Recensie: ‘White Lies’ van Lies Pauwels

Parool,recensies — simber op 3 februari 2014 om 10:00 uur
tags: , ,

“Ik wil geen actrice meer zijn!” Lies Pauwels schreeuwt het uit; tien, twintig keer achter elkaar. Er zit een mooie tegenstrijdigheid in die scène. Want wie zoveel wanhopige zelftwijfel kan belichamen moet wel een hele goede actrice zijn.

Pauwels viel drie jaar geleden op in de voorstelling Freetown van Dood Paard, een tekst van Rob de Graaf. Met haar weelderige lijf, punky haar en doordringende stem wist ze van haar personage, een middelbare vrouw in Afrika op zoek naar seks en genegenheid, een iconisch personage te maken voor onze tijd. Ze won er in 2011 de Colombina voor.

Nu speelt ze de solovoorstelling White Lies (Engels voor ‘leugens om bestwil’), opnieuw geschreven door De Graaf, en de tweede in een trilogie van samenwerkingen tussen Pauwels en verschillende toneelschrijvers. Het is een fraai demasqué in anderhalf uur.

Van achter komt ze het podium opgestommeld, acrobatische toeren uithalend met een stapel stoelen, in een fel rood, veel te kort jurkje. Het duurt even voor je ziet dat ze op kunstschaatsen loopt.

De ruimte doet onmiskenbaar denken aan een Oosteuropese persconferentie: tafel met microfoons, plant, en een vloer, achterwand en tafelrok in iets te glimmende, vloekende kleuren. Pauwels vertelt haar verhaal aan ‘Lars’, als een denkbeeldige auditie voor de deense filmer Lars von Trier, die heeft aangegeven: “Ik wil niet de feiten uit je leven horen – ik wil weten wat echt belangrijk voor je is.” Maar wat is nou eigenlijk echt belangrijk voor iemand die zo intensief met illusies leeft?

Pauwels en De Graaf creëren in een grillige, uitwaaierende monoloog een complex personage met een te grote drang naar vrijheid en laag verantwoordelijkheidsgevoel. “Iemand heeft ooit bedacht dat de aarde om de zon heen draait. Maar we weten allemaal dat het zo niet zit: het draait allemaal om ons. Om mij.”

Tegelijk is de voorstelling een fijne uitstalkast voor het talent van Pauwels die met nauwelijks meer dan een tafel waarondervandaan ze steeds flessen met een bodempje drank tovert en een abstract levensverhaal een heel mensenleven kan suggereren.

Toch gaat de voorstelling net te weinig vlammen om echt memorabel te worden. Dat kan de avond zijn, of de magere publieksopkomst, maar de paar intense momenten –“Ik wil geen actrice meer zijn!”, of het moment dat Pauwels zich afschminckt– suggereren een razernij die in de rest van het spel te weinig tot uitdrukking komt.

Aan het eind is Pauwels fragiel, berustend bijna, en lossen alle zekerheden op in een eindeloze serie vragen. “Bestaan er woorden die iets anders zaaien dan verwarring?”

White Lies van Lies Pauwels. Gezien 25/1/14 in Haarlem. Te zien in Amsterdam (Frascati) 4 en 5/2. Meer info op www.frascatitheater.nl

Selectie Theaterfestival

Theatergroep De Warme Winkel en theatermakers uit Vlaanderen, dat zijn de smaakmakers van het toneel in Nederland. Dat beeld wordt bevestigd als je naar de selectie van het Nederlands Theaterfestival kijkt. De jury, onder leiding van de ooit acterende schrijver Arthur Japin, maakte afgelopen zaterdag de tien voorstellingen bekend die zij de beste van het afgelopen seizoen acht en die in september tijdens het festival nog een keer te zien zijn in de theaters rond het Leidseplein.

De Warme Winkel is met twee voorstellingen uitgekozen: Alma (een beeldende performance over Alma Mahler) en Viva la naturisteraçion, een voorstelling over naturisme, waarin de vijf spelers voornamelijk naakt op het podium staan, een coproductie met De Utrechtse Spelen. Vooral de selectie van Alma is opvallend: de voorstelling werd drie jaar geleden gemaakt op Oerol, en was afgelopen herfst slechts twee in Nederland keer te zien. Je zou de uitverkiezing kunnen zien als beloning voor het groeiende aantal reprises in Nederland, waarbij succesvolle voorstellingen, later worden hernomen zodat meer publiek de kans krijgt ze te zien.

Daarnaast telt de selectie drie voorstellingen uit Vlaanderen: Bedrog van Stan, Disisit van Benjamin Verdonck en Bloed & Rozen van Het Toneelhuis en regisseur Guy Cassiers, een nieuw toneelstuk van Tom Lanoye over Jeanne d’Arc en Gilles de Rais. Cassiers beleeft na zijn befaamde Proust-cyclus een nieuwe artistieke piek: zijn marathonvoorstelling naar het boek De man zonder eigenschappen van Musil staat binnenkort op het Holland Festival en had in deze Theaterfestivalselectie zeker niet misstaan.

Naast Bedrog van Pinter is er nog meer modern repertoire te zien in september: het Ro Theater werd uitgekozen met Millers De dood van een handelsreiziger en de jonge regisseur Paul Knieriem werd geselecteerd met Bernhards Am Ziel, een productie van de Toneelschuur met Marlies Heuer in de hoofdrol.

Amsterdams succes is er voor de vrije producent Hummelinck Stuurman, die geselecteerd werd met Oom Wanja waarin onder anderen Pierre Bokma en Hein van der Heijden meespelen, in regie van Gerardjan Rijnders en Husbands van Toneelgroep Amsterdam. Die laatste keuze is opvallend, want pers en publiek leken dit seizoen andere voorstellingen van TA, zoals In ongenade of Na de zondeval hoger te waarderen dan Ivo van Hoves bewerking van de film van John Cassavates.

De laatste uitgekozen voorstelling is Bimbo van mimegroep Boogaerdt/Van der Schoot, een fascinerend akelige verbeelding van de ‘pornificatie’ van de samenleving. Theater als het krassen van nagels op het schoolbord en dus bij uitstek geschikt voor het Theaterfestival dat naast mooie voorstellingen tonen toch ook discussie wil oproepen.

De selectie overziend rijst het beeld van een evenwichtige, degelijke keuze. De jury koos geen kleine, obscure voorstellingen, en vergat geen grote hits – of het moest De prooi zijn van Het Nationale Toneel, de voorstelling over de val van ABM Amro die dit seizoen het meeste media-aandacht wist te genereren. Bezoekers die in september voorstellingen gaan ‘inhalen’ zullen weinig te klagen hebben over het niveau en de diversiteit van het Nederlandse theater.

Daar staat tegenover dat je zonder moeite een aantal voorstellingen kan noemen die ook in de keuze zouden passen, zoals Mahabharata van Marjolein van Heemstra of Krenz van Willem de Wolf. Het reflecteert een theaterseizoen waarin de kwaliteit zeer hoog was, maar échte uitschieters (te) schaars.

Daar moet bij gezegd worden dat die uitschieters, zeker in de grote zaal, opvallend vaak Vlaamse voorstellingen zijn. Naast de eerder genoemde Musil-cyclus van Cassiers hoorden wat mij betreft ook het onvoorstelbaar weirde Robo-a-Gogo van Wayn Traub en het megalomane 300 el x 50 el x 30 el van FC Bergman tot de hoogtepunten van het seizoen. Helaas zijn die voorstellingen maar één of twee keer in Nederland te zien. Onder druk van bezuinigingen en publiekseisen schuiven Nederlandse gezelschappen langzaam naar het midden, terwijl in België de zucht naar avontuur nog groter is.

Dezelfde jury die deze selectie maakte, beslist ook over de acteursprijzen Theo en Louis d’Or. De nominaties daarvoor worden binnenkort bekend gemaakt.

Het Nederlands Theaterfestival vindt plaats van 30 augustus t/m 9 september. Meer info op ww.tf.nl

Recensie: ‘Oogst’ van Stan

Frank Vercruyssen en Damiaan De Schrijver staan te prutsen met apparaat en een plaat triplex. Het machientje is een piepklein en geavanceerd projectortje, het triplex dient als scherm. “Hadden we deze niet geleend van Discordia?”, vraagt De Schrijver. En als uitleg tegen het publiek: “Alles wat wij hebben is geleend of afgekeken van Discoria.” Dat klopt; niet alleen aan het decor, met katrollen opgehangen coulissen van gele stof en papier, maar ook aan de open speelstijl en de sobere manier van toneelrepertoire brengen is de invloed van de Amsterdamse groep te zien.

Vercruyssen en De Schrijver vormen samen met Sara de Roo en Jolente De Keersmaeker de kern van Toneelgroep Stan, opgekomen met de Vlaamse golf in de vroege jaren negentig. Eind 2009 vierde de groep haar twintigjarig bestaan met een paar 24 uur durende happenings waarop vele toneelvrienden aanschoven om half improviserend mee te spelen.

De voorstelling Oogst is een uitvloeisel van die etmalen. Vier avonden spelen ze in Frascati min of meer hetzelfde programma van losse scènes, maar steeds met andere gasten. Gisteren deden onder anderen de actrices Wine Dierickx en Maartje Remmers van Wunderbaum mee en zorgde altviolist Paul De Clerck voor muziek.

Er lijkt weinig overkoepelende thematiek te zijn, of het moet zijn dat de spelers van Stan in de gekozen fragmenten steeds het establishment vertegenwoordigen. In een paar scènes uit De Meeuw speelt De Roo steeds het oudere personage – de actrice Arkadina of de schrijver Trigorin – en de jonge acteur Thomas Janssens doet de opkomende generatie. Vercruyssen, binnen Stan de ongemeen intense tegenpool van de koddige De Schrijver, speelt een huiveringwekkende ondervrager in One for the road van Harold Pinter en Jeroen Perceval is zijn slachtoffer.

Niet alles in interessant, zoals een nogal pathetisch gedicht over Libië en een internetfilmpje over atoomproeven. En daar schuilt misschien ook het dilemma van Stan van de laatste jaren: de groep maatschappelijk betrokken kunstenaars blijkt toch vooral uit te blinken in schitterend komediespel.

Hoogtepunt van de avond is dan ook de korte klucht Het Huwelijksaanzoek van Tsjechov dat door De Schrijver en De Keersmaeker met hulp van komiek Dirk Van Dijck tot grote hoogte wordt gestuwd. Maar vandaag en morgen is er weer een ander programma, waarbij ook Discordia zelf acte de présence zal geven.

Oogst van Stan. Gezien 26/4/11 in Frascati. Aldaar t/m 29/4. Meer info op www.stan.be

Interview Raven Ruëll

interviews — simber op 1 april 2011 om 11:48 uur
tags: , , , ,

[voor de krant van De Brakke Grond]

Voor veel Nederlanders, zeker de kunstliefhebbers, bestaat er geen België onder Brussel. En zelfs voor veel theaterminnende Vlamingen is Wallonië grotendeels terra incognita. De Vlaamse regisseur Raven Ruëll maakt deze winter Baal, een bijzondere samenwerking tussen Vlaamse en Waalse acteurs. ‘Zowel Waalse als Vlaamse groepen spelen makkelijker in Frankrijk dan in Antwerpen.’

Raven Ruëll werkte als regisseur aan voorstellingen als Pakman van Artemis en Missie van de KVS en schreef de jeugdtheatermonoloog Stoksielalleen, waarvoor hij de 1000 Watt Prijs kreeg. Nu is hij aan het werk voor Baal van Bertolt Brecht, zijn nieuwe voorstelling bij Theater Antigone uit Turnhout. Begin november, ruim voor de start van de repetities geeft hij telefonisch uitleg bij zijn plannen en de cultuurverschillen tussen Vlamingen en Walen.

‘Ik geef nu vijf jaar les aan het conservatorium in Luik, en ik wilde graag werken met een aantal mensen die ik daar leerde kennen. Baal was een geschikt project, maar dan moesten ze wel Nederlands leren. Voor de voorstelling is de Vlaams/Waalse samenwerking niet essentieel, het maakt geen deel uit van de inhoud. Maar het gebeurt inderdaad niet zo vaak, dus in die zin is het bijzonder. We zitten natuurlijk ook met de rare politieke situatie, België heeft nog steeds geen regering. Zo’n samenwerking ís nu meteen iets, het is een betekenislaag die erbij komt.’

De voorstelling wordt eerst in het Vlaams gemaakt, maar later zal er ook een Franstalige versie komen. ‘We gaan op tournee door Vlaanderen, en we spelen dan ook in zéér Vlaamse Cultureel Centra. Ik bedoel zalen waar je aan de programmatie kunt zien dat het publiek geen Franstalige acteurs of regisseurs zal kennen’

Het is opmerkelijk om te horen hoe gescheiden de twee circuits blijken te zijn. ‘Er zijn redelijk wat Franstalige groepen, maar die zijn in Vlaanderen volstrekt onbekend. Waalse groepen spelen natuurlijk makkelijker in Frankrijk dan in Antwerpen, maar het verbazende is dat dat voor Vlaamse groepen óók geldt: Stan of Het Toneelhuis spelen wel in Frankrijk, maar nooit in Franstalig België.’

‘Er zijn ook vrij veel vooroordelen over en weer. Het Franstalige theater heeft een grotere traditie met Racine en Molière, het Nederlandstalig theater heeft juist meer nieuwe teksten en collagevoorstellingen. Vlamingen denken vaak dat Franstalig nog ouderwets declamatorisch is. Omgekeerd denken Franstaligen dat Vlaams theater altijd ironiserend het theater onderuit haalt. Er is van allebei wel iets waar, maar we kennen elkaar te weinig om dat zo te zeggen.’

Bij de opleidingen is dat precies zo: ‘Op het RITS in Brussel, waar ik ook les geef, kent niemand Franstalige acteurs.’ In België zijn er vier Franstalige acteursopleidingen: twee in Brussel, een in Bergen (Mons) en een in Luik. ‘Ja, dat is best veel. Er heerst dan ook grote werkloosheid onder jonge acteurs. In Wallonië is het theater georganiseerd rond een auditiesysteem, waar iedere keer heel veel mensen op af komen. Dat is niet goed geregeld. In Vlaanderen is het beter: er zijn veel stages, zodat je als acteur makkelijk veel collega’s en regisseurs kunt leren kennen.’

Omdat hij zowel op een Vlaamse als op een Waalse toneelschool lesgeeft kan Ruëll goed vergelijken. ‘Er zijn verschillen tussen de opleidingen maar niet meer dan tussen de toneelscholen van bijvoorbeeld Arnhem en Maastricht. Maar in het algemeen kun je zeggen dat er in Luik meer voordrachtles wordt gegeven, je leert er de verzen van Racine goed reciteren. Sowieso krijgt het verleden meer aandacht. Je leert de verschillende stijlen hanteren; Stanislavski, Brecht, Artaud. Dat zijn verplichte nummers. En er is meer lichamelijke training. In Brussel gaat het meer om hoe je vandaag theater maakt.’

‘En ik kom daar af en toe een project doen. Toen ik daar in het begin kwam werken was het zeker een shock, in beide richtingen overigens. Ik vertrek vanuit de acteur, niet vanuit het personage. Maar ik werk daar met goede spelers, die vinden het al snel gewoon. Goede spelers zijn veelzijdig en open, die zijn niet leerstellig. De dogma’s leven sowieso eerder bij de docenten dan bij de studenten.’

Ruëll ging niet alleen in Luik werken, hij zegde zijn thuisstad Brussel vaarwel en ging ook wonen in Luik. ‘Het was een scharniermoment in mijn eigen werk. Ik had behoefte aan een andere manier van werken en wilde andere spelers tegenkomen. In Vlaanderen zijn er veel acteurs van wat je de ‘Discordia-stam’ kunt noemen, die werken bij gezelschappen zonder regisseur. Dat is een geweldige ontwikkeling en het levert mooie voorstellingen op, maar het is lastig voor iemand zoals ik. Ik wil als regisseur een stempel zetten.’

‘Ik wilde me op het regisseren concentreren, mijn eigen keuzes volgen. Ik bedoel: in Luik gaan de spelers heus niet voor je op de knieën, maar er is een grote bereidheid om snel de vloer op te gaan. Van de acht weken repetitietijd zit je niet vijf weken met z’n allen om de tafel, maar je gaat spelen. Ik heb daarbij ook veel dingen ontdekt. Ik kan voorstellen van de acteurs zelf vragen, het spelen zelf beïnvloeden. En spelers geven mij een eigen interpretatie zonder eerst drie dagen te spreken over waarom dat nou eigenlijk moet.’

Met Baal gaat Ruëll nog zien hoe de Vlamingen en de Walen zich tot elkaar gaan verhouden op de vloer. De repetities beginnen pas over een maand en hij is druk bezig met de bewerking van het stuk, samen met mede-regisseur Jos Verbist. ‘Jos kwam met dit stuk aan. We werken al tien jaar samen. We kijken vaak naar elkaars voorstellingen in de laatste fase, kunnen met elkaar spreken. Daarom durfden we het nu wel aan om echt samen te regisseren.’

‘We spelen de eerste versie die Brecht van het stuk speelt, geschreven toen hij twintig was. Het is een heel brutaal, jeugdig werk, met veel schouderduwen. Het is een stuk met een uitgesproken titelrol, een dierlijke dichter. Die hoofdrol wordt gespeeld door een van de Waalse acteurs, Vincent Hennebicq, die nu hard moet werken om Nederlands te leren spreken. En op die manier komt de taal toch centraal te staan. De worsteling van Baal met de taal vertaalt zich in de worsteling van Vincent om het goed uitgesproken te krijgen.

‘Nee, dit is anders dan Brecht zoals ze hem in Luik op school leren. Dit is de primitieve, woedende Brecht die nog niet didactisch is, nog niet het belerende vingertje opsteekt. De voorstelling moet ook vulgair en lelijk kunnen zijn. Vincent is erg fysiek. Ik hoop dat dat een clash op scène geeft.’

Baal van Antigone is op 1 en 2 april te zien in De Brakke Grond.

Recensie: ‘De man zonder eigenschappen I’ van Het Toneelhuis

De Vlaamse regisseur Guy Cassiers vestigde zijn naam met de Proust-cyclus bij het Ro Theater, een vierdelige theaterbewerking van Op zoek naar de verloren tijd. Nu kiest hij opnieuw een van de dikste romans uit de literatuurgeschiedenis voor een nieuwe serie: De man zonder eigenschappen van de Oostenrijkse schrijver Robert Musil.

Het eerste deel van dit drieluik biedt hetzelfde afstandelijk fluistertheater dat Cassiers al jaren kenmerkt, maar is ook actueel, mooi gespeeld en prachtig vormgegeven. Opnieuw maakt Cassiers veel gebruik zendmicrofoons en videoprojecties, al valt deze keer vooral de schoonheid op en niet het technische vernuft.

Uit de enorme roman koos Cassiers het verhaal van de ‘parallelactie’ als kern van het verhaal. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog moet de jonge Weense wiskundige Ulrich van zijn vader secretaris worden van de commissie die het zeventigjarig jubileum van koning en keizer Franz Jozef in 1918 van een passende viering moet voorzien. In de commisse verzamelt zich een kleurrijke dwarsdoorsnede van de Weense hofkliek en strijden conservatief en vaag idealisme, eigenbelang en besluiteloosheid om voorrang.

Musil en Cassiers schetsen een wereld in ontbinding. De roman wordt geroemd om zijn ironie, waarvan het feit dat in 1918 Frans Josef al dood is en Oostenrijk-Hongarije uit elkaar valt de grootste is. Ulrich is een ‘man zonder eigenschappen’ omdat hij passief is en overtuigingen mist. Hij is algemeen ontwikkeld, maar uiteindelijk net zo leeg als de bibliothecaris van de Hofburg, die steeds het juiste boek weet te vinden zonder er ooit een gelezen te hebben.

De voorstelling is zelf ook een parallelactie. Niet alleen blijken Musil’s teksten opvallend actueel, ook weten de personages verbazend raak commentaar te leveren op de schreeuwcultuur op internet, de rol van lingerie of de verhouding tussen politiek en zakenleven. Cassiers zorgen over wat er in Wenen op volgde zijn tastbaar, ook al wordt er in de voorstelling geen moment aan de oorlog gerefereerd.

Cassiers vult Musil’s veelheid aan thema’s aan met enkele grote gebaren in beeld en muziek. In het eerste deel projecteert hij steeds bewerkte uitsnedes van Da Vinci’s Laatste Avondmaal op het enorme achterdoek, aan het eind zien we Endsor’s De intocht van Christus in Brussel, hallucinerend verknipt door op en neer gaande rijen balkjes als projectiescherm. Op die manier komt veelkleurigheid in de plaats van harmonie en wordt het Christendom aan de kant gezet door de nieuwe volksbewegingen.

Meer dan in recente voorstellingen van Cassiers is er ruimte voor de acteurs. Gilda de Bal speelt een prachtige rol als oudere, sensuele dame van stand, die op het eind met één groot theatraal gebaar onttakelt. Daarnaast zijn er mooie rollen voor grote, grijze mannen – Vic de Wachter, Wim van der Grijn, Dirk Buyse, Johan Van Assche. Dit is toneel dan ook voor volwassenen, serieus en intellectueel, en met een angstwekkende deken van doem.

De man zonder eigenschappen I van Het Toneelhuis. Gezien in Utrecht op 26/10/10. Te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg) 29 en 30/10. Meer info op www.toneelhuis.be

Recensie: ‘Degrotemond’ van Skagen (TF)

Parool,recensies — simber op 9 september 2009 om 22:06 uur
tags: , , , , ,

Het is een cliché dat politiek eigenlijk theater is, maar de Vlaamse groep Skagen weet er een mooie draai aan te geven. Valentijn Dhaenens, acteur bij het Antwerpse collectief, maakte een collage van beroemde redevoeringen en voert ze op als monoloog, alleen achter vijf sets microfoons. Zowel het Nederlandse als het Vlaamse Theaterfestival selecteerde de voorstelling, in Amsterdam is hij op locatie te zien in de laboratiumzaal van de UvA.

Dhaenens koos korte fragmenten en we schieten in de tijd heen en weer tussen Pericles en Louis Farrakhan; van de Grootinquisiteur uit de Gebroeders Karamazov tot George Bush sr. én jr. Je mag grinniken bij een satirische imitatie van koning Boudewijn die niet de Belgische abortuswet wil tekenen, je ongemak weglachen bij de voorzitter van het Vlaams Belang die in Washington zijn standpunten uiteenzet, bedachtzaam nadenken over Goebbels’ oproep tot “de totale oorlog” en meevoelen met het hoopvolle, maar wraakzuchtige enthousiasme van Lumumba bij de onafhankelijkheid van Congo.

Steeds verplaatst hij van de ene bundel microfoons naar de andere, steeds kiest hij een andere stijl, een virtuoze acteur met oog en oor voor retorisch effect. Tussendoor klinken intermezzo’s van zang, getrommel en tekstflarden die Dhaenens live maakt en die via ingenieuze sampling tot muziek en achtergrondgeluid worden gemixt. Het versterkt de eenzaamheid van de redenaar –gevangen op het podium voor het publiek- en zijn steeds grotere afhankelijkheid van techniek.

De lijkrede van Pericles is het sleutelmoment. Hij roemt de eer van de voor het vaderland gevallen helden. Keer op keer gaat het in de door Dhaenens’ gekozen fragmenten erom individuen onderdeel te maken van een groter, meestal nationaal verband, of het nu Tommy is, wiens vader op 9/11 omkwam, de Duitse vrouwen die van Goebbels niet meer uit eten of naar de kapper mogen, de soldaten van generaal Patton die de strijd in worden gestuurd  of de zwarte Amerikanen die zich volgens Louis Farrakhan moeten verenigen tot een “Zwart Amerika”.

In België is dat soort nation building natuurlijk gevoelige materie en het is jammer dat Dhaenens zijn scepsis ten opzichte van mooie woorden voor twijfelachtige zaken iets te veel laat door laat schemeren. Hij zorgt namelijk op andere plekken al voor een contrapunt: een paar speeches van individuen die zich juist niet willen onderwerpen: de Italiaanse immigrant Nicola Sacco die in Amerika onterecht ter dood werd veroordeeld; Koning Boudewijn die zijn zijn geloof in God volgt; Socrates die zich verdedigd tegen beschuldigingen tegen hem. Daar zit voor de toeschouwer de ruimte om zelf te kiezen tussen wantrouwen of geestdrift.

Degrotemond van Skagen. Gezien 31/8 in Brussel. Te zien in Amsterdam (Nederlands Theaterfestival) 11 t/m 18/9 . Meer info op www.tf.nl en www.skagen.be

Verslagje: Crew/Eric Joris weekend in de Brakke Grond

Parool,verslagjes — simber op 22 maart 2009 om 20:12 uur
tags: , , ,

Daar sta je dan; oog in oog met een half-technologisch wezen. Hij of zij kan niet zien, met zijn virtual reality-bril en koptelefoon op, een raar medisch schort aan en aangesloten op een dikke kabel. Toch weet hij met enige moeite zijn koptelefoon op jouw hoofd te zetten. Enkele minuten later ben je net zoals hij.

Het werk van de Vlaamse theatermaker Eric Joris sluit aan bij het Nederlandse ervaringstheater van bijvoorbeeld Dries Verhoeven of Boukje Schweigman. Maar waar die laatsten vooral op zoek zijn naar zo simpel mogelijke theatrale middelen, maakt Joris met zijn groep Crew juist gebruik van de meest geavanceerde techniek. In de Brakke Grond  werd afgelopen weekend aandacht besteed aan Joris’ speciale vorm van hoogtechnologisch ervaringstheater, met lezingen, discussies en de één-op- één voorstelling Eux.

Voor zijn nieuwe theatervorm heeft Crew een samenwerkingsverband opgezet met verschillende Europese universiteiten. Veel technologie –in dit geval met name 360-graden video-camera’s die hun beelden live of bijna live doorsturen naar virtual reality-brillen- wordt steeds verfijnder, maar wetenschappers zijn hard op zoek naar kunstenaars die hun werk van inhoud voorzien. Joris was oorspronkelijk striptekenaar, maar raakte gefascineerd door het idee een tekening ín te kunnen stappen.

Eux begint met een wandeling op straat met een koptelefoon op je hoofd en een technicus in je voetspoor. Een man vertelt het verhaal van zijn ziekte: hij kan geen gezichten meer herkennen. Op het moment dat hij wordt opgenomen in een inrichting kom je zelf via een achterdeur de theaterzaal binnen. Na de confrontatie met de technologische mens –een eerdere toeschouwer, blijkt later- en jouw eigen transformatie begint een merkwaardige reis door gangen in een ziekenhuis en een klooster, waarbij je steeds je eigen blikrichting kunt bepalen.

Intrigerend wordt het als iemand je vraagt om een hand voor je gezicht te houden en er tegelijkertijd een hand op het scherm in je bril verschijnt. Verbijsterend  is de ervaring als je eigen handen iets anders moeten doen dan je virtuele handen. En dan zie je ineens jezelf, een iets eerder opgenomen beeld, je achtervolgt jezelf door een gang, terwijl je nog steeds in die opname vrij om je heen kunt kijken.

De ervaring is intrigerend en gelaagd, maar het verhaal het zwakke punt is van de voorstelling. Als je de ruimte krijgt om te exploreren, wil je niet verteld krijgen wat er aan de hand is, maar het zelf ontdekken.

Dit soort high-tech theater heeft vooralsnog een smal publiek. Dat is niet zo verwonderlijk: bij Eux kunnen per avond slechts twaalf toeschouwers naar binnen. Maar ergens op dit terrein ligt een fascinerende toekomst waarin theater, film en game in elkaar overvloeien. Bij Joris’ volgende project krijgen twee mensen met een 360-graden camera, microfoon, virtual reality-bril en koptelefoon elkaars zintuigen te zien en horen. Dit project, met de toepasselijke titel Headswap, lijkt een interessante stap van verhaal naar spel.

Meer info op www.crewonline.org

Gesproken Column voor Goesting

meningen — simber op 30 november 2008 om 22:24 uur
tags: ,

Goesting is een festival voor Vlaams jeugdtheater in Amsterdam, georganiseerd door de Stadsschouwburg, De Krakeling en de Brakke Grond. Ik werd gevraagd om een column uit te spreken over de verschillen tussen Vlaams en Nederlands (jeugd)theater op de laatste dag bij een parcours voor jeugdtheaterprofessionals. Over die briefwisseling met Wouter Hillaert waaraan ik refereer volgt later meer. NB: Alleen het gesproken woord telt ;-)

In een aantal brieven die ik uitwissel met (Vlaams theatercriticus) Wouter Hillaert proberen wij samen te meten hoe breed en diep de kloof is die onze twee vaderlanden scheid. Dat  die kloof er is en dat die groter wordt staat voor ons beiden buiten kijf.

Mijn eerste indruk was dat het vooral een probleem in de taal was. Om George Bernhard Shaw te parafraseren: Nederland en Vlaanderen zijn twee landen die gescheiden worden door dezelfde taal. Niet alleen dat we elkaar niet meer verstaan – dat Vlaamse toneelrecensenten bij Amsterdamse koffiestalletjes in het Engels worden toegesproken, of dat Baantjer in Vlaanderen wordt ondertiteld – maar dat woorden hier en daar –zie de bordjes aan de muur in de Krakeling- iets totaal anders betekenen. Oók, juist de woorden waarmee we over onze verschillen willen praten. Dat bleek gisteren weer tijdens een ‘overleg’ tussen Vlaamse en Nederlandse jeugdtheatermakers .

Pardon: daar ga ik al. Ik noem Goesting een festival voor jeugdtheater. Nee hoor, zeggen de Vlamingen: het gaat om kinderkunst. Ik krijg de indruk dat waar jullie het woord ‘autonoom’ gebruiken, Nederlanders vaak het woord ‘artistiek’ bezigen. Wat in Vlaanderen ‘publiekswerking’ heet, wordt in Nederland ‘marketing’ genoemd. In Nederland kan er onomwonden worden gesproken over ‘Overaanbod’, in Vlaanderen moet de verantwoordelijke minister een verhullende metafoor gebruiken: “Het bos is vol.”

Ik denk echter dat de situatie veel ernstiger is dan ik tot nu toe dacht. Die woorden verhullen slechts dat in onze twee landen een totaal verschillend paradigma voor de kunsten ontstaan is. (De verschillen tussen Vlaams en Nederlands jeugdtheater zijn dan ook volgens mij niet heel anders dan de verschillen tussen het theater voor volwassenen.) Het probleem in één zin: In Vlaanderen staat de maker centraal, in Nederland meer en meer het publiek.

In Vlaanderen blijft de autonomie van de kunstenaar en het kunstwerk het centrale geloofsartikel. (Ik kan daarbij niet negeren dat ‘autonomie’ een tweede, in Vlaanderen politieke betekenis heeft.) Dat leidt tot eigenzinnige voorstellingen, die hun publiek –ook kinderen- zeer serieus nemen, waar toeschouwen een werkwoord is. En ook tot voorstellingen die merkwaardig genoeg een beetje eenvormig zijn. De afgelopen dagen zag ik opvallend vaak een decor van losse objecten op de vloer en acteurs die half tegen de zaal, half tegen hun medespeler het verhaal vertellen. Of acteurs die zelf met samplers kakafonische muziek maken. Of groepen jongeren op scene, in choreografie van volwassen gedrag. Nederlanders vinden die voorstellingen vaak –ik chargeer natuurlijk- ‘moeilijk gedoe’, ontoegankelijk en een beetje saai.

In Nederland is het paradigma van de autonomie vrijwel geheel afgebroken en is er een nieuw in aanbouw. Hier worden vele theatervormen onderzocht die naar het publiek toe bewegen. Die vinden Vlamingen dan weer vaak oppervlakkig en commercieel en voor een deel is dat terecht. Om terug te komen op de terminologie: de term ‘publiekswerking’ geeft al aan –ik heb het van Leen Laconte gisteren- dat het publiek in Vlaanderen wordt gezien als te verheffen burgers, terwijl de Nederlandse term ‘marketing’ impliceert dat het publiek bestaat uit consumenten aan wie iets verkocht dient te worden.

Maar wat veel Vlamingen vaak in Nederland over het hoofd zien is de enorme diversiteit van ons theateraanbod. Wij hebben een bataljon ‘urban’ theatermakers, een geheel eigen genre ‘ervaringstheater’, vrije producenten die zonder subsidie zowel repertoire als nieuw toneelwerk van behoorlijke kwaliteit brengen en een scala aan subgenres binnen de mime. Het blijft bijzonder in Nederland hoe groot de veelzijdigheid is die we tolereren, en hoe makkelijk die heterogene paradigma’s naast elkaar kunnen bestaan.

Ik ben bang dat ik u niet kan achterlaten met een hoopvol perspectief voor de toekomst. Ik denk niet dat de kloof binnenkort gedicht zal worden. De  belemmeringen zijn niet alleen ideologisch van aard en gaan ook verder dan de kunsten. De verschillen van het breedste niveau – Vlaamse nation building ten opzichte van België en Nederlandse identiteitsverwarring en navelstaren door het felle integratiedebat – tot op het smalste praktische deelaspect – bijvoorbeeld het feit dat het binnenhalen van publiek in Vlaanderen de verantwoordelijkheid is van de zalen en in Nederland van de groepen – maken uitwisseling niet eenvoudig.

Natuurlijk kun je tegen mijn pessimisme voorbeelden inbrengen van geslaagde projecten, inspirerende kruisbestuiving en hardwerkende bemiddelaars. Maar het is heilloos zelfbedrog om te denken dat dát de trend is en de verwijdering een incident. De Vlaams-Nederlandse samenwerking moet zich aanpassen aan de nieuwe situatie, waarin de afstand groter is geworden, waarschijnlijk voorgoed. Vlaanderen is van onze naaste buur ons dichtst bij zijnde buitenland geworden.

Recensie: They eat people van Union Suspecte en Abattoir Fermé

Parool,recensies — simber op 9 november 2008 om 17:26 uur
tags: , , ,

Een politiek ideoloog komt naar een campagnestrateeg met de beste kandidaat aller tijden: een acteur, toevallig ook zijn broer. Met z’n drieën zullen ze de Herenigde Vlaamse Unie naar een verkiezingsoverwinning brengen met de belofte van een onafhankelijk Vlaanderen. Dat de kandidaat in kwestie een Marrokaanse Brusselaar is die geen Nederlands spreekt is slechts een klein probleem.

In Nederland zijn we de afgelopen jaren bedolven onder expliciet politiek toneel. Denk aan Zeeuwse Nachten van het Volksoperahuis, Fortuyn van Helmert Woudenberg of, recenter, De Grote Verkiezingsshow van Het Zuidelijk Toneel. In Vlaanderen is dit veel zeldzamer, maar de twee groepen Union Suspecte en Abattoir Fermé maken een grimmig goede satire over populisme. Je zou het een Vlaamse variant op Eric de Vroedt’s Mightysociety kunnen noemen.

Bijna constant staan ze met z’n drieën in het koude licht op het metalen basketball-veldje in het decor: de morsige, explosieve spin-doctor (vervaarlijk gespeeld door Joost Vandecasteele), de villeine Zouzou (Zouzou Ben Chikha) en de meestal zwijgende, maar charmant glimlachende kandidaat Mourade (Mourade Zeguendi). In hoog tempo volgen we Mourade bij het leren van zijn speeches, zijn opportunische bekering tot het katholieke geloof en zijn debattraining. Op beeldschermen zien we foto’s en video’s van campagnebezoeken, interviewprogramma’s en reclamespots met Bekende Vlamingen (hier te lande vaak onbekend).

De voorstelling speelt vrolijk leentjebuur bij films als Wag the dog of The Manchurian Candidate, maar in Mourade zien we ook afspiegelingen van Barrack Obama of Sarah Palin. Of zelfs van Ahmed Aboutaleb, wanneer Mourade krijgt toegebeten dat hij als allochtoon dingen kan zeggen die racistisch genoemd zouden worden als een blanke het zou roepen. De tekst heeft een aantal sterke one-liners: “De mensen hebben liever een kandidaat die ze willen neuken dan een die ze kunnen vertrouwen.”

De taal is af en toe Frans, en de situatie veronderstelt enige kennis over de Belgische bestuurscrisis, en niet alle grappen werken in Nederland. Daardoor valt de wrangheid van de voorstelling des te meer op. Dat is soms jammer, maar ook nuttig. Het feit dat een inspirerende en oprecht lijkende politicus als Obama kan winnen betekent niet dat politiek ineens een schoon spelletje is geworden.

They eat people van Union Suspecte en Abattoir Fermé. Gezien 8/11 in Utrecht. In Amsterdam (Brakke Grond) 2-3/12. Meer info op: www.unionsuspecte.nl

Recensies van Vlaamse komedies: ‘Feydeau’ en ‘Le Dindon’

Parool,recensies — simber op 25 maart 2008 om 01:16 uur
tags: , , ,

Het is een grappig trendje: ineens zijn er drie Vlaamse theatergroepen die zich gestort hebben op de klucht. Groepen als De Roovers en Skagen uit Antwerpen en Antigone uit Kortrijk brengen normaal nogal wat zwaarder repertoire, maar nu mag er onbeschaamd gelachen worden. Toch leggen alledrie de groepen hun eigen accenten.

Zowel Antigone als De Roovers spelen George Feydeau (1862-1921), de schrijver van ontelbare blijspelen en farces uit La Belle Epoque. Hij was een grootmeester in de komedie die het moet hebben van persoonsverwisselingen, deuren, poep- en piesgrappen en heel veel overspel en pogingen daartoe.

Antigone gebruikt Het Laxeermiddel als uitgangspunt, maar gebruikt fragmenten uit andere stukken als entr’actes. Zoals de titel doet vermoeden is het stuk nogal anaal geörienteerd: man des huizes wil met een officier een contract sluiten om pispotten te verkopen aan het leger, terwijl moeder zoonlief een laxeermiddel wil toedienen en de dienstmeid in de weg loopt. Alle zaken gaan op onsmakelijke wijze door elkaar lopen. De zevenjarige zoon wordt gespeeld door een acteur die er met lange baard en zonnebril uitziet als The Dude uit The Big Lebowski en de gesprekken worden vaak ondersteund door vunzige gemimede anale standjes.

Als je het zo opschrijft lijkt het nog best wat, maar grappig wil het maar niet worden. Het is aan de ene kant een taalprobleem: een groot aantal talige grapjes worden heel anders, terloopser, geplaatst dan in Nederland met zijn cabarettraditie. Daardoor blijft de zaal vanaf het begin grimmig stil en vallen de uitzinnige scènes die volgen dood neer. Maar ook missen de spelers scherpte en tempo en de verhouding tussen de toch wat brave tekst en de platte zetting raakt zoek.

Beste stukken zijn de korte scènes uit andere stukken van Feydeau. Een politieagent ondervraagt een verwarde man, die geen enkel uitsluitsel kan geven. De bochten waarin hij zich wringt om de meest eenvoudige vragen te ontwijken -“wat is de datum van vandaag?”- zijn fantastisch om te zien.

De Roovers blijken zowel intelligenter als grappiger. Voorafgaand aan Le Dindon (‘Het kind van de rekening’) krijgen we van actrice Sara de Bosschere een geestige inleiding in de wetten van de Feydeau-farce, waarbij in de eerste van de drie aktes altijd een ontmoeting plaatsvindt en de tweede zich altijd afspeelt in een publieke gelegenheid, bij voorkeur een hotel.

In de eigenlijke voorstelling wordt het mechaniek van Feydeau telkens expliciet gemaakt: de hysterische Carly Wijs en de vette Robby Cleiren leggen veel nadruk op hun dubbelrollen en rascharmeur Warre Borgmans kan met een schouderbeweging de hele zaal mee krijgen. Grappig, gevat met precies de juiste timing.

Feydeau door Theater Antigone. Gezien 19/3 in Rotterdam. Te zien in Amsterdam (Frascati) vandaag en morgen, tournee t/m 5/4. Meer info op www.antigone.be
Le Dindon door De Roovers. Gezien 24/3 in de Stadsschouwburg. Nog in Nederland op 8/4 in Haarlem, meer info op www.deroovers.be

Volgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity