Recensie: ‘Na de zondeval’ van Toneelgroep Amsterdam

“Niemand kan zeker zijn van de zuiverheid van z’n eigen motieven.” Het zinnetje komt een paar keer terug in de nieuwe voorstelling Na de zondeval van Toneelgroep Amsterdam. Het is een waarschuwing tegen al te groot idealisme, zowel in de politiek als in de liefde. Maar probeer maar eens zuiver te blijven als Marilyn Monroe verliefd op je wordt.

Regisseur Eric de Vroedt maakte tot nu toe met name voorstellingen met concrete, actuele uitgangspunten. In zijn Mightysociety-serie ging het onder andere over terrorisme, babyboomers en de Probo Koala affaire en als hij bij Toneelgroep Amsterdam repertoire regisseerde, Tramlijn begeerte of Glengarry Glen Ross, dan plaatste hij dat rücksichtslos in het Hollandse heden. Bij Na de zondeval kiest hij nu echter voor vergaande abstractie.

Het toneelstuk van Arthur Miller is strikt genomen een sterk autobiografisch portret van een midlife crisis, maar tegelijk is het –net als Strindbergs Naar Damascus, dat TGA een paar jaar geleden speelde– een genadeloos zelfportret van een bitter geworden kunstenaar. Dat zal De Vroedt hebben aangesproken: vorig jaar stelde hij in Mightysociety8 doel en functie van zijn eigen geëngageerde theatervoorstellingen aan de kaak.

De voorstelling is opgezet als een therapiesessie van hoofdpersoon Quentin (Fedja van Huêt), met een kring stoelen in een smetteloos witte ruimte. In de eerste helft speelt een groep medepatiënten zijn ouders en eerste huwelijk en komen zijn politieke bezigheden aan bod, gebaseerd op Millers socialistische sympathieën en confrontie met McCarthys anticommunistische senaatscommissie. Het is een onderhoudend, maar inhoudelijk rommelig gedeelte, met veel personages en weinig focus, al spelen Marieke Heebink en Tamar van den Dop fijne rollen als respectievelijk eerste en derde vrouw. Ook een scène tussen Fred Goessens en Kitty Courbois als vader en moeder waarin hij al het familiekapitaal kwijtraakt tijdens de beurscrisis van 1929 is prachtig bedremmeld, maar het blijven losse fragmenten zonder verband.

Over de helft van de tweeëneenhalf uur durende voorstelling komen de zaken op scherp te staan. De geblokte muren beginnen door spectaculaire videotechniek te schuiven (decor van Maze de Boer en Remco de Jong) en in het licht van operatietafellampen wordt Quentins/Millers tweede huwelijk ontleed, dat met de op Marilyn Monroe gebaseerde Maggie.

In een lange, zinderende scène spelen Van Huêt en Karina Smulders en sneltreinvaart de verleiding, de heftige liefde en de door drugs en alcohol versnelde aftakeling en strijd. Van Huêt is prachtig als man die steeds op de rand van razernij staat, tot hij eroverheen valt. Smulders lijkt eerst makkelijk op verleiding en koketterie te spelen, maar als het huwelijk mislukt schakelt ze zó snel tussen flemende diva en om aandacht smekend wrak dat je eigenlijk geen tijd hebt om het te bewonderen. Die fenomenale tweestrijd tussen de twee –ook in het echte leven een koppel– tilt de voorstelling in de tweede helft naar een zeer hoog niveau.

Toch knaagt er iets; de voorstelling zet hoog in en lijkt iets te willen zeggen over politiek én hartstocht. Maar uiteindelijk blijft alleen de liefde over. En dus de vraag welke rol De Vroedt nog ziet voor de kunst.

Na de zondeval van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 4/3/12 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 10/3. Tournee t/m 31/3. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘Het Diner’ van Hummelinck Stuurman

Schrijf een succesvol Nederlands boek en vroeger of later komt er een theaterproducent op bezoek die het op het toneel wil zetten. Vorig seizoen zagen we de klassiekers De Aanslag, De Avonden en Karakter, dit seizoen zien we moderne bestsellers als De Eetclub en De Prooi.

Je kon dus wachten op de vertoneling van de bestseller en NS Publieksprijswinnaar Het Diner van Herman Koch. Kochs Jiskefet-maatje Kees Prins bewerkte en regisseerde. En dan blijkt (weer) dat zo’n toneelbewerking niet altijd een goed idee is, de erg leuke acteurs en de transparante regie ten spijt.

Het Diner speel zich af in een duur restaurant waar een cynische ex-leraar Paul (Kees Hulst – met haar!) en zijn broer (Porgy Franssen), lijsttrekker van een grote politieke partij, samen met hun vrouwen (René Fokker en Lies Visschedijk) hebben afgesproken om het te hebben over hun kinderen. Niet iedereen weet evenveel, maar Hulst legt aan het begin de feiten uit: zijn zoon heeft samen met zijn neef een zwerver bij een pinautomaat gedood; de beelden van een bewakingscamera zijn een paar weken geleden uitgezonden bij Opsporing Verzocht, maar ze zijn niet herkend. Wat te doen?

In een vrij minimaal decor – een grote tafel op een draaischijf; tsja – wordt stukje bij beetje de puzzel in elkaar geschoven en komt de uiteindelijke vraag op scherp: wat nu te doen? Voor mensen in een restaurant zitten ze opmerkelijk weinig aan tafel, maar dat helpt in de dynamiek. Hulst is uitstekend gecast als bittere binnenvetter, en Franssen oreert steeds alsof hij op een persconferentie staat. Erg geestig is Evert van der Meulen als de fattige ober die steeds op het verkeerde moment de schotels komt duiden.

Het probleem is echter dat de roman Het Diner een knap spel is met perspectief. Je bekijkt alles met de blik van Paul en je realiseert je pas laat dat hij niet zomaar een onaangename man is, maar een echte psychopaat. Op het toneel zijn de vier personages meer in evenwicht, maar juist dat haalt de angel uit de vertelling.

Bovendien worden de boosaardige privéobservaties van Paul uit het boek hier als dialoog opgediend, waardoor de personages ongeloofwaardig koud en hard worden. De dreiging wordt te snel weggeschreeuwd of –gelachen. Ja, natuurlijk zijn het vier ploerten bij elkaar, maar een van de kernthema’s is dat iedereen de hele tijd de schijn probeert op te houden

Eén scène springt eruit, omdat die wel precies de juiste toon te pakken heeft: Visschedijk en Franssen vechten krijsend hun ruzie uit terwijl Fokker en Hulst op de achtergrond elkaar hun toetjes laten proeven, zich stil verkneukelend over de echtelijke rampspoed aan de andere kant van de tafel. Zo maken de acteurs Het Diner onderhoudend, maar ze kunnen het gebrek aan scherpte niet verhullen.

Het Diner van Hummelinck Stuurman. Gezien 23/2/12 in Leiden. Te zien in Amsterdam: 17/3 (De Meervaart), 12/6-1/7 (De La Mar). Meer info op www.toptheater.nl

Recensie: ‘Flow my tears’ van de Veenfabriek en Wunderbaum

John Dowland, beroemd luitist en componist, tijdgenoot van Shakespeare en… Indiaan? De Leidse muziektheatergroep de Veenfabriek van Paul Koek weeft in zijn nieuwe voorstelling Flow my tears op onnavolgbare wijze renaissance-muziek, electronica, Jeroen Willems, poëzie en verentooien door elkaar,  maar de structuur is uiteindelijk te los.

Jeroen Willems en Marleen Scholten (van Wunderbaum) treden op als zangers van een bandje dat de frêle liederen van Dowland speelt, maar tegelijk hun fascinatie voor Ojibwe Indianen de vrije loop laat. “Het is onze taak om de indiaan in John Dowland te bevrijden. Het is onze taak om de indiaan in zijn muziek voelbaar te maken.” Ze worden begeleid door een combo van blokfluit, contrabas, synthesizer en clavecimbel. Het podium staat vol muziekinstrumenten en heeft een bordkartonnen achterwand die gedurende de voorstelling een paar keer omvalt en door twee technici weer overeind wordt gezet.

De voorstelling is als een concert dat steeds wordt afgewisseld met verhalen, bespiegelingen en conflictjes, vooral met clavecinist Frans de Ruiter. Van Willems wisten we al dat hij kon zingen door zijn succesvolle voorstellingen over Jacques Brel en Scholten zong al eerder prachtig in de voorstelling Songs at the end of the World. Maar samen klinkt het in het begin wat onwennig. Vooral als ze beiden in de hoge registers zingen knarst er wat. Dan zijn het even acteurs die vooral spélen dat ze goed kunnen zingen.

Maar gaandeweg krijgt de sierlijkheid van Dowlands minstreel-achtige, melancholieke liederen vol tranen de ruimte. De half-klassieke, half-moderne uitvoering helpt. Walter van Hauwe bespeelt een schijnbaar zelfgemaakt, hoekig gevaarte, een electronische blokfluit die vloeiende klanken produceert zonder begin en eind, die wonderlijk mooi passen bij het afgemeten geluid van de clavecimbel.

En tussendoor vertelt Scholten buitenissige verhalen over haar krijger, loopt Willems rond met een speelgoed-pijl-en-boog met een grote roze zuignap en draagt hij een spits en lucide gedicht voor van Annelies Verbeke óver Dowland. De combinatie van mooi zingen en absurde humor doet als vanzelf denken aan de voorstellingen van de Zwiterse regisseur Christoph Marthaler.

Maar het gebrek aan samenhang gaat toch irriteren. Waarom hangt die Nederlandse vlag boven het toneel? Waartoe vloeien al die tranen uit de titel? Er wordt gehint naar een overkoepelend verhaal over gemeenschap, ergens bij willen horen, en het zoeken van schoonheid en geborgenheid in contrasten. Maar dat thema blijft te abstract. Zoals altijd wil Koek dat de muziek vervult wat het theater niet kan, maar dat is hier te veel gevraagd, zelfs voor Dowland.

Flow my tears van de Veenfabriek en Wunderbaum. Gezien 8/2/12 in de Stadsschouwburg. Aldaar nog vandaag. Tournee t/m 27/4. Meer info op www.veenfabriek.nl

Recensie: ‘t Schip van Bo Tarenskeen

“Een voortzetting van de baarmoeder met nautische middelen.” Zo drijft het schip uit de gelijknamige lunchpauzevoorstelling van theatermaker en filosoof Bo Tarenskeen over de wereldzeeën. Aan boord een niet-zo-bonte verzameling van kwaliteitskrantabonnees en prijswinnaars, volledig afgeschermd van zicht op zee of deining.

Tarenskeen (1981, naast theatermaker ook initiatiefnemer van Theater na de Dam) studeerde in 2009 af aan de theateropleiding RITS in Brussel en won met zijn afstudeervoorstelling 1000 zalen de Ton Lutz prijs. Met vijf Vlaamse schoolgenoten (onder wie de van zijn werk met Laura van Dolron bekende Steve Aernouts) staat hij op het toneel in zijn nieuwe voorstelling ‘t Schip, die hij ook schreef en regisseerde. Grappig genoeg lijkt in deze voorstelling de regisseur geen vat op de tekst gekregen te hebben.

De voorstelling bestaat uit losse, soms in elkaar overlopende scènes van de passagiers en het personeel aan boord: de passagiers die maar niet kunnen kiezen uit het adembenemende aanbod aan interessante lezingen, danscursussen en culturele activiteiten, de obers die dag na dag rijsttafel serveren, boogschutters, schoonspringsters en restauratoren die aan boord gewoon hun werk kunnen voortzetten en de hoofdredacteur die de culturele wereldcruise bedacht heeft en van flinterdunne filosofische bedding voorziet.

De voorstelling ziet er prachtig uit: staal op de vloer, mintgroene tribunebanken die meebuigen met de zaal, zodat de speelvloer bijna ovaal is als –inderdaad- een schip. De spelers dragen vooral wit en grijs en door de half-doorzichtige ramen van de de zaal filtert magisch wit sneeuwlicht. De natuur helpt vormgevers Wikke van Houwelingen en Marloes van der Hoek een handje bij de klinische, futuristische sfeer.

En zo ontstaat al snel een effectief beeld van een naarbinnengekeerde, navelstaarderige klasse, die culturele en maatschappelijke ruimdenkendheid veinst om z’n eigen burgerlijklijkheid te ontkennen. En dat schipt lijkt met z’n gebrek aan uitzicht en z’n promenade waar iedereen op uitkijkt ook wel erg op een theater.

De tekst is geestig en terloops, en eigenlijk te kort voor de ambitie die Tarenskeen hier tentoon spreid. Maar waarom staan die acteurs dan steeds zo verloren in de ruimte? Waarom mogen ze zo weinig dóen behalve praten? Voor de erg leuke Bert Haelvoet zie je jeuken van ongeduld om even uit de band te springen. En zo mist ’t Schip een dwingende regie-hand om alle elementen uit de tekst tot één voorstelling te smeden.

’t Schip van Bo Tarenskeen/Bellevue Lunchtheater. Gezien 5/2/12 in Bellevue. Aldaar t/m 26/2. Meer info op www.lunchtheater.nl

Mahabharata van Marjolijn van Heemstra/Frascati Producties

Parool,recensies — simber op 13 januari 2012 om 01:47 uur
tags: , , , ,

Een Indiaas spreekwoord luidt: “Alles wat in de wereld bestaat, staat in de Mahabharata; wat er niet in de Mahabharata staat bestaat niet in de wereld.” De acteurs vertellen het terloops, als een weetje tussen vele andere die ze vanavond opdissen, zonder dat ze lijken te beseffen dat ze er later zelf ook in zullen worden opgenomen.

De Mahabharata (klemtoon ligt op ‘bha’) is een enorm en heilig epos in het Sanskriet, ongeveer zo oud als de Ilias. In het westen werd het bekend door de verfilming door theatergoeroe Peter Brook uit 1989. Zowel theatermaker Marjolijn van Heemstra als de Indiase acteur Satchit Puranik zagen die film op negenjarige leeftijd, zij in Amsterdam, hij in Mumbai. Een jaar geleden kwamen ze met elkaar in contact bij het maken van Van Heemstra’s vorige voorstelling, Family ’81.

Beiden werden bevangen door Brook’s interpretatie. Hij maakte van het Indiase epos een universeel verhaal met acteurs uit alle continenten; een Afrikaan kan de vader zijn van een Europeaan, en het kind van een Indiase. Zo maakte hij van het heldendicht een mythe over de universele verbondenheid van alle mensen op aarde.

Van Heemstra en Puranik staan samen op het toneel, zonder opsmuk of doen-alsof en vertellen over hun gezamelijke fascinatie, voor het overgrote deel in het Engels. Bij het herzien van de film bleek de magie eraf – het is goedkoop, saai en vooral het acteren is overdreven plechtig en serieus, blijkt uit een heel kort fragment dat ze tonen – maar is juist het feit dat de film twee totaal verschillende negenjarigen, zo ver van elkaar verwijderd kon raken niet een krachtige steun voor Brook’s universalistische visie?

Ze spelen in vijf minuten gekleed in kostuums uit een Indiase feestwinkel de belangrijkste plot na en ze concentreren zich op de zoektocht in India naar mensen voor wie de film belangrijk is geweest, ondertussen behoedzaam door het mijnenveld van de interculturele dialoog sluipend. Ze hebben het eigenlijk nauwelijks over de inhoud van het werk of de film behalve dat het gaat over waarom mensen die vrede willen toch conflicten hebben en verbinden het met hun eigen ervaringen met geweld en de vraag om een verklaring die dat oproept.

Het decor is allereenvoudigst, een mintgroene bank en boven hen een plafond met talloze lampjes, spaarlampen, heldere peertjes en gloeilampen met een exotisch gedraaide punt. Ook de personages uit hun korte versie zijn allemaal een eigen lampje. De sterrenhemel is dus ook de mensheid.

Het project zelf loopt uit op een conflict tijdens een symposium in het nationalistische stadje Pune, waar een meisje de Mahabharata voor India claimt en niets moet hebben van Van Heemstra’s vredesgezindheid. Ze vertelt het verhaal lelijk, boos en prekerig en even ben je bang dat de voorstelling zo gaat eindigen. Maar de zachtmoedige Puranik toont heel voorzichtig een weg voorbíj de tegenstelling van conflict en eendracht.

De twee eindigen met dezelfde dialoog die in het eerder getoonde videofragment nog zo hoogdravend klonk en nu ineens een bescheiden, bedachtzame ironie krijgt. “Wat is het grootste wonder?” “Dat iedere dag mensen sterven, maar dat wij leven alsof we onsterfelijk zijn.” En dat is, heel even, wonderbaarlijk mooi.

Mahabharata van Marjolijn van Heemstra en Frascati Producties. Gezien in Frascati op 12/1/12. Aldaar t/m 28/1. Tournee. Meer info op www.theaterfrascati.nl

Interview Jan Joris Lamers

interviews,Parool,PS Kunst — simber op 11 januari 2012 om 20:57 uur
tags: , , ,

Toneelspeler en theatervernieuwer Jan Joris Lamers wordt dit jaar zeventig en werkt gestaag door aan zijn oeuvre. Met zijn groep Maatschappij Discordia maakt hij meerdere nieuwe voorstellingen per jaar en met repertoirevereniging De Veere herneemt hij ouder repertoire. En hij maakt zich grote zorgen over het circuit van kleine-zaal-toneelgezelschappen, waar de grote klap van de cultuurbezuinigingen het hardst gevoelt zal worden. “Het is helemaal niet moeilijk om een klein beetje geld uit de nationale economie te reserveren voor het vormgeven van ons dagelijks leven.”

Waarom horen we zo weinig van de kleine-zaalgroepen?

Er heerst totale stilte. Het is alsof je jezelf zou diskwalificeren als je zou zeggen dat je het er niet mee eens bent. De meeste van mijn collega’s zitten diep met hun kop in het zand, die wachten gewoon af totdat het 2013 is en ze geen salaris meer krijgen. Niemand wil het erover hebben. Behalve dan dat ze via achterkamertjes proberen hun positie veilig te stellen.

Ik kan niet begrijpen ook in de politiek niemand zich hiertegen verzet. Ik vermoed dus dat ze vroeger ook maar wat zeiden. De VVD wilde in 1998 nog één procent van het nationaal inkomen voor kunst. Ik kan de huidige standpunten over ‘je eigen broek ophouden’ en ‘worteling in de samenleving’ dus ook niet aux sérieux nemen.

De vraag rijst steeds vaker waarom de overheid de kunsten überhaupt moet subsidiëren. Is kunst niet gewoon luxe?

Maar een markteconomie zoals wij die nu hebben kan zich die kunsten toch permitteren? Er zijn ongelofelijk veel problemen en ik denk dat een groot gedeelte daarvan door kunstenaars worden opgelost, of in ieder geval ter discussie worden gesteld.

Mensen consumeren ongelofelijk veel kunst. Je hele omgeving is vormgegeven, alles is bedacht. Alles heeft een bepaalde tijdelijke dramaturgie en dat komt allemaal uit de kunstsector. Met tijdelijke dramaturgie bedoel ik hoe je met elkaar omgaat: als je een café van twee jaar geleden in zou kunnen lopen, zou je bij wijze van spreken al geen gesprek meer kunnen voeren. Dingen als De Wereld Draait Door zijn onvoorstelbaar maatgevend voor hoe we met elkaar waarover praten.

Of neem het grote succes van Apple. Hun ontwerpideeën komen van één Duitse ontwerper in dienst van Braun, Dieter Rams. Die man gaf leiding aan een team, gaf les op academies en nu is er een moment gekomen waarop de hele wereld rondloopt met die verworvenheden

Het is helemaal niet moeilijk om een klein beetje geld uit de nationale economie te reserveren voor het vormgeven van ons dagelijks leven. Om een beetje te besteden aan mensen die ervoor zorgen dat je je huis beter kunt inrichten of beter kunt praten. Of die iets zouden kunnen uitvinden waar je later misschien wel heel veel aan hebt.

Als je daar de consequentie van neemt, dan betekent dat dat de kunstenaar midden in de maatschappij moet staan. Na de oorlog vond men dat in onze sociaaldemocratie een kunstenaar in een burgerlijke samenleving moet kunnen functioneren zonder dat hij een buitenstaander is. En er is niks mis met volle zalen of  bestsellers of andere dingen die mensen graag willen, maar dat moet niet het énige zijn. Die populaire dingen kunnen bovendien nooit bestaan als ze niet worden geïnspireerd door onderzoek dat ergens anders wordt gedaan. Als je kijkt naar de avant-garde van de kunsten is dat een constante, zichzelf vernieuwende reeks van ontdekkingen.

Een van de problemen is dat mensen het idee hebben dat beslissingen over artistieke kwaliteit oncontroleerbaar zijn. Kwaliteit is toch niet te meten?

Kwaliteit is absoluut wel te meten. Als je de carrières van muzikanten en toneelspelers bekijken dan kun je daar toch een oordeel over hebben? In de wetenschap en de industrie, overal in de maatschappij, oordelen mensen die die ingewijd zijn in de materie over elkaars werk en dan beslissen ze wat ze gaan doen. Het is natuurlijk onzin om te denken dat iedereen zomaar zou kunnen oordelen over alles.

De grootste moeilijkheid bij het beoordelen van kunst op de korte termijn –wie krijgt wel geld en wie niet– is dat je het niet weet. Uit bepaalde dingen komt niks, of voorlopig niks. Sommige dingen beklijven en andere dingen raken vergeten. Je moet daar niet te streng in zijn en afwachten.

De overheid moet dus diversiteit in stand houden. Ik vind het onvoorstelbaar raar dat dat in het toneel nu niet gebeurt. Waarom krijgen de grote groepen maar zeven tot tien procent subsidiekorting en moeten de kleine groepen 72 procent inleveren? Waarom is dat? Dat heeft niemand ooit uitgelegd. Dat gaat niet over publiekscijfers –want die zijn in de grote zalen niet beter dan in de kleine– en niet over kwaliteit, want het is niet zo dat kleine en grote gezelschappen in kwaliteit verschillen. Ik denk dat het beter was geweest als ze wat nu de basisinfrastructuur heet evenredig hadden aangeslagen.

Waarom is dat circuit van kleine-zaal-groepen zo belangrijk?

De vernieuwing van de kunst komt van personen en collectieven, niet van organisaties. Die krijgen automatisch meer bureaucratie en de kunstenaars komen in dienst van die organisatie. Ze leggen zich voor lange tijd vast, ze anticiperen op wat ze moeten maken. En a priori komen daar niet de echte vernieuwingen vandaan.

Soms wordt er een artistiek leider aangenomen die uit een andere sector komt die de zaak een nieuwe injectie geeft, maar de bedrijven zelf zijn enorm log en strijken in feite de vernieuwing weg. Het grootste gedeelte van die collectieven heeft natuurlijk een beperkte levensduur. Daar moeten andere collectieven voor in de plaats komen. En dát is nu niet meer mogelijk. Door de huidige beslissing wordt de hele kleinschalige sector eigenlijk geliquideerd.

Een paar jaar geleden heeft de Raad voor Cultuur een ‘basisinfrastructuur’ vastgesteld, met daarin alle grote gezelschappen. Dat is natuurlijk een onzinnige term. En waarom zou die bovenlaag nu nog wel worden gesubsidieerd? Waarom zitten er geen kleine groepen in die basisinfrastructuur? Ik denk dat wat er nu wordt weggehaald juist de basis is. En ik denk dat het helemaal niet waar is dat de grote gezelschappen nu de taak van de kleine kunnen overnemen.

En nu moeten die gezelschappen ook nog van alles doen om ‘hun eigen broek op te houden’. Het betekent in feite dat rijke mensen extra belasting moeten betalen en dat stuit mij erg tegen de borst. Het was toch niet de bedoeling om het feodale stelsel alsnog op een andere wijze binnen te halen? Ik ben erg bang voor die nieuwe feodaliteit. Dat bedreigt het idee van de geëmancipeerde kunstenaar.

Voor het toneel begint dat idee bij (de Russische regisseur) Konstantin Stanislavski aan het begin van de twintigste eeuw. Stanislavski is de eerste die erop hamert dat een toneelspeler niet een uitvoerder is maar een kunstenaar. Daarom noemt hij zijn groep ook het Moskous Kunstenaars Theater. En inmiddels is er wel het besef ontstaan dat een schrijver of een schilder niet méér een kunstenaar is dan een toneelspeler.

Is dat ook waarom de nieuwe voorstelling van Discordia Stanislavski heet?

Stanislavski is iemand onder wie je allerlei actuele onderwerpen kunt verstoppen. Daar gaat het natuurlijk om. Het bijzondere aan Stanislavski is niet An actor prepares of de recepten die hij geeft voor toneelspelen, want die zijn voor een groot gedeelte achterhaald. Het belangrijkste aan hem is dat hij pleit voor het vrije onderzoek en dat hij de toneelspeler niet als materiaal ziet.

Uiteindelijk wordt er nu tomeloos ouderwets toneel gespeeld. Als je kijkt naar de nieuwste ontdekkingen in de sociologie of de psychologie die beschrijven wat mensen denken over te brengen als ze met elkaar praten, dan moet je als toneelspeler onderzoek doen naar de gevolgen van die inzichten voor je vak.

Stanislavski en Dansjenko hadden toen het het Moskous Kunst Theater operichtten precies hetzelfde probleem als wij nu: ze vochten tegen de commercie. De hele smaak en sfeer werd aangepast aan de omzet. Het ging om de bar en dat wilden we niet meer. Je moet het publiek niet geven wat ze willen, maar waarvan jij denkt dat ze er kennis van moeten nemen. Anders heeft het geen enkele zin.

Stanislavski van Maatschappij Discordia speelt van 17 t/m 28 januari in Frascati

Recensie: ‘Gijsbrecht van Amstel’ van Het Toneel Speelt

Je proeft de neiging tot applaus al na de eerste zinnen. Hoog boven het podium op een stalen constructie waarvan maar een reep te zien is tussen het half gesloten voordoek waarop een oude kaart van Amsterdam te zien is, zegt Mark Rietman de beroemde openingsmonoloog van de heer van Aemstel, die (ten onrechte) denkt dat “zijn benauwde veste en arme burgerij” zijn ontzet.

Het is tenslotte niet niks dat een toneelgezelschap zich ertoe zet om een traditie die 365 jaar geleden in 1638 begon, maar in 1968 werd beëindigd weer nieuw leven in te blazen, na een aantal dappere pogingen, zoals die van De Warme Winkel in het Concertgebouw in 2010. De voornaamste kwaliteit van deze Gijsbrecht is dat hij op deze eerste januari überhaupt ís, en dat de publieke belangstelling, met een zaal tot het derde balkon gevuld met politici, schrijvers en Theo d’Or-winnaressen, enorm blijkt.

Het beste aan deze voorstelling is de taal; Vondels rijmende alexandrijnen worden in de monden van vrijwel alle acteurs fonkelend helder en poëtisch Nederlands, soms subtiel zinnebeeldig, maar meestal opvallend alledaags en nuchter. Bijna nergens gaan de verzen dreinen. Zo is het stuk is fris en inzichtelijk gemaakt, maar daar staat tegenover dat de voorstelling in z’n vorm vaak een rommelige mengelmoes is van oud en modern. Dat klopt natuurlijk volledig met de opvoeringsgeschiedenis (waarin ieder jaar nieuwe elementen aan de traditie werden toegevoegd), maar hinderlijk is het wel.

Regisseur Jaap Spijkers plaatste de voorstelling grotendeels op een op en neer klappend plateau, met de scènes tussen Amsterdamse vijanden Willem van Egmond en Diedrick van Haerlem er onder, en het kasteel van Gijsbrecht en zijn vrouw Badeloch erop. De kostuums zijn zwart en grijze jassen en truien, alleen de geestelijken dragen het fel rood.

De reien of koorzangen zijn deels vervangen door nieuwe teksten van Willem Jan Otten. Waar de reien normaalgesproken extreem plechtig en abstract zijn, maakt Otten juist een aardse verbinding met de smart en de macht van vrouwen, waarmee hij, mede door de geweldige Marisa van Eyle die de reien speelt, de verbinding weet te leggen met de andere grote Nederlandse toneelklassieker, Op hoop van zegen.

Wees gewaarschuwd: Vondel is niet dramatisch maar retorisch; het gaat er niet om wat er op het toneel gebeurt, maar hoe het wordt verteld. Verwacht ook geen actuele parallelen, je moet Vondel tijdloos willen zien, of helemaal niet. Uiteindelijk maakt deze voorstelling mooi zichtbaar hoe ongerijmd het eigenlijk was om de verheven vorm van de classicistische tragedie toe te passen op de modderige moerasstad aan de Amstel. Onze polder is altijd iets te nat (en kunstmatig) geweest om vruchtbaar te zijn voor mythologie. Mark Rietman weet de lichte ironie die dus bij de Gijsbrecht anno 2012 past knap te vatten. Hij buldert, beveelt en kneedt de verzen tot een memorabele rol.

De kunst is nu om uithoudingsvermogen te tonen. Zal de periode 1968 tot 2010 uiteindelijk een tijdelijk hiaat blijken in een bijna vierhonderd jaar oude traditie? Nieuwjaarsdag 2013 is inmiddels al vastgelegd, daarna wordt het echt doorzetten. Maar het is de moeite waard.

Gijsbrecht van Amstel van Het Toneel Speelt. Gezien 1/1/2012 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 8/1. Tournee t/m 18/2. Meer info op www.hettoneelspeelt.nl

Recensie: ‘Spuiten en Slikken in het theater’ van Rick Engelkes Producties en BNN.

Het televisieprogramma Spuiten en Slikken van BNN bestaat inmiddels al bijna zes jaar. Het leuke van dan programma is het prettige gebrek aan moralisme: de makers delen met hun publiek een grote nieuwsgierigheid naar seks en drugs. Ze bieden context en voorlichting en schuwen noch de heftigheid die drugs nu eenmaal zo aantrekkelijk maken, noch de gêne die bij experimenteren hoort. Maar het belangrijkste probleem is natuurlijk dat, net zoals bij porno of kookprogramma’s, datgene waar het nou net om draait niet over te dragen is.

Een theatervoorstelling lijkt dan ook niet de meest logische spin-off, maar Rick Engelkes, die eerder samen met muziekzender MTV meerdere jongerenvoorstellingen produceerde (waarvan minstens één zeer geslaagd), volhardt in zijn sympathieke poging om theaterhappenings voor jongeren te maken. Jonge theatermaker Sanne Vogel regisseerde de vlotte maar wisselvallige voorstelling, een losse verzameling scènes rondom zes personages met ieder hun favoriete ‘gif’.

Het begin is geestig: iedereen uit het publiek krijgt een pilletje, dat we allemaal tegelijk moeten innemen. Vervolgens veel energiek gespring op bonkende beats. Op het toneel staat een rond podiumpje, dat al snel bedolven wordt onder een enorme berg plastic tuinmeubilair, waar een reusachtig wit pluizig konijn boven hangt. Serin Utlu speelt een meisje dat paddo’s gebruikt om bij de sprookjeswereld uit haar jeugd terecht te komen, Jim Deddes snuift coke omdat hij normaal een beetje onzeker is en Geza Weisz slikt GHB omdat hij daar zo lekker geil van wordt.

Zo trippen we langs een allegaartje aan acts. De spelers kwartetten een verzameling vunzige standjes en fantasieën bij elkaar (een sextet, haha), Weisz en Egbert-Jan Weeber bespreken de regels voor een triootje, Tygo Gernandt maakt een act met alleen het woord ‘kut’, en ze spelen samen als een soort schoolbandje het nummer ‘Als je dan wilt vingeren, doe het dan goed’. De scènes zijn geschreven door allerlei verschillende schrijvers, onder wie Hanna Bervoets, James Worthy en Sanne Vogel zelf en wisselen erg in kwaliteit en sluiten niet zo goed op elkaar aan.

Erg goed zijn de hilarische coketrip van Deddes en de bitterzoete anti-verleidingsscène van de laatst overgebleven mensen op het feestje. Ook leuk: Geza Weisz die een partij tosti’s de zaal in slingert. Opvallend is overigens de totale afwezigheid van de twee door jongeren meest gebruikte drugs: weed en alcohol.

Tegen het eind gaat het wel knagen. Wat willen Vogel en Engelkes nu eigenlijk laten zien en vertellen? Toneeltrippen en toneelseks zien er niet uit, daar moet je een vorm voor vinden. Daarin is deze voorstelling te braaf gebleven; het is –een paar momenten daargelaten– niet plat, sexy, absurd en gewaagd genoeg. Bij Hair had je nog de boodschap dat je met seks en drugs de wereld kon verbeteren, maar daar is de huidige generatie toch echt  te hedonistisch voor. Het moralisme is op toneel net zo afwezig als op televisie, maar voor de nieuwsgierigheid hebben de theatermakers geen equivalent gevonden.

Spuiten en Slikken in het theater van Rick Engelkes Producties en BNN. Gezien 19/12/11 in De La Mar. Tournee t/m 20/3/12. Meer info op www.rep.nu/spuitenenslikken

Verslagje: Lezing van ‘Simon’ door Toneelgroep Amsterdam

“Het woord oorlog is nog niet gevallen of we zitten al weer in de pijnlijkheden.” Beter is het toneelstuk Simon niet samen te vatten. Het stuk van Judith Herzberg, het laatste deel uit een trilogie de begon met Leedvermaak en Rijgdraad, werd nooit in Nederland opgevoerd, maar gisteravond organiseerde Toneelgroep Amsterdam een lezing.

Het is een informele setting in de grote zaal van de Stadsschouwburg. Het decor van de voorstelling Kreten en Gefluister, dat vanaf vanavond speelt, is half opgebouwd. De veertien acteurs van Toneelgroep Amsterdam, aangevuld met o.a. Tamar van den Dop en Felix Burleson,  dragen tshirts met de naam van hun personage met familierelaties en dat is handig ook, want wie zonder de twee eerdere stukken gezien te hebben zo in Simon valt, kon nog wel eens het spoor bijster raken in alle tweede en derde huwelijken en overleden personages die nog gewoon over het toneel wandelen.

De trilogie gaat over een Joodse familie en het zwijgen en verdriet van de tweede generatie na de Holocaust. Toen Leedvermaak in 1982 werd opgevoerd door Baal in regie van Leonard Frank was het een sensatie. Niet eerder was doorgeven van het trauma van Auschwitz aan de kinderen van de directe slachtoffers zo treffend verbeeld. Bij het Theater van het Oosten regisseerde hij in 1995 Rijgdraad, met grotendeels dezelfde cast. Niet een ‘vervolg op’, maar een ‘gevolg van’ noemde Frank het toen. Tegelijk maakte Frans Weisz ook filmversies van de stukken.

Herzberg schreef in 2002 nog een derde deel, Simon, in opdracht van het stadstheater van Düsseldorf, waarin de nieuwe generatie, de kleinkinderen van de kampslachtoffers heftig om zich heen slaan, maar nog steeds  “graag in het gezelschap zijn van mensen die hetzelfe hebben meegemaakt als ik, om het er dan samen niet over te hebben.”  Het stuk werd in 2002 openbaar gelezen door Maatschappij Discordia, maar tot een opvoering in Nederland kwam het niet. Wel in Duitsland, waar afgelopen voorjaar een enscenering van de hele trilogie in première ging in Berlijn.

De tekstlezing van Toneelgroep Amsterdam is sober en ongedwongen. Gemaakte fouten worden direct gecorrigeerd door een stukje eerder opnieuw te beginnen en halverwege grijpt regisseur Lucas De Man in om de tweede helft kalmer en verstilder te maken. Maar ondanks de mooie, open sfeer het blijft problematisch dat Herzbergs teksten een zekere precisie vereisen die slecht samengaat met de korte voorbereidingstijd van een dergelijke lezing. Gesprekken tussen haar personages kabbelen en ontsporen onverwachts en lichtvaardig spelen maakt het al snel oppervlakkige personages.

Judith Herberg zelf toonde zich in een nagesprek zeer tevreden over deze vorm: “Ik hou zelf heel erg van dit soort onaffe toestanden. Ik wil niet dat je gaat denken dat het geen probeersel meer is.” Ze is niet van plan nog een vierde deel te schrijven. “Het moet niet doorgaan tot in de vierde generatie. Uiteindelijk moet het leven doorgaan, de zwaarte moet ophouden.”

Aan het begin van de avond sprak Herzberg kort over de vorige week gestorven actrice Els Ingeborg Smits, die zowel in Leedvermaak als in Rijgdraad meespeelde, “een voorbeeldig iemand die overal een feestje van maakte”. De avond werd zo een in memoriam voor haar.

Ten Slotte: Els Ingeborg Smits (1944-2011)

In Memoriam,Parool — simber op 7 december 2011 om 10:00 uur
tags: ,

Al op de toneelschool liet ze klassieke tragedies als Elektra liever over aan actrices als Ank van der Moer of Kitty Courbois. De maandagavond overleden actrice Els Ingeborg Smits speelde harde rollen in nieuwe stukken, die juist door haar gedrevenheid grimmig grappig werden. Generatiegenoten uit de Amsterdamse toneelschooltijd, onder wie Trudy de Jong, Olga Zuiderhoek en Cas Enklaar, werden levenslange vrienden en geestverwanten in een zoektocht naar nieuw toneelrepertoire in de vlakke-vloerzalen.

Smits, een geboren Amsterdamse, was dochter van een antiquair en belde als tiener aan bij bekende acteurs als Mary Dresselhuys en Ina van Faassen voor een handtekening. Na de Toneelschool debuteerde ze in 1969 in het cabaret van Wim Sonneveld en in 1973 was ze betrokken bij de oprichting van een nieuwe toneelgroep: Baal. Bij dat gezelschap, dat voornamelijk nieuw toneelrepertoire opvoerde, speelde ze in befaamde voorstellingen als Leedvermaak van Judith Herzberg en Bekende gezichten, gemengde gevoelens van Botho Strauß.

In de jaren tachtig werd ze samen met Trudy de Jong en Han Kerckhoffs een van de gezichtsbepalende actrices van theatergroep Art & Pro, waar regisseur Frans Strijards driftig en vitaal anti-psychologisch acteren propageerde en Smits precies de juiste mix van explosiviteit, schokkerige motoriek, humor en lelijkheid tentoon kon spreiden. “In het alledaagse leven ben ik nogal ijdel. Ik draag graag mooie kleren. Op het toneel kan me dat niet schelen. Dan ontleen ik er juist vreugde aan om een dikke aardappel te zijn.”

Voor haar rol in Hitchcock’s Driesprong, een eigen stuk van Strijards won ze in 1988 een Colombina, de prijs voor de beste vrouwelijk bijrol. En zo werd Smits een exponent van een typisch Nederlands fenomeen: een grote actrice zonder klassieke grote rollen. Ze speelde Strauß, Thomas Bernhard en Peter Handke, maar nooit Shakespeare. In een interview daarover zij ze: “Het nadeel van de toneelvernieuwingen die wij voorstonden, was het gebrek aan repertoire. Wij speelden nauwelijks de grote klassieke stukken. Ik heb nooit in een Tsjechov gestaan, terwijl bij Baal geweldige actrices werkten die zo Drie Zusters konden spelen.”

Smits was als actrice een perfectioniste en een doorzetter. Iets kan pas goed zijn als het moeite kost, vond ze, en ze was dan ook een groot liefhebber van dans. “Dat is het hoogste, daarvan kan ik in extase raken.”

In een interview zei ze: “Humor wordt onderschat. Mensen denken dat het vanzelf gaat. Er wordt niet hard genoeg gewerkt.” Toch maakt ze samen met oude vriend Cas Enklaar, die bij het Werkteater juist uit de losse pols heeft leren spelen, een mooie serie voorstellingen over het hoogbejaarde acteurspaar Bas en Elze, een voortzetting van hun gezamelijke act ter gelegenheid van het honderjarig bestaan van de Toneelschool.

In 1996 vertrekt ze samen met haar echtgenoot, componist Elmer Schönberger, naar Gent. Als enige Nederlandse speelt ze mee in de megavoorstelling Ten Oorlog, waaraan regisseur Luk Perceval bijna twee jaar repeteert. De laatste jaren viel ze vooral op in twee voorstellingen in Eric de Vroedt’s Mightysociety-serie. Bij hem speelde ze strenge vrouwen met scherpe oneliners en een vernietigende blik, die ineens met een klein gebaar toch mededogen opwekten. Tegelijkertijd speelde ze in televisieseries, zoals de makelaarsserie Verborgen gebreken.

Uiteindelijk speelde ze deze zomer alsnog een Tsjechov, de kleine rol van Maria in Oom Wanja van Theatergroep Suburbia, een zomerse locatievoorstelling. Het zou haar laatste rol blijken. Ze repeteerde nog voor koningin Wilhelmina in de musical Soldaat van Oranje, maar ze was uiteindelijk te ziek om die rol nog te spelen.

« Vorige paginaVolgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2012 Simber | powered by WordPress with Barecity