Recensie: ‘De Sunshine Show’ van Esther Scheldwacht

Parool,recensies — simber op 25 april 2013 om 10:00 uur
tags: ,

“You are the sunshine of my life/That’s why I’ll always be around”, staat er op het Karaoke-scherm. Maar Sunshine heeft niemand die voor haar “around” is, dus zingt ze het zelf maar, met zwaar oosters accent en een opgeplakte glimlach.

Sunshine is een personage dat actrice Esther Scheldwacht creëerde voor een eerdere voorstelling, waarin ze maar één scène had: een Thaise ‘ladyboy’ met een zoon in Holland. Deels op basis van interviews die haar broer Ricci hield met Thaise mannelijke prostitués die zich hebben laten ombouwen tot vrouw, gaf ze haar personage Shanu een eigen voorstelling.

Het is een tragisch verhaal over een kickbokser die na een ongeluk in de sexindustrie van Thailand terecht komt, maar blijft dromen over het kind dat hij verwekte bij een backpackster. Scheldwacht vertelt het in een aandoenlijke mix van slecht Engels en karaoke-nummers, op een bed dat geheel is opgebouwd uit niet verstuurde brieven aan zijn zoon.

Mooi is de tragiek van het personage dat steeds dichter bij zijn zoon in de buurt lijkt te komen –door Google en Hyves weet ze hoe zijn vrienden heten en hoe zijn school eruit ziet–, maar juist door steeds nieuwe geslachtsoperaties verder af komt te staan van de vader die ze voor hem zou willen zijn.

De voorstelling is een tikje larmoyant, maar houdt voor het grootste deel precies de goede afstand. Dat zie je het best in de doelbewuste bewegingen van de thaibokser die Scheldwacht steeds toont en in de emotieloze karaokeversies van There’s a place for us of The greatest love of all. Scheldwacht’s gezicht blijft in de plooi, maar erachter peil je diep en onspreekbaar verdriet.

De Sunshine Show van Esther Scheldwacht. Gezien 17/4 in Bellevue (lunchpauzevoorstelling). Aldaar t/m 5/5. Meer info op www.estherscheldwacht.nl

Recensie: ‘Motregenvariaties’ van Bellevue Lunchtheater

Een slecht gedicht schrijven dat iedereen slecht vindt, dat lukt nog wel. Maar een slecht gedicht dat iedereen goed vindt, dat is lastiger. Schrijver Robert Alberdingk Thijm, bekend van zijn scenario’s voor onder andere De Daltons, Dunya en Desie en A’dam – E.V.A., komt er in zijn eerste toneeltekst wonderwel mee weg, geruggesteund door actrices Olga Zuiderhoek en Ria Eimers, die met een simpele handbeweging elk woord van komisch naar bloedserieus kunnen draaien.

Zuiderhoek en Eimers spelen twee dichteressen, de één was een one-hit-wonder met een bundeltje gedichten in gewone-mensentaal, de ander werd Dichteres des Vaderlands met een monumentaal oeuvre hoogdravende poëemen. “En een minstens zo monumentaal achterwerk”, sneert de eerste.

Ze worden bij elkaar gebracht in een verhaal over rouw, buitenechtelijke affaires, critici, plagiaat en zonen die alles anders gaan doen dan jij bedacht had. De twee muzendochters lijken constant verdwaald in een tijd waarin hun gevoeligheid voor taal er niet meer toe doet en je gewoon moet “gaan met die banaan”.

Zuiderhoek en Eimers weten beiden buitengewoon goed raad met Alberdingk Thijm’s smakelijke dialoogjes, die steeds razendsnel heen en weer schieten van lach naar drama naar verbazing over weer een vólgende onthulling.

Die nieuwe tijd wordt vertegenwoordigd door Jan-Paul Buijs als jonge uitgever en als Eimers’ zoon. Waar Zuiderhoek en Eimers lijzig zijn, is hij energiek; waar de dames fijzinnig zijn is hij bot. Het is een fijn contrast, zeker als Buijs al schoenen gooiend alle emoties eruit mept die de vrouwen de hele tijd tot woorden vermalen.

De voorstelling is in naam geregisseerd door toneelhalfgod Johan Simons, maar die had het eigenlijk veel te druk met zijn eigen gezelschap in München. Hij stuurde zijn zoon, de 22-jarige muzikant Warre Simons en dat lijkt hem lang niet slecht af gegaan. Alberdingk Thijm’s oorspronkelijke, iets te uitleggerige script is in ieder geval flink strak getrokken, en de spelers moeten vaak iets doen dat net niet lijkt te kloppen bij de situatie – is Zuiderhoek nou een bord pasta aan het eten in een jassenwinkel? Dat zorgt steeds voor een prettig soort verwarring, extra geestig door de onverstoorbaarheid van met name Eimers.

Motregenvariaties heeft een onmiskenbaar Engelse theatersfeer: een kundig, talig stuk; tragikomisch met een randje detective; uitstekend, licht onderkoeld gespeeld. Dat is helemaal niet onaangenaam, om maar eens een understatement te gebruiken.

Motregenvariaties van Bellevue Lunchtheater. Gezien 27/3/13 in Bellevue. Meer info op www.lunchtheater.nl

Recensie: ‘De Kersentuin’ van Hummelinck Stuurman

Er wordt een hoop Tsjechov gespeeld dit seizoen: Het Nationale Toneel bracht een moderne Drie Zusters, NT Gent speelt Platonov, Toneelgroep Amsterdam herneemt de compliatievoorstelling De Russen! en Oostpool maakte een revue van enkele kluchten van de Russische schrijver onder de titel Tsjechov. En dan was er nog De Kersentuin, waarschijnlijk zijn mooiste stuk, dat zaterdag in première ging in DeLaMar. De mooiste voorstelling werd het echter zeker niet.

De Kersentuin is het sluitstuk van een Tsjechov-trilogie, die vrije producent Hummelinck Stuurman de afgelopen drie jaar maakte met Gerardjan Rijnders als regisseur. De stellingkast in het decor herkennen we nog uit De Meeuw en Oom Wanja, net als een aantal acteurs, zoals Hein van der Heijden, Reinier Bulder, Eline ten Camp en Thomas de Bres.

Samen met Janine Brogt bewerkte Rijnders het stuk tot een vlotte, tamelijk komische, nog geen twee uur durende voorstelling over de lichtzinnige landgoedeigenares Ljoebova (Carine Crutzen), die na een verblijf in Parijs thuiskomt op ene failliete boedel die op een veiling verkocht zal worden. Handelaar Lopachin, rijk geworden zoon van een lijfeigene, weet de oplossing: bouw zomerhuisjes voor stedelingen. Maar daarvoor zal de kersentuin moeten worden omgehakt en dat is onbespreekbaar.

Het merkwaardige aan de voorstelling is de volstrekte visieloosheid van de regie. Je mag hier en daar lachen, er is een vleugje ontroering, maar nergens krijg je het idee dat het om iets wezenlijks gaat. Twaalf acteurs staan op het podium, allemaal met eigen verlangens en verhaaltjes, maar het zijn er te veel, en je zit je constant af te vragen wie nou ookalweer wat met wie wil.

Daar zitten overigens best een paar mooie rollen tussen. Reinier Bulder weet als de moederende oude bediende Firs een mooie toon tussen grappig en aandoenlijk te vinden; Crutzen en Van der Heijden (als de door biljart geobsedeerde broer van Ljoebova) zijn grote, vastgeroeste kinderen, de eerste een wulpse losbol, de laatste een dikdoenerige nietsnut; nieuwkomer Yara Alink weet als hitsig dienstmeisje als een van de weinigen een beetje gekte in de voorstelling te brengen

Want daar lijkt toch het grote probleem te liggen van deze Kersentuin. In een voorstelling die zo karig is met emoties, blijft alles keurig binnen de lijntjes. Aan het eind, als het landgoed daadwerkelijk verkocht wordt, is er een soort emotionele uitbarsting tussen de oude en de nieuwe eigenaar. Maar ook dit blijft veel te vlak, en onderstreept daarmee de saaie grauwheid van de voorstelling. Tsjechovs verloren personages verdienen beter.

De Kersentuin van Hummelinck Stuurman. Gezien 23/2/13 in DeLaMar. Tournee t/m 2/6. Meer info op www.tsjechov3.nl

Recensie: ‘Tsjechov’ van Toneelgroep Oostpool

Een huwelijksaanzoek, het innen van een lening, een lezing over tabak. In de voorstelling Tsjechov is er maar weinig voor nodig om dit soort situaties volledig te laten ontsporen. De mens is nu eenmaal te driftig om zich in te houden. Maar zijn de scènes nou om te lachen of aandoenlijk?

Anton Tsjechov is waarschijnlijk na Shakespeare de beste en meest geliefde toneelschrijver. Maar vóór de Russische arts (schrijven deed hij in z’n vrije tijd) zijn meesterwerken als Drie zusters, Oom Wanja of De kersentuin (dat overigens aanstaande zaterdag in een nieuwe versie in première gaat) schreef, pende hij een paar korte, kluchtige eenacters voor de vaudevilletheaters van Moskou. Met kenmerkende zelfspot schreef hij over dit werk: “Ik ben erin geslaagd onnozele stukken te schrijven, die, omdat ze onnozel zijn, enorm succes hebben.”

Regisseur Erik Whien heeft nu bij Toneelgroep Oostpool drie van die stukken achter elkaar geplakt. In Het huwelijksaanzoek raakt kleingrondbezitter Bram van der Heijden hopeloos verstrikt in gekrakeel over het eigendom van een stukje wei met zijn buurmeisje (Wendell Jaspers, erg leuk) dat hij eigenlijk ten huwelijk komt vragen; De Beer is een onbeschofte legerofficier (Stefan Rokebrand) die de rust van een vrome weduwe (Kirsten Mulder) komt verstoren en als een blok voor haar valt; een lezing Over de schadelijkheid van tabak ontaardt in een klaagzang van de spreker (Bram Coopmans) over zijn gruwelijke huwelijk.

Het decor (Mieke Wolters) is een houten vloer en een houten wand die kan bewegen, zodat je de achterkant kan zien waar alle decorstukken en requisieten –krukjes, tafels, ladders en koffers– worden opgeborgen. Tussen de bedrijven door rijden de spelers rijden de wand rond, doen ze druk met stoelen en tapijten, suggereren een warboel, kortom: toneelspelersheisa waar ’t Barre Land altijd zo virtuoos in is.

Het is echter precies die losheid die zo gemist wordt in deze voorstelling. De spelers zijn geestig en snel, maar de gniffel wil maar geen bulderlach worden. Aan alles merk je dat de makers in dit luchtige werk de geest van ‘de grote Tsjechov’ hebben gezocht. Maar hoewel er af en toe zinsnedes of wendingen voorbij komen die zijn latere meesterwerken vooruitschaduwen, zijn dit toch vooral platte kluchten die hier te keurig worden gebracht.

Alleen in de laatste scène slaagt de opzet: Bram Coopmans weet met zijn redenaar gène, wanhoop en hilariteit op te roepen, zonder een woord over tabak te zeggen.

Tsjechov van Toneelgroep Oostpool. Gezien 19/2/13 in Frascati. Aldaar t/m 27/2. Tournee t/m 23/3. Meer info op www.oostpool.nl

Recensie: ‘Helling’ van Maren E. Bjørseth/Frascati Producties

Parool,recensies — simber op 14 februari 2013 om 10:00 uur
tags: , , , ,

Een wat zonderlinge jongen met poëtische ideeën over de dood en een obsessie voor olifanten, die zich “de buurman van de wereld” noemt en last heeft van over elkaar buitelende herinneringen. Thomas Höppener kijkt open, een beetje onzeker de tribune in. Steeds lijkt hij op het punt te staan om weg te lopen, maar over zijn schouder blijft zijn blik vastgezogen aan het publiek.

Höppener speelt een personage uit een recente Noorse roman, Helling van Carl Frode Tiller. Regisseur Maren Bjørseth, ook Noors, maar opgeleid in Amsterdam, koos het verhaal voor de eerste voorstelling na haar afstuderen. Bjørseth geldt als een talent: met haar afstudeervoorstelling Een Poppenhuis won ze vorig jaar de prestigieuze Ton Lutz Prijs.

Helling is het verhaal van zijn gekte, maar het bijzondere is dat het geheel vanuit zijn perspectief getoond wordt. Niet híj lijkt raar, maar zijn omgeving. Alle mensen om hem heen – ouders, pleegouders, pestende klasgenoten, foute vrienden, zijn vrienden, enzovoort– worden als karikaturen gespeeld door Rick Paul van Mulligen en Keja Kwestro: monsterlijk, wee, mierzoet, grotesk, leip of kwaadaardig.

Bovendien vallen, door zijn vervormde geheugen, tijden, plaatsen en gezelschappen voortdurend door elkaar. Bjørseth regisseert dit als harde cuts, waarbij vaak midden in een scène de personages en sfeer radicaal wijzigen. Een liefdevolle omhelzing wordt een vernederende ruzie, de dronken pa wordt de flemende pleegvader. Van Mulligen en Kwestro werken zich uiterst knap door deze strakke emotionele choreografie.

En langzaam, tergend langzaam wordt duidelijk dat deze eigenaardige jongen toch niet zo lief is als hij lijkt. De witte wand met de grote cilinder van het decor (Marjolijn Brouwer) suggereren een MRI scanner of andere medische omgeving. Voor wie reconstrueert hij dit verhaal eigenlijk?

Met haar strenge, consequente aanpak en haar grote vertrouwen in de acteurs betoont Bjørseth zich een zelfverzekerde, veelbelovende regisseur. Maar Helling ontwikkelt zich te traag om anderhalf uur te boeien. Ze maakt een enge psychologische horrorshow, waaruit je als toeschouwer niet kunt ontsnappen. Maar je raakt niet geraakt, maar murw.

Helling van Maren E. Bjørseth/Frascati Producties. Gezien 6/2/13 in Frascati WG. Aldaar t/m 9/2. Meer info op www.theaterfrascati.nl

Recensie: ‘Orlando’ van Het Toneelhuis

Parool,recensies — simber op 5 februari 2013 om 10:00 uur
tags: , , , , ,

Het is een verhaal dat opvallend vaak op het toneel gebracht wordt: Orlando van Virginia Woolf, over een man die ruim driehonderd jaar leeft en halverwege in een vrouw veranderd. Ooit speelde Catherine ten Bruggencate het als monoloog, twee jaar geleden won Maria Kraakman de Theo d’Or voor de rol in de versie van Oostpool en gisteravond stond Katelijne Damen solo op het podium in een voorstelling die ze maakte met de Vlaamse regisseur Guy Cassiers.

Damen bewerkte het fantastische verhaal zelf tot toneelmonoloog en verhult met lang uitgesponnen zinnen de literaire oorsprong niet. De tekst legt daarbij tussen de avonturen in Elizabethaans Londen en in Turkije veel nadruk op de uitgebreide en barokke natuurbeschrijvingen. Orlando wordt dan ook voortgedreven door een verlangen om de oude eik in de tuin van zijn jeugd overtuigend te beschrijven.

Woolf schreef het verhaal als een weerspannige biograaf en Damen zet die dubbelzinnige houding mooi om naar veelvormig toneelspel: nu eens ingeleefd, dan weer demonstratief afstand nemend. Gedurende de voorstelling wordt ze vrijer, darteler en lichamelijker.

Cassiers zet tegenover de vertellende acteerstijl zijn bekende videovormgeving: de vloer staat vol afbeeldingen die via erboven hangende camera’s gefragmenteerd worden geprojecteerd op het achterdoek. Soms wordt er eindeloos ingezoomd, terwijl er steeds nieuwe snippers van schilderijen, architectuur en geschriften ontstaant, als een soort fractal. Dan weer vormen de verschillende projecties één grote afbeelding, van een koepelplafond, of van een onscherpe boom. Tegenover de geconstrueerde natuur in de tekst plaatst hij scherven cultuur in beeld.

Toch gaat de voorstelling vervelen en zelfs een beetje tegenstaan. Het is allemaal erg mooi en smaakvol, maar ook bloedeloos en te weinig dynamisch. Cassiers cerebrale aanpak werkt buitengewoon goed bij zijn epische toneelbewerkingen van boeken als Op zoek naar de verloren tijd of De man zonder eigenschappen, maar bij Orlando is iets meer warmbloedigheid op z’n plaats.

Orlando van Het Toneelhuis. Gezien 28/1/13 in de Stadsschouwburg. Tournee t/m 27/2. Meer info op www.toneelhuis.be

Recensie: ‘De Samoerai’ van Bambie

“Sterf elke ochtend en elke avond opnieuw en wordt als iemand die voortdurend dood is.” Bambie, de mimetheatergroep die zijn voorstellingen het liefst nummert, geeft haar laatste een titel: De Samoerai. De groep liet zich inspireren door het boek Hagakure uit de achttiende eeuw, vol met afwisselend wijze en geestig absurde leefregels voor Japanse krijgsheren.

Als de spelers inderdaad samoerai zijn, zijn het wel merkwaardige exemplaren: de eerste (Jochem Stavenuiter) lijkt dronken, de tweede (Ingejan Ligthart Schenk) is een huilebalk en de derde (Gerindo Kartadinata) is een aggresieve druktemaker. Op lage tafels halen ze hun toeren uit: de vingers van Stavenuiter maken een lange tocht, Kartadinata balanceert op krukjes de anderen intimiderend met zijn wapenstok en zijn vervaarlijke gegrom. Het zijn kleine, komische varieté-acts. Misschien zijn samoerai in vredestijd, met hun wijde kleren en hun wit geschminckte gezichten, eigenlijk een soort clowns.

De voorstelling verloopt eerst als een traditioneel Japans verhaal: er moet een meester teruggevonden worden (wiens adem het licht kan dempen en feller maken) en er moet een lange reis worden afgelegd. Dat leidt tot de mooiste scènes: Ligthart Schenk gaat op pad met een zwaar beladen tafel op zijn rug; Kartadinata beklimt een andere tafel die door Ligthart Schenk wordt opgetild en die ineens een hele hoge berg wordt als Stavenuiter het papiersnippers laat sneeuwen.

De voorstelling draait (ook letterlijk) als het reisdoel bereikt wordt. De meester (Klaske Bruinsma) blijkt de moeder van de drie krijgers. Het iets te jolige deel rond haar kolossale bed is het zwakste van de voorstelling. Maar het eind is weer prachtig: de drie mannen laten Bruinsma dansen als een pop uit het Bunraku-theater, zorgvuldig al haar ledematen sturend.

Bambie-voorstellingen zijn soms wat stuurloos, met veel ideeën maar weinig lijn. (Gast)regisseur Jetse Batelaan heeft van De Samoerai echter een hecht bouwwerk gemaakt over traditie en overdracht. En daarin is het vast geen toeval dat gekozen is voor Bruinsma, ooit lid van de invloedrijke mimegroep Bewth.

Het zou namelijk goed kunnen dat dit de laatste voorstelling van Bambie is. De groep raakt, net als Lighart Schenks gezelschap ’t Barre Land, haar subsidie kwijt. Dat is misschien onvermijdelijk, maar het vraagt van kunstenaars welke leefregels en tradities zíj willen meenemen naar volgende avonturen of doorgeven aan een nieuwe generatie. De Samoerai is een levenslustige, aandoenlijke meditatie over die vraag.

De Samoerai van Bambie. Gezien 26/1/13 in Frascati. Aldaar t/m 2/2. Tournee. Meer info op www.bambie.org.

Recensie: ‘Ouagadougou’ van Tijdelijke Samenscholing/Frascati Producties

Het begint met een licht absurde opsomming: 81 lampen, 6 buurlanden, 8 muziekinstrumenten, 3 muzikanten, 2 toneelspelers en 1 reis. Dat zijn de ingrediënten van Ouagadougou, de nieuwe voorstelling van Tijdelijke Samenscholing. De twee acteurs, Carole van Ditzhuyzen en Michiel Bakker, en één van de muzikanten, Stan Vreeken, maakten in december een reis naar Burkina Faso, het Westafrikaanse land met de grappig klinkende en tot de verbeelding sprekende hoofdstad.

Tijdelijke Samenscholing –een paar jaar geleden ontstaan als afstudeerproject van toneelspelers van verschillende opleidingen; vandaar de naam– is een collectiefje  dat zich nadrukkelijk in de traditie van Discordia en ’t Barre Land plaatst. Ze vielen op met twee kleine voorstelingen, Pocoloco (over Jan Arends) en met name Interview, waarin ze de manipulatieve kracht van hun ogenschijnlijk nonchalante acteerstijl etaleerden.

De drie gingen op zoek naar de familie van Van Ditzhuyzen. Haar grootvader trok via Senegal naar Parijs en nu is zij op zoek naar haar roots, met niet meer dan een naam en een zwartwitfoto in een van de armste landen van de wereld.

Ze vertellen over hun vaak erg geestige belevenissen; over taxichauffeurs die je meenemen naar hun huis, over hotelkamers zonder airconditioning; over hoe ze allemaal bij verschillende gelegenheden een nieuwe naam hebben gekregen.

In een decor van olievaten en golfplaten praten ze op een manier die volstrekt onnadrukkelijk en zeldzaam on-toneelmatig is. Ze voeren twee gesprekken door elkaar heen, praten vaak net iets te zacht en binnen het verhaal zijn er steeds momenten dat ze elkaar even een ‘echte’ vraag lijken te stellen.

Het werkt omdat Van Ditzhuyzen en Bakker intrigerende spelers zijn. Ze zijn aandoenlijk in hun openhartige naïviteit over Afrika en messcherp in hun analyse van de situatie. Is het wel zo’n goed idee om zo’n zoektocht naar familie te ondernemen met collega’s voor een theatervoorstelling?

Maar wat de voorstelling echt optilt is de muziek van Stan Vreeken, die hij speelt samen met Julian du Perron en Kees Dijkstra, op gitaar, bas, duimpiano en speciaal gemaakte N’Goni. Hij schreef een serie verhalende bluessongs over de grootvader, een nomade die door de woestijn zwerft. Het klinkt alsof Jeff Buckley een vervolg heeft gemaakt op Graceland. Prachtig.

Tijdelijke Samenscholing lijkt met deze voorstelling aan te haken bij de nu zo courante stroming van egodocumentair theater, maar aan het eind blijkt ook hier een dubbele bodem. Ouagadougou gaat dan ook niet echt over Afrika, maar meer over de complicaties van zelfgekozen familie.

Ouagadougou van Tijdelijke Samenscholing/Frascati Producties. Gezien 12/1/13 in Frascati. Aldaar t/m 19/1. Tournee. Meer info op www.tijdelijkesamenscholing.nl

Recensie: ‘Moeders’ van Bellevue Lunchtheater en Marijke Schermer

Parool,recensies — simber op 17 januari 2013 om 10:00 uur
tags: , , , ,

Strak staat het speelgoed in het gelid, een keurig grid van oranje en gele knuffels, popjes en legoblokken. “Het is hier een enorme… chaos”, vindt Stine. Zij is een succesvolle carrièrevrouw die 60 uur in de week werkt en de kinderen overlaat aan een Filipijnse nanny en ze is op bezoek bij haar zus Kaat die juist gestopt is met werken om zich volledig te wijden aan de zorg voor haar dochter.

Moeders is de nieuwe lunchpauzevoorstelling in Bellevue, geschreven en geregisseerd door Marijke Schermer die –zoals ze eerder deed in Safety First en Sic Transit Gloria Mundi– een groot maatschappelijk thema, de dilemma’s van het moderne moederschap, terugbrengt naar de huiskamer. Niet op een politieke manier, zoals Eric de Vroedt, maar alledaagser. De voorstelling was een initiatief van de actrices die de zussen spelen, Marjolein Ley en Evrim Akyigit – beiden jonge moeder, maar Schermer heeft er een eigen draai aan gegeven. “Moederschap als de achilleshiel van het feminisme” is de ondertitel en op de flyer wordt geschermd met boeken van Rachel Cusk en Elma Drayer.

De twee vrouwen wisselen al champagne-drinkend dan ook erg veel opiniepaginameningen uit, in vaak onhandig lange en theoretische zinnen. Maar vaak genoeg is Moeders scherp en grappig, vooral als de twee tegenover elkaar moeten toegeven dat de extreme keuzes die ze gemaakt hebben niet echt ideaal zijn. In de details verraad zich de eigen ervaring van de actrices: Kaat die alles schoonmaakt met babydoekjes, het eeuwige getingel van muziekknuffels en de terreur van de zelfgemaakte appeltaart.

Punt is wel dat de voorstelling nu nog te sloom is. Pas aan het eind, als Stine een onverwachte keuze maakt krijgt de voorstelling even de pit die het conflict als geheel had verdiend.

Tussendoor horen we via de voice-over het verhaal van Stine’s kindermeisje Elena, die haar eigen kinderen jarenlang niet ziet, omdat ze aan de andere kant van de wereld op andermans kinderen past.

Dit deel voelt nog onuitgewerkt en dat blijkt te kloppen: Moeders is een vroege versie van een stuk dat de makers komende tijd nog verder willen uitbreiden en invullen. Daar liggen zeker mogelijkheden. Nu zien we vooral de uitersten, maar die maken nieuwsgierig naar het alledaagse modderen en compromissen sluiten waar de meeste moeders (en vaders) toch vooral mee te maken hebben.

Moeders van Bellevue Lunchtheater en Marijke Schermer. Gezien 9/1/13 in Bellevue. Aldaar t/m 20/1. Meer info op www.lunchtheater.nl

Recensie: ‘Funzone’ van Mugmetdegoudentand

Funzone begint en eindigt met een lied. De opening is een vrolijk-radicale versie van Rudolph the red-nosed reindeer, waarin het rendier dat gepest wordt met z’n glimmende gok toedeloe zegt tegen de hypocriete Santa – die zonder gids pardoes met z’n slee tegen een boom klapt. De afsluiter is een ‘atheïstische gospel’ met de tekst “Wie ben ik?” als refrein.

Eigenlijk zijn het vier Rudolphs op toneel; allemaal buitenbeentjes op zoek naar zichzelf. Minou Bosua zoekt zelfkennis om zichzelf steeds maar weer te verbeteren, Dickie van den Toorn is bang dat om uit zichzelf niks te zijn en verschuilt zich steeds hilarisch nep-tappend, zijn moeder naspelend en playbackend achter iemand anders. Marcel Musters heeft zichzelf geaccepteerd, maar moet toch steeds schuimbekkend over de politiek tieren. Baby Dee heeft haar lichaam aan haar identiteit aangepast.

Ze is een New Yorkse transgender die amusant kan vertellen over haar leven onder de houthakkers en die zichzelf zingend begeleid op orgel, harp en accordeon. Allevier spelen ze min of meer zichzelf op het toneel, in een uitvergrote versie. Bosua’s zelfverbeterdrang leidt tot implosie, Musters showglimlach is zelfvoldaan op het agressieve af. Alleen Dee blijft nuchter en laconiek.

Met deze voorstelling grijpen Mugmetdegoudentand en Joan Nederlof (tekst en regie) terug op de identiteits-shows uit de jaren ’90, zoals Onder Controle en Enter. Die waren even ijdel en openharig, maar waren die zo licht en vluchtig als Funzone nu is? De spelers kibbelen, dansen, verkleden zich vaak, maar het blijft los zand. Aan het begin vertelt Musters expliciet dat ze het over ‘identiteit’ willen gaan hebben, maar is dat niet een iets te groot onderwerp voor een wufte revue van nog geen anderhalf uur?

Een tweede laag in de voorstelling is interessanter. In hun monologen en discussies playbacken de spelers soms stemmen van een geluidsband (Frans Bauer en Joop van den Ende), Baby Dee herhaalt een tekst van Musters in fonetisch Nederlands, een souffleur zegt teksten voor en tijdens het zingen raakt de tekst op het karaoke-scherm in de war. Onze identiteit komt immers voornamelijk voort uit de buitenwereld.

Ook de individuële acts zijn vaak leuk, met buitenissige, maar volkomen vanzelfsprekend zichzelf zijnde Baby Dee als middelpunt en een lieflijk absurd dansje van een roze thule bloem, een harig beest en een slaapzak als hoogtepunt.

Musters zingt aan het eind van de afsluitende gospel ‘Wie ik ben/weet ik alleen’. Dat is een wel erg gemakzuchtige uiting van het wezenloze cliché dat je in jezelf moet geloven. Heeft Musters probleemloze tevredenheid dan gewonnen? Niet helemaal. Terwijl het licht dooft roept hij met schorre stem: “Ik ga op zangles”. Toch nog iets bij te schaven.

Funzone van Mugmetdegoudentand. Gezien 28/12/12 in Haarlem. In Amsterdam (Bellevue): 28/2 t/m 17/3. Tournee t/m 30/3. Meer info op www.mugmetdegoudentand.nl.

« Vorige paginaVolgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2024 Simber | powered by WordPress with Barecity