, Thomas Walgrave, die eerder ontwerper was bij Stan. Ik had al eens op het festival gestaan met een voorstelling met Stan, waarin we samenwerkten met een aantal Portugese acteurs. Het was de bedoeling om die specifiek Nederlands/Vlaamse acteerstijl in Portugal te introduceren.”

Continue reading “Interview Gillis Biesheuvel” »

Recensie: ‘Plenty Coups & Sitting Bull’ van Dood Paard en Discordia

Parool,recensies — simber op 14 maart 2010 om 19:30 uur
tags: , , , ,

Pats! Van boven het toneel valt een fles op de grond. Er komt een lampje naar beneden, en een viool met daaraan een iPod gemonteerd, waaruit Johnny Cash knettert. Pas dan zien we ook een lichtje boven bij de twee mannetjes op de lichtbruggen, vlak onder het plafond. Nu moeten ze zelf nog omlaag zien te komen.

Jorn Heijdenrijk (van Discordia) en Kuno Bakker (van Dood Paard) maaakten een paar jaar geleden samen de voorstelling Mannetje met de lange lul, een titel die wel goed past bij deze twee toneeltitaantjes die geestig afwisselen tussen aggressief fysiek spel en lijzige teksten. Hun nieuwe voorstelling heet Plenty Coups & Sitting Bull, namen die rechtstreeks uit Karl May lijken te komen. Indiaantje spelen, daar komt het in het kort op neer.

De afdaling van de acteurs vanaf de bruggen naar het toneel is verreweg de meest hilarische slapstickscène in het Nederlandse theater in jaren. Onder geduchte concurrentie overigens, want sinds een paar jaar ontwikkelt bijvoorbeeld ook Ingejan Ligthart Schenk zich bij toneelgezelschap ’t Barre Land tot een grootse clown en ook elders is fysiek komediespelen weer in. Maar waar Ligthart Schenk meer verwijst naar de achteloze virtuositeit van Buster Keaton (zoals in hun nieuwe voorstelling Rosencrantz & Guilenstern are dead), doen Bakker en Heijdenrijk eerder denken aan de virtuoze onhandigheid van Laurel and Hardy.

Kijk hoe ze hannesen met een ladder en in pogingen om elkaar naar beneden te helpen elkaar op de meest groteske wijze tegenwerken. Zie hoe ze stoelen, koffers, snoeren, emmers, een bijl en diverse doeken omlaag krijgen. Vooral Heijdenrijk is de briljante potsenmaker die zijn gezicht in de plooi blijft houden tijdens zijn onnavolgbare gemanoeuvreer met touwen, kostuums, op het laatste moment gegrepen stoelen, ondertussen instabiel balancerend op de steeds groter wordende berg zooi op het toneel, waarvan je je gaat afvragen wat ze er in hemelsnaam mee van plan zijn. Aan het eind kan hij de spullen niet meer opvangen, hij dirigeert slechts nog een valpartij.

De tweede helft van de voorstelling heeft vervolgens de onmogelijke taak om boven het dolkomische eerste uur uit te stijgen. Dat lukt niet, maar heel erg is het niet. Gekleed als combinatie van indiaan en circusartiest spelen ze stukjes tekst, verzinnen ze ter plekke een cowboyverhaal, praten ze over sex en dan ineens over verloren identiteit. Ze proberen de slapstick door te zetten in tekst, een associatieve mix, die ook het eerste deel weer in perspectief plaatst. Het zou kunnen gaan over kolonisatie, theater als goudmijn, of over het heen en weer sjouwen met decors wat theater maken toch ook altijd is, maar dat is niet zeker. Maar een fijne voorstelling is het zeker wel.

Plenty Coups & Sitting Bull van Dood Paard en Discordia. Gezien 13/3 in Frascati. Aldaar t/m 20/3. Tournee t/m 10/4. Meer info op www.doodpaard.nl

Volgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity