Recensie: ‘Eet je bord leeg’ van de Toneelmakerij

Het grappige van kleutertheater is dat het publiek absurde situaties en onlogische overgangen voor volkomen normaal aanneemt, maar dat basale theaterconventies – zoals een pow!-geluidseffectje bij een vechtbeweging – enorme vragen oproepen.

Eet je bord leeg is een 4+ voorstelling van De Toneelmakerij, bedacht en geregisseerd door Paul Knieriem. Anders dan de titel doet vermoeden is het geen opvoedkundig theater voor moeilijke eters, maar een dwaze komedie waarin het eten tot leven komt.

Denise Aznam, Ian Bok en Anil Jagdewsing spelen een (prettig etnisch- en gender-ambigu) gezinnetje, met Aznam als de eet-onwillige kleuter Jipski die ieder nieuw bord dat wordt opgediend afwijst en op het hoofd van een van de ouders deponeert. De drie praten een raar eigen taaltje dat heel grappig is, omdat je het nog net een beetje kunt volgen. Decorontwerper Sasha Zwiers maakte prachtig nep-eten – rode pepers, steaks, komkommers en peren – dat tegelijk aantrekkelijk en afstotend is. (De worstjes werden door het publiek duidelijk veel appetijtelijker gevonden dan de groenten.)

De scènes aan tafel worden steeds afgewisseld met cartooneske nummers met K-pop zingende pepers, een pasta-rasta en een komkommer die vieze geluiden maakt. Jipski heeft in haar fantastie blijkbaar krachten waarmee ze het eten wél aankan.

Het is, kortom, leuk anarchistisch theater met acteurs die zichzelf vol overgave voor paal zetten. Maar het is jammer dat halverwege de focus van het verhaal verschuift naar de radeloze ouders, die blijkbaar een slechte relatie hebben en ook heel zielig zijn. Er volgen een paar grotemensengrapjes en de ouders gaan ineens Engels praten.

Dan blijkt meteen hoe genadeloos de kleuterdoelgroep is: de concentratie verslapt, er wordt gedraaid op de banken en de ouders moeten ineens talloze vragen beantwoorden. De mooie scène met een uit elkaar vallende taart en spekkies op het eind valt daardoor ook een beetje in het water.

Eet je bord leeg van de Toneelmakerij. Gezien 18/2/18 in De Krakeling. Tournee t/m 22/4
Meer info op www.toneelmakerij.nl

Recensie: ‘Lef!’ van Laura van Hal/Stip Theaterproducties

Het decor is een gymzaal met ringen, matten, ballen, banken en een springkast. Eén voor één komen de spelers binnen, een strakke choreografie van schoenen aantrekken en water pakken op droge electronische muziek. Twee jongens, twee meisjes; in paren beginnen ze met hun synchrone acrobatische oefeningen.

Maar net als de meiden op de schouders van de jongens zijn gesprongen, duikt er ineens nog een vijfde speler op, waarmee de keurige orde is verstoord.

Regisseur/choreograaf Laura van Hal maakt circustheater voor kinderen. Lef! Gaat over groepsdruk en het omgaan met het vreemde en is voor zesplussers (iets jonger kan ook nog wel). Het knappe van de voorstelling is dat het hele verhaal wordt verteld met mooie en spectaculaire acrobatiek-acts.

De vijfde (Marco Gorges) wordt door de eerste vier spelers eerst genegeerd, dan gepest en dan schoorvoetend opgenomen in de groep. Vooral de trucs waarbij de jongens doen alsof ze Gorges helpen, maar hem steeds met een duwtje of een beweging uit evenwicht brengen zijn clownesk en spannend. Het is mooi om te zien dat de hele groep trucs moet uitvinden waarvoor je met z’n vijven moet zijn.

Het eindigt in een serie spectaculaire en elegante stunts waarbij de actobaten drie hoog op elkaar staan, aan elkaar slingerend door de ruimte zweven, en adembenemende sprongen maken. De ‘oooh’s van kinderen en volwassenen in het publiek zijn niet van de lucht.

Van Hal en haar internationale groep spelers (naast Gorges ook Harm van der Laan, Jorga Lok, Lisa Barrett, Marco Gorges en David Aubé) weten met de middelen van het circus iets te maken dat spannend is en inzicht geeft. De acrobatieknummers, waarvoor kracht, vertrouwen, en beheersing vereist zijn, zijn zo een mooie metafoor voor samenwerken en samen leven. De mooie retrovormgeving (Jolanda Lanslots) en de opmerkelijk goede muziek (Nineyards) maken de voorstelling helemaal af.

Lef! (6+) van Laura van Hal/Stip Theaterproducties. Gezien 27/1/18 in De Krakeling. Tournee en schoolvoorstellingen t/m 25/3. Stipproducties.nl

Recensie: ‘Welterusten, Kleine Beer’ van Theater Terra

Het is een onverbiddelijke voorleesklassieker voor kleuters: Welterusten, Kleine Beer van de Britse schrijver Martin Waddel en tekenares Barbara Firth. Het verhaal, en een paar vervolgen die het duo nog schreef, worden nu door Theater Terra een tikje onevenwichtig, maar charmant in het theater gebracht.

Hun versie begint in het bed van Masja (Linda Korevaar) die nog niet wil slapen en samen met haar beer gaat ze verhalen verzinnen die vervolgens gespeeld worden rondom de grote boom op het toneel. De uiterst knuffelbare poppen van grote beer en kleine beer (gemaakt door Kathelijne Monnens) worden soms door één, soms door twee spelers bediend. Wesley de Ridder staat met zijn voeten in het pak van de grote, en Robin Hissink klautert met de kleine beer overal tegenop.

Het zijn de liedjes (van Dick Feld en Fons Merkies – tevens regie) die de voorstelling scheef trekken: een jazz standard (inclusief tapdans) contrasteert met een trippy droomscène met drie dezelfde acrobatische poppen. Goed gezongen wordt er wel, maar tijdens de complexere dansscènes begint op te vallen dat het poppenspel nogal lomp is.

Voor de jongste bezoekers voor wie de voorstelling bedoeld is werkt de magie volledig. Zij zien een voorstelling over angsten (bang in het donker, enge geluiden) en leren dat de dingen waarvoor je bang bent meestal alleen maar in je hoofd bestaan, en dat je met een lief knuffelbeest de wereld aan kunt.

Opvallend is in dat licht wel dat er in de voorstelling eigenlijk niets griezeligs zit. Kleine beer is bang voor ploffers, sijpelaars en sloffers, maar eer je erachter bent wat hij bedoelt, is al duidelijk dat er niks aan de hand is. Nu hoef je kleuters natuurlijk niet te intimideren in het theater, maar een voorstelling met een iets rafeliger randje – en meer interactie tussen spelers en publiek – had zeker meer indruk achtergelaten.

Welterusten, Kleine Beer (4+) van Theater Terra. Gezien 24/9/17 in De Meervaart. Op tournee t/m 21/3/18. Theaterterra.nl

Recensie: ‘Mehmet de veroveraar’ van De Toneelmakerij

“Vertel mij de geschiedenis van de ander en ik weet wie ik ben.” Het verbinden van verhalen van ver weg en dichtbij is het doorlopende thema in het werk van (jeugd)theatermaker Ad de Bont, van Mirad, een jongen uit Bosnië tot Anne en Zef. In Mehmet de Veroveraar, zijn afscheidsvoorstelling van zijn eigen gezelschap De Toneelmakerij (vier jaar geleden ontstaan uit een fusie van Huis aan de Amstel en Wederzijds), wordt dat motto bekroond met een mooie, grootse theaterproductie voor kinderen vanaf 10 jaar.

De Bont schreef een stuk over Mehmet II, in Turkije nog steeds een grote held, in het westen eerder bekend als wrede veldheer die in 1453 Constantinopel veroverde en er een islamitische stad van maakte. De Bont toont hem vooral als zeer jong –hij was 12 toen hij sultan werd– en geeft hem een westerse vriend en tegenpool, de onwettelijke kardinaalszoon Christiano.

Het grootschalige stuk over vaders en zonen, wij en zij, strijd en verzoening wordt door regisseur Liesbeth Colthof gebracht als grootschalige locatieproductie, een jeugdmarathonvoorstelling (drie keer een uur) in een grote hal, die steeds nieuwe locaties blijkt te herbergen, met een groot aantal acteurs, een woestijn, een paard, perzische tapijten totaan het plafond en (erg lekker) turks eten in de pauzes.

Grootste troeven van de voorstelling zijn het vaardig en helder vertelde verhaal, dat vele jaren en locaties bestrijkt (en waarin de historische werkelijkheid niet meer dan een aanleiding is) en het knappe spel van de meeste spelers; naast Sadettin Kirmiziyüz als Mehmet en Roel Adam (als zijn vader, sultan Murat, die moeite heeft om het met zoveel bloed en lijden opgebouwde Ottomaanse rijk over te dragen) vallen Daniël van Klaveren en met name Debbie Korper op – die laatste speelde vaker nuchtere, wijze vrouwen, maar nog niet vaak zo mooi. Meral Polat blijkt, prachtig zingend, opnieuw een weergaloze performer, een Turks-Nederlandse ster in de dop.

Feilen heeft de voorstelling ook: de tekst is poëtisch en een beetje ouderwets en gedragen. Dat is mooi, maar maakt de voorstelling erg talig, vooral omdat echt theatraal spektakel uitblijft; er mist een soort crescendo dat zo’n megaproject toch nodig heeft.

Maar wat de voorstelling uiteindelijk ontroerend maakt is het besef dat in het schrijven van de ‘geschiedenis van de ander’ De Bont toch ook over zichzelf heeft geschreven: hij draagt een belangrijk ‘koninkrijk’ van het jeugdtheater over, juist op het moment dat het bedreigd wordt en er strijd moet worden geleverd. Het ziet er nu naar uit dat De Toneelmakerij in de toekomst zulke grootschalige voorstellingen niet meer kan maken. En dat zou echt zonde zijn.

Mehmet de veroveraar van De Toneelmakerij. Gezien 9/6/12 in Alkmaar. Aldaar t/m 7/7. Busvervoer vanaf De Krakeling. Meer info op www.toneelmakerij.nl

Gesproken Column voor Goesting

meningen — simber op 30 november 2008 om 22:24 uur
tags: ,

Goesting is een festival voor Vlaams jeugdtheater in Amsterdam, georganiseerd door de Stadsschouwburg, De Krakeling en de Brakke Grond. Ik werd gevraagd om een column uit te spreken over de verschillen tussen Vlaams en Nederlands (jeugd)theater op de laatste dag bij een parcours voor jeugdtheaterprofessionals. Over die briefwisseling met Wouter Hillaert waaraan ik refereer volgt later meer. NB: Alleen het gesproken woord telt ;-)

In een aantal brieven die ik uitwissel met (Vlaams theatercriticus) Wouter Hillaert proberen wij samen te meten hoe breed en diep de kloof is die onze twee vaderlanden scheid. Dat  die kloof er is en dat die groter wordt staat voor ons beiden buiten kijf.

Mijn eerste indruk was dat het vooral een probleem in de taal was. Om George Bernhard Shaw te parafraseren: Nederland en Vlaanderen zijn twee landen die gescheiden worden door dezelfde taal. Niet alleen dat we elkaar niet meer verstaan – dat Vlaamse toneelrecensenten bij Amsterdamse koffiestalletjes in het Engels worden toegesproken, of dat Baantjer in Vlaanderen wordt ondertiteld – maar dat woorden hier en daar –zie de bordjes aan de muur in de Krakeling- iets totaal anders betekenen. Oók, juist de woorden waarmee we over onze verschillen willen praten. Dat bleek gisteren weer tijdens een ‘overleg’ tussen Vlaamse en Nederlandse jeugdtheatermakers .

Pardon: daar ga ik al. Ik noem Goesting een festival voor jeugdtheater. Nee hoor, zeggen de Vlamingen: het gaat om kinderkunst. Ik krijg de indruk dat waar jullie het woord ‘autonoom’ gebruiken, Nederlanders vaak het woord ‘artistiek’ bezigen. Wat in Vlaanderen ‘publiekswerking’ heet, wordt in Nederland ‘marketing’ genoemd. In Nederland kan er onomwonden worden gesproken over ‘Overaanbod’, in Vlaanderen moet de verantwoordelijke minister een verhullende metafoor gebruiken: “Het bos is vol.”

Ik denk echter dat de situatie veel ernstiger is dan ik tot nu toe dacht. Die woorden verhullen slechts dat in onze twee landen een totaal verschillend paradigma voor de kunsten ontstaan is. (De verschillen tussen Vlaams en Nederlands jeugdtheater zijn dan ook volgens mij niet heel anders dan de verschillen tussen het theater voor volwassenen.) Het probleem in één zin: In Vlaanderen staat de maker centraal, in Nederland meer en meer het publiek.

In Vlaanderen blijft de autonomie van de kunstenaar en het kunstwerk het centrale geloofsartikel. (Ik kan daarbij niet negeren dat ‘autonomie’ een tweede, in Vlaanderen politieke betekenis heeft.) Dat leidt tot eigenzinnige voorstellingen, die hun publiek –ook kinderen- zeer serieus nemen, waar toeschouwen een werkwoord is. En ook tot voorstellingen die merkwaardig genoeg een beetje eenvormig zijn. De afgelopen dagen zag ik opvallend vaak een decor van losse objecten op de vloer en acteurs die half tegen de zaal, half tegen hun medespeler het verhaal vertellen. Of acteurs die zelf met samplers kakafonische muziek maken. Of groepen jongeren op scene, in choreografie van volwassen gedrag. Nederlanders vinden die voorstellingen vaak –ik chargeer natuurlijk- ‘moeilijk gedoe’, ontoegankelijk en een beetje saai.

In Nederland is het paradigma van de autonomie vrijwel geheel afgebroken en is er een nieuw in aanbouw. Hier worden vele theatervormen onderzocht die naar het publiek toe bewegen. Die vinden Vlamingen dan weer vaak oppervlakkig en commercieel en voor een deel is dat terecht. Om terug te komen op de terminologie: de term ‘publiekswerking’ geeft al aan –ik heb het van Leen Laconte gisteren- dat het publiek in Vlaanderen wordt gezien als te verheffen burgers, terwijl de Nederlandse term ‘marketing’ impliceert dat het publiek bestaat uit consumenten aan wie iets verkocht dient te worden.

Maar wat veel Vlamingen vaak in Nederland over het hoofd zien is de enorme diversiteit van ons theateraanbod. Wij hebben een bataljon ‘urban’ theatermakers, een geheel eigen genre ‘ervaringstheater’, vrije producenten die zonder subsidie zowel repertoire als nieuw toneelwerk van behoorlijke kwaliteit brengen en een scala aan subgenres binnen de mime. Het blijft bijzonder in Nederland hoe groot de veelzijdigheid is die we tolereren, en hoe makkelijk die heterogene paradigma’s naast elkaar kunnen bestaan.

Ik ben bang dat ik u niet kan achterlaten met een hoopvol perspectief voor de toekomst. Ik denk niet dat de kloof binnenkort gedicht zal worden. De  belemmeringen zijn niet alleen ideologisch van aard en gaan ook verder dan de kunsten. De verschillen van het breedste niveau – Vlaamse nation building ten opzichte van België en Nederlandse identiteitsverwarring en navelstaren door het felle integratiedebat – tot op het smalste praktische deelaspect – bijvoorbeeld het feit dat het binnenhalen van publiek in Vlaanderen de verantwoordelijkheid is van de zalen en in Nederland van de groepen – maken uitwisseling niet eenvoudig.

Natuurlijk kun je tegen mijn pessimisme voorbeelden inbrengen van geslaagde projecten, inspirerende kruisbestuiving en hardwerkende bemiddelaars. Maar het is heilloos zelfbedrog om te denken dat dát de trend is en de verwijdering een incident. De Vlaams-Nederlandse samenwerking moet zich aanpassen aan de nieuwe situatie, waarin de afstand groter is geworden, waarschijnlijk voorgoed. Vlaanderen is van onze naaste buur ons dichtst bij zijnde buitenland geworden.

Onderzoek: Nederlands theater in het buitenland

onderzoek — simber op 29 augustus 2006 om 12:12 uur
tags: , , , ,

In september 2005 deed ik in opdracht van het TIN een onderzoekje naar de positie van Nederlands theater in het buitenland, op basis van de gegevens die daarover worden bijgehouden in de database van het TIN. Het is hier beschikbaar als drie PDF-bestanden:

Over het IJ Festival: ‘Paradiso, stad van de toekomst’, ‘De engel, de straat en het geluk’

Parool,recensies — simber op 28 augustus 2006 om 18:38 uur
tags: , , , , ,

Er wordt een hoop uitgedeeld op het Over het IJ Festival. Van Thijs Bloothoofd krijgt iedere toeschouwer na afloop van zijn grappige mime-performance Rood een stuiterballetje. Floor van Leeuwen geeft haar hele inboedel weg: voor haar voorstelling mag je een geel stickertje met je naam erop op een van de vele voorwerpen uit haar huisraad plakken, na afloop van haar voorstelling Dag, waarin ze langzaam in een glazen kist klimt en zichzelf bedekt met zwarte sneeuw mag je het door jou uitgekozen boek, kandelaartje of fotolijstje meenemen. Er wordt koffie en cake geserveerd.

De twee voorstellingen zijn onderdeel van het Zeecontainerproject van het festival. Vijftien jonge theatermakers, net afgestudeerd of aan het eind van hun studie, krijgen een container en vijftien minuten om een kleine voorstelling te maken. Het project staat nu voor de derde maal op Over het IJ en is er nu al een onlosmakelijk onderdeel van geworden. De beperkingen in tijd en ruimte worden door de makers op inventieve wijze opgelost en dat levert een paar mooie miniatuurtjes op

Ook aan het begin van Paradiso, stad van de toekomst wordt er uitgedeeld. Een van de hippe, overdreven blije acteurs heeft besloten afstand te doen van al zijn bezittingen. Zijn bed, z’n flatscreen televisie en een boekenkast worden weggegeven aan het publiek. De makers hebben een stad gebouwd waarin ieders toekomstvisioenen uitkomen. De acteurs vertellen over hun kinderlijk diepzinnige ideeën voor de toekomst, zoals een telefoon om met het hiernamaals te bellen, een apparaat om de tijd stil te zetten of een winkel waar je je gebroken hart kunt laten repareren.

Paradiso is een ambitieus project van jeugdheatergroep Max, in samenwerking met studenten architectuur en verschillende festivals. De jonge architecten maakten vier huizen waartussen het publiek rondloopt en waarbinnen kleine scènes gespeeld worden. Zoals een woordloze, natte en poëtische scène over twee vrouwen die dromen hoeden in een constructie van 1100 grote waterflessen, of een light therapiesessie waarin de toeschouwers een nadeel leren ombuigen in een voordeel binnenin een opblaasbare tent.

Ondanks de open opstelling en toon is de voorstelling nogal dwingend. Je wordt als bezoeker van plek naar plek gedirigeerd, krijgt tijgerbalsem opgesmeerd, moet je frustraties in een schoteltje projecteren en weggooien en nadenken over je eigen utopische dromen. De opgelegde blijheid en drang tot zelfverbetering horen meer thuis in de softe sector dan in een ideale toekomst.

Hoe je openheid wél kunt bereiken tonen de regisseurs Andreas Bachmair en Anne Rooschüz met de voorstelling De engel, de straat en het geluk die ze maakten met bewoners van de Gentiaanpleinbuurt in Amsterdam Noord. Het publiek zit op een rijdende tribune die door de straten wordt getrokken, langs de acteurs/bewoners die planten verplaatsen, worstjes braden op een barbecue of meezingen met hun iPod. Een jonge vrouw loopt met ons mee en vertelt welke dromen en verhalen ze hebben.

Langzamerhand kom je erachter dat het publiek net zoveel bekijks trekt van buurtbewoners en verbijsterde voorbijgangers als de voorstelling. Aan het eind wordt de tribune midden in de wijk geparkeerd en kunnen de toeschouwers samen met acteurs en de buurtbewoners een biertje drinken. Het is een buitengewoon interessante vorm van community theatre die Over het IJ hier presenteert, waarmee het festival een geslaagde verbinding maakt tussen de bewoners, het industriële erfgoed van de NDSM, en de culturele voorhoede van de stad, die zich begint te nestelen rond de IJ-kantine.

Over het IJ Festival. Paradiso, stad van de toekomst van Theatergroep Max., De engel, de straat en het geluk van Blood for Roses/Andreas Bachmair, Zeecontainerprogramma. Gezien 8/7/06, het Over het IJ Festival duurt nog t/m 16/7. Meer informatie op www.overhetij.nl

‘Vuurtoren Wacht’ van ProduktieKERN

Parool,recensies — simber op 22 augustus 2006 om 15:37 uur
tags: , , , ,

Er is een vuurtoren en er is een matroos. Vuurtorens moeten de wacht houden en matrozen kiezen het ruime sop. Maar wat als ze heel veel van elkaar houden? Elien van den Hoek speelt de vuurtorenvrouw. Ze zit vast in de toren, een kruising tussen een decorstuk en een jurk, en heeft een hoed met een ronddraaiend licht erop. Van den Hoek is mimester en het prachtig om te zien hoe expressief ze zijn kan met alleen haar bovenlijf, wanneer de matroos haar verlaat om op reis te gaan.

In deze voorstelling met weinig tekst is de grote kracht, naast Van Hoek, het gebruik van requisieten. Vuurtoren en matroos hebben een strak kleurenschema, zodat hun ochtendritueel een fascinerende uitwisseling wordt van rode en blauwe washandjes, theemokken en hoofddeksels. De boot, het fietsstuur en het vliegtuig waarmee David van Griethuysen achtereenvolgens de matroos, een opdringerige postbode en een stoere maar kleinzerige vliegenier neerzet, zijn aanleiding voor knappe staaltjes fysiek acteren.

Als geheel geeft het de uurlange voorstelling een Dick Bruna-achtige helderheid. Die helderheid komt ook naar voren in het tonen van de grote emoties die bij gemis horen: angst, verdriet en hoop. Dit wordt ondersteund door Martin Franke die achterop het toneel met wijnflessen, microfoons en heel veel bekkens een opvallend muzikaal geluidsdecor maakt.

Na het verstrijken van ettelijke seizoenen en het sturen van post over en weer komt de matroos eindelijk thuis voor het happy end. Het is een feestelijk besluit van een pareltje van een voorstelling.

Vuurtoren Wacht van ProduktieKERN, 4+. Regie: Gienke Deuten. Gezien: 11 januari 2006 in de Krakeling. Tournee t/m 30 maart, verscheidene data in Amsterdam. Meer informatie op www.stipproducties.nl

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2018 Simber | powered by WordPress with Barecity