Gesproken Column voor Goesting

meningen — simber op 30 november 2008 om 22:24 uur
tags: ,

Goesting is een festival voor Vlaams jeugdtheater in Amsterdam, georganiseerd door de Stadsschouwburg, De Krakeling en de Brakke Grond. Ik werd gevraagd om een column uit te spreken over de verschillen tussen Vlaams en Nederlands (jeugd)theater op de laatste dag bij een parcours voor jeugdtheaterprofessionals. Over die briefwisseling met Wouter Hillaert waaraan ik refereer volgt later meer. NB: Alleen het gesproken woord telt ;-)

In een aantal brieven die ik uitwissel met (Vlaams theatercriticus) Wouter Hillaert proberen wij samen te meten hoe breed en diep de kloof is die onze twee vaderlanden scheid. Dat  die kloof er is en dat die groter wordt staat voor ons beiden buiten kijf.

Mijn eerste indruk was dat het vooral een probleem in de taal was. Om George Bernhard Shaw te parafraseren: Nederland en Vlaanderen zijn twee landen die gescheiden worden door dezelfde taal. Niet alleen dat we elkaar niet meer verstaan – dat Vlaamse toneelrecensenten bij Amsterdamse koffiestalletjes in het Engels worden toegesproken, of dat Baantjer in Vlaanderen wordt ondertiteld – maar dat woorden hier en daar –zie de bordjes aan de muur in de Krakeling- iets totaal anders betekenen. Oók, juist de woorden waarmee we over onze verschillen willen praten. Dat bleek gisteren weer tijdens een ‘overleg’ tussen Vlaamse en Nederlandse jeugdtheatermakers .

Pardon: daar ga ik al. Ik noem Goesting een festival voor jeugdtheater. Nee hoor, zeggen de Vlamingen: het gaat om kinderkunst. Ik krijg de indruk dat waar jullie het woord ‘autonoom’ gebruiken, Nederlanders vaak het woord ‘artistiek’ bezigen. Wat in Vlaanderen ‘publiekswerking’ heet, wordt in Nederland ‘marketing’ genoemd. In Nederland kan er onomwonden worden gesproken over ‘Overaanbod’, in Vlaanderen moet de verantwoordelijke minister een verhullende metafoor gebruiken: “Het bos is vol.”

Ik denk echter dat de situatie veel ernstiger is dan ik tot nu toe dacht. Die woorden verhullen slechts dat in onze twee landen een totaal verschillend paradigma voor de kunsten ontstaan is. (De verschillen tussen Vlaams en Nederlands jeugdtheater zijn dan ook volgens mij niet heel anders dan de verschillen tussen het theater voor volwassenen.) Het probleem in één zin: In Vlaanderen staat de maker centraal, in Nederland meer en meer het publiek.

In Vlaanderen blijft de autonomie van de kunstenaar en het kunstwerk het centrale geloofsartikel. (Ik kan daarbij niet negeren dat ‘autonomie’ een tweede, in Vlaanderen politieke betekenis heeft.) Dat leidt tot eigenzinnige voorstellingen, die hun publiek –ook kinderen- zeer serieus nemen, waar toeschouwen een werkwoord is. En ook tot voorstellingen die merkwaardig genoeg een beetje eenvormig zijn. De afgelopen dagen zag ik opvallend vaak een decor van losse objecten op de vloer en acteurs die half tegen de zaal, half tegen hun medespeler het verhaal vertellen. Of acteurs die zelf met samplers kakafonische muziek maken. Of groepen jongeren op scene, in choreografie van volwassen gedrag. Nederlanders vinden die voorstellingen vaak –ik chargeer natuurlijk- ‘moeilijk gedoe’, ontoegankelijk en een beetje saai.

In Nederland is het paradigma van de autonomie vrijwel geheel afgebroken en is er een nieuw in aanbouw. Hier worden vele theatervormen onderzocht die naar het publiek toe bewegen. Die vinden Vlamingen dan weer vaak oppervlakkig en commercieel en voor een deel is dat terecht. Om terug te komen op de terminologie: de term ‘publiekswerking’ geeft al aan –ik heb het van Leen Laconte gisteren- dat het publiek in Vlaanderen wordt gezien als te verheffen burgers, terwijl de Nederlandse term ‘marketing’ impliceert dat het publiek bestaat uit consumenten aan wie iets verkocht dient te worden.

Maar wat veel Vlamingen vaak in Nederland over het hoofd zien is de enorme diversiteit van ons theateraanbod. Wij hebben een bataljon ‘urban’ theatermakers, een geheel eigen genre ‘ervaringstheater’, vrije producenten die zonder subsidie zowel repertoire als nieuw toneelwerk van behoorlijke kwaliteit brengen en een scala aan subgenres binnen de mime. Het blijft bijzonder in Nederland hoe groot de veelzijdigheid is die we tolereren, en hoe makkelijk die heterogene paradigma’s naast elkaar kunnen bestaan.

Ik ben bang dat ik u niet kan achterlaten met een hoopvol perspectief voor de toekomst. Ik denk niet dat de kloof binnenkort gedicht zal worden. De  belemmeringen zijn niet alleen ideologisch van aard en gaan ook verder dan de kunsten. De verschillen van het breedste niveau – Vlaamse nation building ten opzichte van België en Nederlandse identiteitsverwarring en navelstaren door het felle integratiedebat – tot op het smalste praktische deelaspect – bijvoorbeeld het feit dat het binnenhalen van publiek in Vlaanderen de verantwoordelijkheid is van de zalen en in Nederland van de groepen – maken uitwisseling niet eenvoudig.

Natuurlijk kun je tegen mijn pessimisme voorbeelden inbrengen van geslaagde projecten, inspirerende kruisbestuiving en hardwerkende bemiddelaars. Maar het is heilloos zelfbedrog om te denken dat dát de trend is en de verwijdering een incident. De Vlaams-Nederlandse samenwerking moet zich aanpassen aan de nieuwe situatie, waarin de afstand groter is geworden, waarschijnlijk voorgoed. Vlaanderen is van onze naaste buur ons dichtst bij zijnde buitenland geworden.

Recensie: ‘Vrouwtje met de grote jas’ van Aan Tafel

Parool,recensies — simber op 28 november 2008 om 01:15 uur
tags: ,

Aan Tafel heet de theatergroep van Jurre Bussemaker, maar dat is een beetje misleidend. De ‘groep’ ging gisteren in première met de voorstelling Vrouwtje met de grote jas in Bellevue en daar bleek het meer het theatrale equivalent van een eenmansband met een paar sessiemuzikanten.

De voorstelling is vooral een verzameling cabaret-sketches rondom de droogkomische teksten van Bussemaker, met Bussemaker zelf als voornaamste uitvoerende in het decor van een soort afbraakpand, met doorgeslagen bakstenen muren (opzichtig nep) en houten schotten, die steeds meer worden aangekleed. Zijn meisjesachtige tegenspeelster Clara Bovenberg wordt een beetje gereduceerd tot aangever, terwijl ze met haar mooie volle kleinkunststem goed overweg blijkt te kunnen met de flegmatieke liedjes, die gespeeld worden door een combo van klarinet en piano in fleurige kleren.

De losse onderdelen zijn vaak helemaal niet slecht. Bussemaker is stoïcijns flegmatiek en durft ver te gaan in zijn poëzie van het banale. Hij wil een club oprichten met een paar leuke mensen en daarmee saaie dingen doen als een muur verven. Zijn personages denken als ze iets leuks willen doen aan computeren of televisie kijken. Liedteksten als “Je kunt naar buiten gaan en een rondje lopen/of binnen blijven en gaan zitten op de bank” worden geestig door de onderkoelde manier waarop ze gezongen worden.

Het probleem is dat de voorstelling maar geen geheel wil worden. Er is geen samenbindend verhaal en de thema’s -relaties, middelmatigheid en zelfexpressie- zijn zwak en niet voldoende concreet gemaakt. De lethargie van Bussemaker’s personages lijkt op die van de schrijver, die in deze voorstelling blijkbaar verdomd weinig te vertellen heeft.

Vrouwtje met de grote jas van Aan Tafel. Gezien 27/11 in Bellevue. Aldaar t/m 29/11, tournee. Meer info op www.theatergroepaantafel.nl.

Over ‘V.O.C.! Wijde Weelderige Wereld’ van Joachim Robbrecht en De Warme Winkel

overig,Parool — simber op 21 november 2008 om 15:35 uur
tags: , ,

Een kort stuk over V.O.C.! Wijde Weelderige Wereld van Joachim Robbrecht en De Warme Winkel voor Volume, het tijdschrift van het Gasthuis, het nummer van september 2008. Werd aangevuld met foto’s en enkele tekstfragmenten.

De Nederlander, Joachim Robbrecht heeft een eindeloze fascinatie voor dit specimen. De van oorsprong Vlaamse schrijver en regisseur doet nu al enkele jaren onderzoek naar de Nederlandse identiteit. Eerder maakte hij voorstellingen over het weer, Van Gogh, en Anne Frank. Deze zomer maakte hij met De Warme Winkel een voorstelling over de V.O.C.-mentaliteit, door onze minister-president aangeprezen als tegengif voor de Jan Saliegeest.

Robbrecht doet in zijn stukken niet aan plots en personages zijn er nauwelijks, of worden gebaseerd op wat de spelers aan eigen bagage meebrengen. Ook V.O.C. ‘leent’ als het ware de theatrale vorm om iets te zeggen dat meer essayistisch is. Het diept de clichés van Balkenende en anderen over Nederland uit, maar ondergraaft ze juist daarmee.

De zoektocht naar identiteit bij Robbrecht begint altijd bij de taal. Hij start met clichés, gemeenplaatsen, stoplappen en gaat ermee aan de gang. Hij speelt ermee, kneed ze, vergroot ze uit, trekt ze tot in het belachelijke door, transformeert ze naar andere terreinen. Eerst lijkt het niets meer dan spel, een witz, cabaret bijna. Maar uiteindelijk ontbreekt de clou, laat hij je achter met onaangename onzekerheden.

De personages denken niet, ze formuleren slechts. Of ze nu een kille zakenman zijn, een Poolse importbruid of een onzekere dichter, ze redeneren zich suf, maar denken doen ze niet. En achter dat fomuleren schuilt steeds een zekere hardheid, een focus op eigenbelang en wantrouwen.

Robbrecht’s beelden sluiten aan bij de woorden. De vier spelers zijn gekleed in pofbroeken, maar de regentenkragen zijn niet uit De Gouden Eeuw, maar blijken imkermaskers te zijn. Hun gestileerde bewegingen doen denken aan schilderijen van Hollandse meesters of aan de gestiek van Jelgerhuis, maar hebben bij nader inzien alleen een pompeus effect.

Zo toont Robbrecht de valkuilen van het eendimensionale identiteitsdenken in het publieke debat. Nadenken over ‘Nederlander zijn’ is niet per se een aangename bezigheid, alles waarop ‘we’ trots zouden kunnen zijn hangt samen met minder edele eigenschappen.

Wunderbaum speelt Magna Plaza in de Villa Arena

overig,Parool — simber op 21 november 2008 om 00:29 uur
tags: , , ,

De titel was er al voordat er locaties werden gezocht en nu speelt theatergroep Wunderbaum de voorstelling Magna Plaza niet in het winkelcentrum achter de Dam, maar in de Villa Arena in Amsterdam Zuidoost. “We vonden Magna Plaza zo’n goede naam, met dezelfde nep-grandeur als ‘La Place’ of ‘Food Court’”, vertelt acteur Walter Bart. “We hebben natuurlijk gekeken in de ‘echte’ Magna Plaza, maar het was te klein! We hebben voor onze voorstelling een paar lange zichtlijnen nodig, en die konden we daar niet maken.”

Tijdens de voorstelling spelen de vijf acteurs van Wunderbaum tussen het winkelende publiek. De toeschouwers van de voorstelling zitten op grote afstand en krijgen door een koptelefoon de dialogen te horen, samen met muziek van componist Remco de Jong. De voorstelling werd gemaakt in Gent en speelde eerder met veel succes in winkelcentra als Alexandrium in Rotterdam en Hoog Catherijne in Utrecht.

“We vonden een groot winkelcentrum een goede plek om de marktwerking van liefde te onderzoeken”, verklaart Bart. “Er wordt tegenwoordig heel economisch over relaties gesproken: je moet ‘investeren’, mensen kopen dingen voor elkaar om iets gedaan te krijgen. Het is een heel technische benadering van gevoelens.”

De spelers vonden in de film Dolls van de Japanse regisseur Takeshi Kitano een aantal sprookjesachtige verhalen: een vrouw wordt krankzinnig omdat haar geliefde met een ander moet trouwen; een popsterretje raakt verminkt, wat een verliefde fan tot een gruweldaad drijft; een man wacht voor eeuwig op een oude liefde. “Het is een over-the-top sprookjesrealiteit die we in het consumentisme van een mall plaatsen, begeleidt door een kitcherige rock-opera van Remco.”

Bart weet nog niet of het publiek in Amsterdam heel anders zal zijn: “Op de andere locaties liepen allerlei sociale klasses door elkaar heen: hangjeugd, gezinnen met kinderen, zwervers. We hopen dat er in de Villa Arena genoeg variatie is. Maar de architectuur is prachtig. Het publiek komt te zitten op een plek van waar je weids uitzicht hebt over acht roltrappen. De directie had er geen moeite mee dat wij hier gaan spelen. We hebben ook geen groot decor of veel licht. Opbouwen doen we in een uurtje. Het is echt hit-and-run theater.”

Het onbewuste publiek reageert vaak verrast. “Mensen zien wel meteen dat er iets aan de hand is. Het is behoorlijk theatraal wat we doen. We gaan op de grond liggen, ik moet mijn medespeelster Wine Dierickx slaan –dat heeft wel eens een probleem opgeleverd met een gekke zwerver-, maar de meeste mensen denken dat het een promotie is, of een filmopname. Ze zien de volgspot aan voor een camera. Het is leuk om te spelen met de code van het theater, maar soms merk je dat je meer met die code bezig bent dan met de inhoud van wat je te vertellen hebt.”

Wunderbaum speelt van het begin af aan veel op locatie. De groep begon onder de naam JongHollandia toen de acteurs –vers van de toneelschool in Maastricht- werden opgepikt door regisseur Johan Simons. Ze verhuisden met hem mee naar België toen Simons directeur werd bij NT Gent. Daarnaast kwamen ze in Nederland onder de hoede van Productiehuis Rotterdam. Ondanks het feit dat een groot deel van de acteurs in Amsterdam woont, kiest Wunderbaum de komende vier jaar voor de Maasstad. “We hebben eigenlijk nooit zo veel in Amsterdam gespeeld, we moeten hier echt nog publiek opbouwen. En op locatie spelen is hier moeilijker dan elders. Mensen zijn niet geïnteresseerd of gaan je zelfs tegenwerken. We zijn dan ook erg blij dat Frascati de komende jaren meer aan locatietheater wil gaan doen.”

Magna Plaza speelt zaterdag en zondag in de Villa Arena. Kaartverkoop via Frascati. Meer info op www.theaterfrascati.nl

Interview Mark Timmer

interviews,Theatermaker — simber op 17 november 2008 om 19:24 uur
tags: , , ,

Sinds begin dit jaar is Mark Timmer artistiek directeur van de fusie-organisatie Gasthuis-Frascati. Werkplaats Gasthuis in Amsterdam West, waar Timmer al sinds 2001 directeur was, en podium en productiehuis Frascati in de Nes groeiden al enige jaren naar elkaar toe. Eind september presenteerde de nieuwe organisatie zich. Een gesprek over lange lijnen, cruciale gesprekken en infiltreren in de stad.

Het eerste gesprek met Mark Timmer is een paar weken vóór Prinsjesdag. Er is nog veel onzekerheid over de financiering, er dreigen structurele problemen voor de productiehuizen in de Basisinfrastructuur en Timmer is een beetje terughoudend om er al te veel over te zeggen. Liever heeft hij het over de plannen voor Frascati en zijn fantastische nieuwe team. Maar voor die tijd moet hij toch het een en ander kwijt: ‘Vanuit de productiehuizen gezien is het afgelopen jaar een tamelijk destructieve exercitie geweest. We hebben lang het idee gehad dat we niet serieus zijn genomen. De gesprekken met subsidiënten zijn zeer vriendelijk, maar eigenlijk is het heel pijnlijk. Ze lijken niet langer je partners, er is geen historisch besef. Je ziet het bij alle overheden. Je zit steeds vaker te praten met de plaatsvervanger van de interim van een adjunct die met zwangerschapsverlof is. De belangrijke beleidsbepalers van diensten en de bepalende ambtenaren met passie en hartstocht, die zeggen ‘dat ga ik voor jou voor mekaar krijgen’ zijn verdwenen. Wellicht is het kunstenveld ook te groot en te onoverzichtelijk geworden, maar ik mis gesprekspartners om lange lijnen mee uit te zetten.’
Continue reading “Interview Mark Timmer” »

Recensie: Licht is de Machine van De Veenfabriek

Sinds een paar jaar werkt Paul Koek vanuit Leiden aan zijn avant-garde combinaties van locatie- en muziektheater. Nu is zijn gezelschap De Veenfabriek neergestreken in een reusachtige hangar op het voormalige marinevliegveld Valkenburg, waar hij het ambitieuze maar moeilijk te doorgronden project Licht is de Machine regisseerde.

Een enorm groen uitgelicht blok verdeelt de ruimte in tweeën. Erin is een lage smalle spleet uitgespaard, waardoorheen we een Katwijks zeegezicht zien. De voorstelling begint met het afbreken van het enorm brede schilderij, zodat we de enorme hal erachter zichtbaar wordt. Het is als een waarschuwing: u hoeft verder geen herkenbaarheid te verwachten.

Wat we wel zien is (onder heel veel meer) een vertederende dans van kleine koepeltentjes, acteur Joep van der Geest die op high-tech mechanische stelten het toneel over rent, een klein orkestje dat minimal music, big band, folky liedjes ondersteund door sirenes en chinese muziek speelt, een enorme carnavalswagen met een meeuwenkop en een verdwaalde postbode op een motorfiets.

Achterliggend thema is het utopische ideaal van de 18e eeuwse filosoof  Charles Fourier waarin arbeid niet langer dient om identiteit of geld te verkrijgen, maar om aan elkaar goed te doen. “Een mens die acht uur per dag vuilnis ophaalt wordt gereduceert tot een vuilnisman, maar iemand die uit vrije wil twee uur per week vuilnis ophaalt blijft een mens die helpt de rommel op te ruimen.”

Van daaruit worden uitstapjes gemaakt naar utopieën van de verschillende acteurs zelf: Van der Geest als profeet van de mens-machine, Reinout Bussemaker als filosoof van de passie, Lizzy Timmers die het leven als kinderspel wil beleven en Yonina Spijker die economische common sense zoekt. De voorstelling eindigt met een adembenemend mooi ballet van tientallen bewegende gloeilampjes, een mechanische utopie van onmenselijke schoonheid.

Koek bracht een groot aantal kunstenaars bijeen –componist Martijn Padding, vormgevers Theun Mosk en Joost Rekveld, dramaturg en schrijver Paul Slangen- maar de inhoudelijke basis is te smal om het verband te blijven zien tussen de verschillende onderdelen. Licht is de Machine is een voorstelling die je graag goed wílt vinden, vanwege de compromisloosheid en gigantische ideeënrijkdom van de makers, maar een die uiteindelijk stikt in z’n eigen overdaad.

Licht is de machine van De Veenfabriek. Gezien 15/11/08 op Vliegkamp Valkenburg bij Katwijk (ZH). Aldaar t/m 13/12. Meer info op www.veenfabriek.nl

Recensie: De koopman van Venetië van De Theatercompagnie

Parool,recensies — simber op 14 november 2008 om 13:35 uur
tags: , , , ,

Eigenlijk is het komedie, De koopman van Venetië, maar we kunnen het nog maar moeilijk zo zien. De slechterik in het stuk, Shylock, is namelijk een Jood, en niet zomaar een, maar de ergste karikatuur van de vrekkige, wrede woekeraar. Net als Het temmen van de feeks (dat lollig doet over vrouwenonderdrukking) is het voor hedendaagse theatermakers een van de lastigste werken van Shakespeare omdat het onderwerp té beladen is om zonder grote ingrepen op te voeren.

De Theatercompagnie heeft het nu toch aangepakt. Het is waarschijnlijk de laatste voorstelling van de groep -de subsidie wordt stopgezet-, maar in deze zwanenzang brengt regisseur Theu Boermans datgene waar hij zijn roem aan te danken heeft in optima forma: een kraakheldere en lichte enscenering van een klassieker, schitterende gespeeld door een combinatie van oude cracks en jong talent.

Shylock, een nauwelijks getolereerde buitenstaander in het christelijke Venetië leent een som geld aan de koopman Antonio die tijdelijk zonder zit. Die leent het meteen weer door aan zijn vriend Bassanio die het geld nodig heeft om indruk te maken op de rijke, begeerlijke en ongetrouwde Portia. Maar Shylock stelt een gruwelijke voorwaarde bij zijn lening: mocht Antonio niet op tijd kunnen terugbetalen, dan mag Shylock een pond vlees uit diens lichaam snijden.

Boermans oplossing voor het antisemitisme is vernuftig: door in andere scènes (de andere vrijers aan het hof van Portia) hilarische maar ook pijnlijke karikaturen neer te zetten van Arabieren en Chinezen schetst hij in een decor van zilver glimmende sliertgordijnen effectief het beeld van een samenleving die bang is voor alles wat vreemd is. Net als Ivo van Hove deed met Het temmen van de feeks maakt hij de oorspronkelijke komedie tragisch en maatschappijkritisch door de bad guys sympathieker te maken en de helden met wantrouwen te volgen.

Shylock is een prachtige rol van Pierre Bokma, die de gedurfde combinatie van platte komedie en afgetekende tragiek bijzonder fraai naar zijn hand zet. Een echte ontdekking is Loes Haverkort, een nog jonge actrice die Portia neerzet als poor little rich girl, die zich na de pauze -in het rechtbankdrama dat volgt als Antonio niet kan betalen en Shylock zijn pond vlees opeist- als man vermomd een haarkloverige juridische oplossing vindt. Maar ook Eva van der Gucht, die met een opgetrokken wenkbrauw de zaal plat krijgt, en Mike Reus als oppervlakkige Bassanio zijn op dreef.

Het stuk wemelt van contracten, ringen die geloftes bezegelen en schuldbekentenissen. Het handhaven van de afspraken is doel op zich geworden in Venetië. De rechtbank kan Shylock niet tegenhouden ook al zou het tot de dood van Antonio leiden: de wetten zouden ongeloofwaardig worden. Haarscherp laat Boermans zien dat door de wet tot het uiterste te volgen de beschaving die zij moeten handhaven bij het vuilnis wordt gezet.

Het is moeilijk om deze Koopman niet ook autobiografisch te zien. Ook Boermans werd slachtoffer van regeldrift en zal zich nu voelen als Shylock: aan de bedelstaf, beroofd van zijn identiteit en gedwongen tot een zwervend bestaan. We wensen beter voor hen allebei.

De Koopman van Venetië van De Theatercompagnie. Gezien 13/11/08 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 15/11. Tournee t/m 23/12. Meer info op www.theatercompagnie.nl

Verslagje Breakin’ Walls

Parool,verslagjes — simber op 13 november 2008 om 00:25 uur
tags: , , , ,

Breakin’ Walls moet meer worden dan het jongerenfestival van Theater Frascati. Festivalcoördinator Kiki Rosingh wil van Breakin’ Walls een ‘label’ maken voor alle jongerenvoorstellingen in de Nes, en wil tijdens het festival meer mixen met de reguliere bespelers van Frascati. “Wij zijn het jonge, hippe, stoute broertje van Frascati”, zei Rosingh gisteravond bij de opening van de zesde editie.

Dat voornemen komt het best tot uiting in twee projecten, waar gerenomeerde theatermakers samenwerken met jonge multiculturele jongeren. Zo maakte multimedia-kunstenares Carina Molier een film met studenten van de multiculti theateropleiding ITS DNA. In Zorn volgt een cameraploeg een vluchteling naar het gesprek waarin besloten wordt over zijn asielverzoek. Buiten de hekken van een groot gebouw, naast het hokje met twee bewakers gebruikt ze hortende hand-held camerabewegingen en een dreigende soundscape om het zenuwachtige wachten te tonen.

Molier weet met de hectische vorm en naturel acteren heel terloops de wanhoop van de jonge vluchteling te laten zien. Misschien net iets té terloops. De makers zeggen geïnspireerd te zijn op de weerbarstige filosoof Peter Sloterdijk (en op een scène uit de BNN serie Couscous & Cola), dat is meer pretentie dan dit half uur film kan dragen.

Speelser en veel vrolijker is de voorstelling Orange Guinea Pigs Into The Black Hole van het jonge mimecollectief Orange Guinea Pigs, dat begeleid werd door mime-regisseur Sanne van Rijn. Linar Ogenia en Laurens Oliveiro studeerden vorig jaar af aan de mime-opleiding en presenteren nu een reeks scènes, waarin ze fysieke begaafdheid koppelen aan aanstekelijke humor.

Ze doen een scène waarin ze een golftas vol sportartikelen het juiste instrument zoeken om de ene elastiekbal tegen de andere te schieten, een scène waarin ze zichzelf met een computermuisbesturen op Robot Rock, en een scène waarin ze stilstaand elkaar achterna rennen. Het is allemaal los en associatief, met als terugkerend thema ‘keuzes maken’, maar het wordt toch een eenheid door het vormbewustzijn van Van Rijn, die hiermee lijkt terug te grijpen op de werkplaatsvoorstellingen die ze jaren geleden met Roy Peters maakte bij het Gasthuis. Charmant en veelbelovend.

Overigens is tijdens het festival ook nog Mijn Naam is Rachel Corrie te zien van Laura van Dolron, een oudere, maar mooie voorstelling over een naïef meisje in de Gazastrook.

Breakin’ Walls duurt nog t/m zaterdag. Meer info op www.breakinwalls.nl

Recensie: They eat people van Union Suspecte en Abattoir Fermé

Parool,recensies — simber op 9 november 2008 om 17:26 uur
tags: , , ,

Een politiek ideoloog komt naar een campagnestrateeg met de beste kandidaat aller tijden: een acteur, toevallig ook zijn broer. Met z’n drieën zullen ze de Herenigde Vlaamse Unie naar een verkiezingsoverwinning brengen met de belofte van een onafhankelijk Vlaanderen. Dat de kandidaat in kwestie een Marrokaanse Brusselaar is die geen Nederlands spreekt is slechts een klein probleem.

In Nederland zijn we de afgelopen jaren bedolven onder expliciet politiek toneel. Denk aan Zeeuwse Nachten van het Volksoperahuis, Fortuyn van Helmert Woudenberg of, recenter, De Grote Verkiezingsshow van Het Zuidelijk Toneel. In Vlaanderen is dit veel zeldzamer, maar de twee groepen Union Suspecte en Abattoir Fermé maken een grimmig goede satire over populisme. Je zou het een Vlaamse variant op Eric de Vroedt’s Mightysociety kunnen noemen.

Bijna constant staan ze met z’n drieën in het koude licht op het metalen basketball-veldje in het decor: de morsige, explosieve spin-doctor (vervaarlijk gespeeld door Joost Vandecasteele), de villeine Zouzou (Zouzou Ben Chikha) en de meestal zwijgende, maar charmant glimlachende kandidaat Mourade (Mourade Zeguendi). In hoog tempo volgen we Mourade bij het leren van zijn speeches, zijn opportunische bekering tot het katholieke geloof en zijn debattraining. Op beeldschermen zien we foto’s en video’s van campagnebezoeken, interviewprogramma’s en reclamespots met Bekende Vlamingen (hier te lande vaak onbekend).

De voorstelling speelt vrolijk leentjebuur bij films als Wag the dog of The Manchurian Candidate, maar in Mourade zien we ook afspiegelingen van Barrack Obama of Sarah Palin. Of zelfs van Ahmed Aboutaleb, wanneer Mourade krijgt toegebeten dat hij als allochtoon dingen kan zeggen die racistisch genoemd zouden worden als een blanke het zou roepen. De tekst heeft een aantal sterke one-liners: “De mensen hebben liever een kandidaat die ze willen neuken dan een die ze kunnen vertrouwen.”

De taal is af en toe Frans, en de situatie veronderstelt enige kennis over de Belgische bestuurscrisis, en niet alle grappen werken in Nederland. Daardoor valt de wrangheid van de voorstelling des te meer op. Dat is soms jammer, maar ook nuttig. Het feit dat een inspirerende en oprecht lijkende politicus als Obama kan winnen betekent niet dat politiek ineens een schoon spelletje is geworden.

They eat people van Union Suspecte en Abattoir Fermé. Gezien 8/11 in Utrecht. In Amsterdam (Brakke Grond) 2-3/12. Meer info op: www.unionsuspecte.nl

Recensie: Kamp Holland van Orkater

Parool,recensies — simber op 7 november 2008 om 02:30 uur
tags: , , , ,

Het is eigenlijk embedded theater. Geert Lageveen en Leopold Witte -schrijvers en acteurs bij Orkater- vroegen zich af wie ‘onze jongens’ zijn die naar Afghanistan worden uitgezonden, schreven een brief aan het ministerie van Defensie en werden tot hun schrik uitgenodigd om zelf eens te komen kijken. In mei waren ze twee weken te gast in Kamp Holland in Uruzgan. Ze schreven er een populair Volkskrant-weblog en daarna de tekst voor de muziektheatervoorstelling Kamp Holland die gisteren in première ging.

In losse scènes volgt Kamp Holland een kleine compagnie vlak voor en tijdens hun tour of duty. Een vader vraagt aan zijn zoon of hij een militaire of een gewone begrafenis wil – dat moet van het nabestaandenprotocol, de groep krijgt de meest basale culturele training en voorlichting over bermbommen en dan zijn ze al in het kamp, een constructie met een container en veel trappen. Daar leren ze in hoog tempo het soldatenjargon en zich vervelen en tenslotte mogen ze eindelijk datgene doen wat ze zowel willen als vrezen: de poort uit.

Lageveen en Witte kiezen onomwonden voor het perspectief de belevingswereld van de soldaat in het veld ten opzichte van de politici en generaals thuis. Hun redeneringen worden scherp gemonteerd tegenover de keuzes waar de jongens voor staan. Dat geeft de voorstelling integriteit, maar slaat de problematiek ook een beetje plat. De schrijvers hebben echter een uitstekend oog voor hoe de manschappen met elkaar omgaan en hoe ze praten – er zit een geweldige scène in waarin aan ons Nukubu’s (nutteloze kut burgers) de PGU (persoonsgebonden uitrusting) wordt uitgelegd en de combinatie van schrik en euforie na een eerste schot is raak getroffen. De acteurs (meest van vergelijkbare leeftijd als de soldaten in Afghanistan) weten het authentiek te brengen, met als uitschieter Kees Boot als wereldwijze sergeant.

Maar de voorstelling lijdt onder de gekozen vorm. De spelers lopen de hele tijd in wit ondergoed met beige Palladium schoenen eronder. Dat maakt ze kwetsbaar en kinderlijk, maar geeft de personages ook iets onoverkomelijk lulligs. Ze zijn misschien onvolwassen en moreel niet op hun taak berekend, zoals de makers in het begin lijken te suggereren, maar voor hun borst hangt toch altijd een dodelijk wapen.

Daarnaast lukt het zowel de muziek -tamelijk inwisselbare moderne rock van het bandje Susies Haarlok, hier en daar met Afghaans accent- als de choreografie -semi-gedisciplineerd door elkaar geloop- niet om het verhaal goed te ondersteunen. Daar door is de voorstelling niet lucide zoals de reportages van Arnon Grunberg over Afghanistan, maar ook weer niet emotioneel diepgravend als Heddy Honigmann’s documentaire Crazy. Maar als inkijkje in het militaire wereldje is Kamp Holland zeker geslaagd.

Tegelijk met de voorstelling verscheen ook het boekje Tragische Helden, met daarin het dagboek van Lageveen en Witte, foto’s en teksten uit de voorstelling. Dat is dan weer LVT (leuk voor thuis).

Kamp Holland van Orkater. Gezien 6/11/08 in Haarlem. Te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg) 24/12 t/m 3/1. Tournee t/m 1/2/09. Meer info op www.orkater.nl

Volgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity