De kunstkritiek staat er slecht voor

beschouwingen,TM — simber op 23 april 2014 om 13:22 uur
tags:

De negatieve recensie die Ron Rijghard in NRC Handelsblad schreef naar aanleiding van de première van Dantons dood riep een heftige reactie op van de regisseur, Johan Simons, in diezelfde krant. De polemiek zette zich voort in de rijen van de toneelrecensenten, maar een algemeen debat over waarde en werking van de kunstkritiek bleef tot nog toe uit.

Hoera, polemiek. Er was een hoop enthousiasme te bespeuren toen Johan Simons in NRC Handelsblad reageerde op de recensie van zijn Dantons dood in die krant. Criticus Ron Rijghard gaf de voorstelling één bal, Simons vond de onderbouwing daarvan schandalig. De theaterkritiek was weer even onderwerp van discussie. Maar wie een stapje achteruit deed raakte minder opgewekt. Daarvoor was de aanleiding toch iets te treurig en waren de snel ingenomen posities iets te vertrouwd.

De discussies tussen theatermakers en critici verlopen over het algemeen volgens een vast patroon: na een negatieve recensie roept een regisseur de kritiek als geheel ter verantwoording; de aangesproken recensent beroept zich op zijn onafhankelijkheid; de overige critici roepen dat ze zo verheugd zijn over het debat, maar zijn ondertussen blij dat ze zelf niet zijn aangesproken. Ik in elk geval wel.

Mijn probleem is dat ik niet langer geloof dat die vertrouwde posities nog houdbaar zijn. Dat heeft niet zozeer te maken met de kunst, maar met onherroepelijke veranderingen in de media die ervoor zorgen dat mijn werk gestaag maar fundamenteel transformeert. Ik zal die transformatie hier proberen te schetsen, omdat ik denk dat het belangrijk is dat critici niet alleen anders over hun vak gaan nadenken, maar ook dat kunstenaars een beter beeld krijgen van de omstandigheden van de huidige kunst- en theaterkritiek.

De stervende krant

Allereerst het botte retorische geweld van Simons: als kunstcritici gaan meedoen aan het vergiftigde discours over kunst, ‘dan zal kunst in Nederland in geen tijd uitsterven’. Tja, dat kun je natuurlijk net zo makkelijk omdraaien: Simons’ wantrouwen jegens de kunstkritiek is net zo goed populistisch en als anderen daaraan gaan meedoen, zal de kunstkritiek in Nederland in geen tijd uitsterven. Ook onzin natuurlijk, en allebei uitingen van een vergiftigd discours bovendien.

Feit is echter wel dat de kunstkritiek er in Nederland veel slechter voor staat dan de kunst zelf. Als criticus ben ik geen onderdeel van de kunstwereld, ik werk in de media en wel in een segment van de media – de dagbladjournalistiek – dat in een langzame maar zekere glijvlucht is beland. Wie wil weten wat de vooruitzichten van kranten zijn op de langere termijn, leze de uiterst lucide blogpost van technologiejournalist Clay Shirky, Newspapers and thinking the unthinkable. ‘Het economische model voor kranten is stuk gemaakt door internet en er is geen model om het te vervangen,’ schrijft Shirky.

Wat dat in de praktijk betekent kan iedereen merken die wel eens een krant in handen heeft: het aantal advertenties neemt af, abonnementen lopen terug, redacties moeten inkrimpen en kranten worden langzaamaan dunner. Wat de theaterrecensies betreft: het aantal wordt beetje bij beetje minder en de lengte wordt korter. Dat is geen onwil – de meeste recensenten en redacteuren leveren denk ik binnen de beperkingen nog prima werk – maar de nieuwsorganisaties staan in de overlevingsstand. Iedereen die denkt dat die trend ooit omkeert, bedriegt zichzelf, aldus Shirky.

Het misverstand onafhankelijkheid

De verdediging van Rijghard tegen Simons klinkt al even bekend als de aanval. Voor een recensent is ‘zijn onafhankelijkheid zijn eerste en laatste beginsel’. Het is een argument dat je critici vaker hoort gebruiken, Hanny Alkema onlangs nog in haar jubileumrede, Hein Janssen in zijn column in de Volkskrant. Maar ik denk dat het niet klopt. Als onafhankelijkheid werkelijk het ‘eerste en laatste beginsel’ was, zou het beroep van criticus überhaupt niet bestaan. Dan zou je beter iemand van de sportredactie of van economie naar een toneelvoorstelling kunnen sturen.

Kranten doen dat niet, omdat hun lezers verwachten dat een recensie wordt geschreven door iemand met verstand van zaken. Critici die op onafhankelijkheid hameren, zien de olifant in de kamer niet – en die olifant heet deskundigheid. Rijghard zelf erkent dat impliciet ook: in zijn reactie beroept hij zich erop dat hij Simons’ en Büchners werk al lang en goed kent. Dit betekent overigens niet dat onafhankelijkheid geen groot goed is. Maar wel dat er voor iedere criticus een spanningsveld bestaat tussen deskundigheid en onafhankelijkheid.

Dat begint al met interviews. Je zou prima kunnen verdedigen dat de ideale criticus geen interviews zou moeten maken. Je zou maar eens in gesprek raken en sympathie voor een acteur of regisseur opvatten. Zou dat je kijk op diens volgende voorstelling (niet die waarover je hem of haar interviewt – die recenseer je niet) niet diepgaand kunnen beïnvloeden?

Ik denk dat die deskundigheid gebaat is bij op zijn minst een basisbegrip van hoe en waarom kunstenaars maken wat ze maken. Een kunstwerk staat namelijk nooit op zichzelf, maar wordt diepgaand beïnvloed door de omstandigheden – het geld, het beleid, de organisaties, en ja, ook de recensies. Mijn kijken en schrijven is gescherpt door te praten met makers over toeval en controle tijdens de voorstelling, over wat een publiek bijdraagt, over de invloed van recensies (dat na een positieve recensie er ineens allemaal toeschouwers met hun armen over elkaar zitten te controleren of het écht wel zo goed is).

Heel veel experimenten

En dat brengt me bij het laatste al te vertrouwde argument van Rijghard, dat de criticus uitsluitend verantwoording schuldig is aan zijn lezers. Ik heb daar moeite mee, omdat recensies daardoor uiteindelijk verworden tot louter consumentenadvies. Een recensent streeft – hoop ik – altijd naar iets meer: duiding, interpretatie en context. Als criticus volg ik het werk van een groot aantal theatermakers gedurende een lange tijd, ook al schrijf ik lang niet over alles wat ze maken. Daarnaast begint met het verschijnen van de recensies niet alleen de reflectie over de voorstelling, maar ook de geschiedschrijving ervan.

Wederom impliciet erkent Rijghard ook het belang van enige rekenschap van de criticus aan de kunstenaar, namelijk door überhaupt te reageren op Simons. Zelf vind ik het een van de verheugendste ontwikkelingen van sociale media dat recensies weerwoord krijgen van de makers, wat voor je het weet weer leidt tot dialoog en verdieping – zie bijvoorbeeld de recente uitwisseling tussen Ko van den Bosch en Vincent Kouters op Facebook en Van den Bosch’ kritiek op recensies elders in dit blad. Dit wordt nog versterkt door de sterrenaggregatie van Theaterkrant, die inzichtelijk maakt waarover de recensenten van mening verschillen.

Nog even terug naar Shirky. Hij concludeert dat de samenleving niet zozeer kranten nodig heeft als wel journalistiek, en er zijn nu heel veel experimenten nodig om te bekijken op welke manier journalisten (en dus ook critici) hun werk kunnen blijven doen. Gelukkig vindt ook op het gebied van de kunstkritiek een aantal experimenten plaats, denk aan Theaterkrant.nl, het Cultureel Persbureau, het Domein voor Kunstkritiek of het Labo Actuele Kunstkritiek in Vlaanderen. Gaan die het allemaal redden? Geen idee. Shirky: ‘Revoluties zijn chaotisch. Het oude wordt sneller afgebroken dan het nieuwe wordt opgebouwd. Kleine experimenten blijken pas achteraf keerpunten.’

Kortom: de toekomst van de instituten is zeer onzeker, maar de rol van de criticus wordt sowieso interactiever, minder autoritair en financieel precair. En niet per se minder belangrijk: het publiek blijft gidsen nodig hebben die het hele aanbod in zich opnemen, beoordelen wat de moeite waard is, kunstwerken een plek in de wereld geven, betekenissen suggereren en tegenstrijdigheden opsporen. Zo onafhankelijk én deskundig als mogelijk is.

Recensie: ‘Caligula’ van Thibaud Delpeut, De Coproducers en De Utrechtse Spelen

Parool,recensies — simber op 18 april 2014 om 10:03 uur
tags: , , , ,

Vier camera’s zet de keizer om zijn tegenstander heen. Er is geen ontsnappen aan de koele, kleine lenzen. Het gesprek kan beginnen. Of is het een ondervraging? Alle hoeken van het peinzende gezicht van acteur Martijn Nieuwerf verschijnen als mozaïek op het projectiescherm.

Regisseur Thibaud Delpeut maakte naam met zijn voorstellingen op festivals en bij Toneelgroep Amsterdam. Sinds begin dit seizoen is hij artistiek leider van De Utrechtse Spelen.

In Caligula van Albert Camus onderzoekt Delpeut het leven zonder absolute waarden en waarheden. De keizer is dodelijk bedroefd omdat zijn geliefde zuster Drusilla is gestorven en begint een bloedig schrikbewind over Rome. Zijn naasten denken dat hij krankzinnig is geworden, maar Camus maakt hem een filosofisch onderzoeker. Mensen “sterven en zijn niet gelukkig”, maar Caligula is de enige met de macht om volledige vrijheid na te streven.

Caligula is een prachtige rol van acteur Vincent van der Valk die, tenger en nadenkend, aandoenlijk en intens de keizer laat zien als een adolescent die ijzeren consequentie verkiest boven medemenselijkheid. Tegenover hem staat Nieuwerf als Cherea die Caligula’s redenering begrijpt, maar kiest voor zekerheid en menselijkheid.

Tegen het eind zien we samen met Caligula op het scherm een beeldenstorm van de cultuurgeschiedenis voorbij trekken, van Lascaux tot Sneeuwwitje. We staan stil bij Malevitsj’ zwarte vierkant en John Cage’s stilte: medereizigers op dezelfde filosofische weg.

Wat moet de kunst hierna en wat moet de mens hierna? Dat lijken Delpeut’s centrale vragen. Zijn voorstellingen zijn altijd strak en onderkoeld, maar achter dat vormelijke oppervlak weet hij –in dit geval samen met Van der Valk– diepe empathie voor zijn personages op te roepen. In die empathie zit vermoedelijk zijn antwoord.

Caligula van Thibaud Delpeut, De Coproducers en De Utrechtse Spelen. Gezien 10/4/14 in Haarlem. Te zien in Amsterdam (Frascati) 24/4 t/m 1/5. Meer info op www.thibauddelpeut.nl

Recensie: ‘JDX – a public enemy’ van STAN

“Wat het publiek nodig heeft is oude, gevestigde ideeën.” Je zou bijna denken dat STAN haar meest reactionaire personage serieus neemt: om haar 25-jarig bestaan te vieren herneemt de Vlaamse toneelgroep een 21 jaar oude voorstelling.

JDX – a public enemy is Vijand van het volk van Ibsen dat de vier toneelspelers Jolente De Keersmaeker, Sara De Roo, Damiaan De Schrijver en Frank Vercruyssen, aangevuld met Annette Kouwenhoven als half meespelende souffleur virtuoos, razensnel en kraakhelder spelen.

Vijand van het volk gaat over een dokter die ontdekt dat de geneeskrachtige baden van de stad vervuild zijn. Aanvankelijk prijst de stad hem voor het afwenden van groot onheil, maar de burgemeester, tevens de broer van de dokter wijst op de enorme kosten die reparatie met zich mee zou brengen en de mogelijke reputatieschade voor de stad. Langzaam keert de publieke opinie zich tegen de klokkenluider en wordt hij een vijand van het volk.

STAN speelt de vele rollen met vier acteurs, zonder attributen, met alleen een poel licht op de plaats van handeling. Razendknap is hoe de spelers met minieme details ieder personage een eigen accent geven, zonder de losse, aan Discordia en ’t Barre Land verwante stijl te doorbreken. Daarbij zijn deze spelers zó goed op elkaar ingespeeld dat de hele voorstelling wordt opgetild in een prachtige lichtheid.

Geestig is het ook heel vaak, met De Schrijver’s burgemeester als geniale clown. Tegenover hem staat de uiterst serieuze Vercruyssen als de vasthoudende dokter. Ik weet niet waar JDX – a public enemy twintig jaar geleden over ging, maar nu herken je moeiteloos de paralellen met Assange of Snowden. Dat is de kracht van repertoire: de oude, gevestigde ideeën blijven altijd actueel.

JDX – a public enemy van STAN. Gezien 9/4/14 in De Brakke Grond. Aldaar t/m 12/4. Meer info op www.brakkegrond.nl

Recensie: ‘Oresteia’ van het NNT

Twee keer verkleedt het koor zich totaal. De eerste keer in een langzame, precieze choregrafie van herenpakken naar meisjesjurken en de tweede keer via een groezelige geboorte naar de ‘kinderen van de nacht’: verminkte zombies gehuld in smerige lichaamssappen.

Regisseur en schrijver Gerardjan Rijnders maakt bij het Noord Nederlands Toneel (NNT) een rigoreus bewerkte versie van de Oresteia, een van de oudste overgebleven toneelstukken. Hij lijkt daarbij vooral geïnteresseerd in het koor. In klassieke tragedies geeft het koor commentaar op wat de koningen en goden overkomt, bij Rijnders heeft het een veel assertievere rol.

Componist Boudewijn Tarenskeen laat het koort –dertien studenten van de toneelschool Amsterdam– afwisselend schreeuwzingen, zingzeggen en harmonieuze a capella zingen, steeds benadrukkend dat het geen groep is, maar een verzameling individuele stemmen.

Het verhaal –over koningin Klyt die haar man vermoordt als die terugkomt uit de Trojaanse oorlog, en haar zoon Orestes die als wraak háár vermoordt– wordt er in iets meer dan anderhalf uur een tikje plichtmatige doorheen gejast. Prachtig aards is de scène waarin Klyt (Malou Gorter) haar zoon (Bram van der Heijden) smeekt om genade.

Maar pas helemaal aan het eind wordt het interessant. Bij Rijnders neemt het volk geen genoegen met de door de goden bekokstoofde uitkomst. Het koor komt in opstand, schreeuwt onverstaanbaar, danst op zelfgestampte punk en vermoordt de goden. Op de achtergrond staat in lampjes het woord “nee”.

Na de punk komt de poging om iets nieuws te formuleren. Je kunt tenslotte niet “nee” blijven zeggen. Het loopt uit op gestamel van halve zinnen. Het gebrekkige antwoord van zowel de Occupy’ers als de Wilders-aanhangers. De apathie na de opstand effectief verbeeld.

Oresteia van het NNT. Gezien 5/4/14 in Leiden. Te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg) 7 t/m 9/4. Meer info op www.nnt.nl

Recensie: ‘De Pelikaan’ van Toneelgroep Amsterdam

Lepelen, slurpen, spugen, lepelen, slurpen, slikken. De moeder (Marieke Heebink als massieve berg geel tule op de bank) en de dienstmeid (Janni Goslinga als de kwaadaardige zus van Sneeuwwitje) zijn verstrengeld in een ziekelijk ritueel. De meid voert pap, de moeder slikt door of spuugt uit, terug in het pannetje.

Dit soort eindeloos herhaalde, unheimische handelingen zijn zo’n beetje het handelsmerk van regiseur Susanne Kennedy. Na een aantal opmerkelijke voorstellingen bij het Nationale Toneel en NT Gent, rees haar ster snel in Duitsland. Haar eerste grotezaalvoorstelling bij de Münchner Kammerspiele werd uitgekozen voor het prestigieuze Theatertreffen als een van de beste tien voorstellingen van het afgelopen jaar en zij zelf werd door Theater Heute het regietalent van het jaar genoemd. Gistermiddag maakte ze haar debuut bij Toneelgroep Amsterdam.

Ze koos voor De Pelikaan (1907), een relatief overzichtelijk kamerdrama van August Strindberg. De moeder heeft een verstikkende invloed op het leven van haar volwassen kinderen. Terwijl zij pap eet is de dochter van twintig onvolgroeid en vel over been, de zoon is ziek, de schoonzoon is op geld uit. Een brief van de onlangs overleden vader brengt het drama op gang: de moeder heeft het familiekapitaal zelf opgegeten en haar kinderen tekort gedaan, bovendien heeft ze een affaire met de schoonzoon (Vanja Rukavina).

Maar plot is slechts bijzaak voor Kennedy. Ze concentreert zich op de huiveringwekkende situatie, waaruit de personages niet kunnen ontsnappen. Steeds herhaalde korte zinnetjes, steeds op dezelfde manier uitgesproken, is wat er van Strindbergs tekst over is gebleven.

Het decor (Katrin Bombe) is een huis van drie verdiepingen, met boven een kamer voor de volwassen kinderen met ballonnen, knuffeldieren en een hobbelpaard, onderin is een halfhoge kelder. Daartussenin de huiskamer (en dat is vanuit het publiek gezien al behoorlijk hoog) met Heebink die gedurende de voorstelling niet van haar bank komt. Vóór het huis is een doorzichtig doek met daarop projecties van bossen en meer onsmakelijk geëet, smerige schuim dat van lippen en kinnen druipt. De soundscape van Richard Janssen maakt van het huis een levend organisme, dat piepend en bubbelend de personages verder fijnknijpt.

De vele bossen geven al snel de associatie met boze sprookjes. De dochter (Hélène Devos) slaapwandelt (al honderd jaar?),  of het is een soort omgekeerde Hans en Grietje, met een heks die kinderen niet vetmest, maar verhongert. Een metafoor voor de babyboomers? Maar Kennedy slaat je dit soort associaties al snel uit handen. De zoon (Alwin Pulinckx) braakt Schopenhaueriaanse teksten uit over opheffing van de wil en al aan het begin laat een voice-over ons weten dat we hier naar een ‘zuiveringsritueel’ kijken.

De voorstelling is verdeeld in korte scènes die steeds naar een hoogtepunt toewerken, op fantastisch kitscherige symforock-bombast. Daar zit vermoedelijk de kern van wat Kennedy wil. Het naturalistische theater is een geperverteerde constructie, die zo onwaarachtig is en zozeer faalt om betekenis te geven, dat het alleen nog komisch kan werken. Er is een nieuw theater nodig. Met haar complexe beeldenstorm laat Kennedy met haar relatief jonge ploeg een glimp zien van wat dat zou kunnen zijn. Ik hoop dat Amsterdam daar klaar voor is.

De Pelikaan van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 23/3/14 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 5/4. Tournee. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘Botox Angels’ van Dood Paard

Parool,recensies — simber op 31 maart 2014 om 11:35 uur
tags: , , , ,

Drie smurfinnen. Daar doen ze nog het meest aan denken, met hun blauw geverfde blote borsten, witte herenslips en blonde pruiken. De Botox Angels van Dood Paard heten ons welkom in hun driepersoonsbed annex studio.

Drie jaar geleden speelden Manja Topper, Ellen Goemans en Lies Pauwels de succesvolle voorstelling Freetown, over westers sekstourisme in Westafrika. Dit jaar spelen ze opnieuw een tekst van Rob de Graaf, zonder Pauwels, maar met Janneke Remmers.

De voorstelling is een afwisseling van scènes over drie vrouwen die proberen een drievrouws liefdes- en seksrelatie te hebben, en van scènes waarin ze met hun eigen naam en een flinke dildo met een plopkap die dienst doet als microfoon elkaar interviewen als succesvolle sterren. Tegen de pik praten ze zoals er van vrouwen verwacht wordt, onder elkaar zijn ze onzekerder en zoekender, maar ook heel gemeen. “Dat gezicht van jou is een donkere wolk – zo’n wolk waar elk moment de zure regen uit kan komen vallen.”

Tussendoor doen ze coverversies van performances van Yoko Ono (Cut Piece – een vrouw wordt stukje bij beetje uitgekleed door haar jurk in stukken te laten knippen) en Martha Rosler (Semiotiek van de keuken – een alfabetische opsomming van keukenattributen met bijbehorende, opmerkelijk geweldadige bewegingen).

Die performancedelen zijn het leukst en je vraagt je af waarom die lesbische soap er überhaupt nog doorheen verteld moet worden. Pluspunten zijn vooral de uitzinnige kostuums (o.a. Carmen Schabracq) en het nuchtere spel van Goemans, die er erg goed in is het publiek deelgenoot te te maken van de grappen.

Het blijven echter de hele tijd niet meer dan aanzetten tot iets interessants. Pas het eindbeeld, dat onder het motto ‘Alle vrouwen zijn mooi’ het vrouwelijk deel van het publiek betrekt, is feestelijk. Waren ze daar maar begonnen.

Botox Angels van Dood Paard. Gezien 22/3/14 in Frascati. Aldaar t/m 29/3. Tournee. Meer info op www.doodpaard.nl

Interview Guy Cassiers

interviews,Parool — simber op 25 maart 2014 om 10:00 uur
tags: , , , , ,

Met een radicale bewerking van het stuk der stukken keert toneelregisseur Guy Cassiers terug naar Nederland. De artistiek leider van Toneelhuis in Antwerpen laat Hamlet spelen door een vrouw en zet zijn spelers in een multimediaal decor waarin niets verborgen blijft.

Iedere grote regisseur moet uiteindelijk zijn of haar Hamlet maken. Waarom is het nu de tijd voor uw versie?

Er zijn verschillende inhoudelijke ingrediënten die ik heel belangrijk vind, maar daarnaast moet het passen in je ontwikkeling als kunstenaar. Ik maak mijn voorstellingen samen met een groep mensen, zowel acteurs als vormgevers, en samen maak je een evolutie door. Zo is deze Hamlet er ook gekomen, omdat ik nu denk dat Abke Haring die rol moet spelen. Daarnaast is het praktisch: door de samenwerking met Toneelgroep Amsterdam heb ik de beschikking over een groter ensemble dan ik in Antwerpen heb.

Tom Lanoye heeft een prachtige tekst geschreven, waarin het generatieconflict in Hamlet veel sterker naar voren komt. In het stuk zijn drie kinderen, Hamlet, zijn vriend Laertes en diens zus Ophelia, die erfgenamen zijn van een samenleving die de idealen van waaruit ze gegroeid is volledig aan de kant zet. De ethiek is aan het verdwijnen. De nieuwe generatie probeert te reageren, maar vindt zijn eigen identiteit niet. Als weeskinderen bezingen ze hun eigen onmacht.

Waarom koos u met Abke Haring voor een vrouw als Hamlet?

Ik zie Hamlet als een nog niet geïdentificeerd persoon, een jong iemand die zijn/haar vorm nog niet gevonden heeft. Op een psychologisch niveau kun je zeggen dat, omdat zijn oom Claudius zijn vader vermoordt, Hamlet zelf niet de mogelijkheid krijgt om symbolisch vadermoord te plegen. Dat verwart hem.

Abke speelt geen vrouw of een man, ze speelt een zoekend iemand. Daarnaast komt zij heel jong over. Hamlet is een adolescent en je moet kunnen geloven in zijn jeugdigheid. En bovendien: ten tijde van Shakespeare stonden er geen vrouwen op het toneel, dus er zat altijd een spel in met mannelijkheid en vrouwelijkheid – die lijn trekken we door naar vandaag.

U staat als regisseur vooral bekend om uw literatuurbewerkingen, zoals de Proust-cyclus en De man zonder eigenschappen. Ziet u het werk van Shakespeare ook als literatuur die eerst bewerkt moet worden voordat het kan worden opgevoerd?

Nee, de tekst heeft zeker nog relevantie. Maar Shakespeare schreef voor een ensemble met specifieke acteurs en binnen een sociale en artistieke context. Ik denk dat ik Shakespeare meer recht doe door zijn ideeën –die hij ook weer ontleende aan eerdere verhalen– verder ontwikkel voor deze tijd, natuurlijk met zeer veel respect.

De bewerking van Lanoye versterkt een aantal elementen uit Shakespeare: de dictatuur, het generatieconflict en voegt een aantal nieuwe ingrediënten toe. Wie het stuk goed kent zal verrast worden over hoe de tragische uitkomst nu tot stand komt. Maar Lanoye maakt het wel metrisch, in vijfvoetige jamben. Daarin zie je het respect voor de schriftuur van het origineel.

U heeft lang in Nederland gewerkt, als artistiek leider van het Ro Theater. Hoe is het nu om weer terug te zijn?

Er is ontzettend veel veranderd. Ik zou de kansen die ik bij het Ro kreeg om mijn stijl voor de grote zaal te ontwikkelen in Vlaanderen nooit gekregen hebben. Toen ik terugging naar Antwerpen zag ik de noodzaak om het politieke in mijn werk belangrijker te maken.

Ik heb de laatste twee jaar van Pim Fortuyn meegemaakt en me erg verbaasd dat in een stad die al heel lang door de sociaal-democraten wordt bestuurd ‘socialist’ ineens een scheldwoord werd. En in Antwerpen zie je nu precies hetzelfde gebeuren. We keken in België altijd op naar Nederland als voortrekker, en ik vrees dat Nederland voortrekker blijft, maar dan in negatieve zin. Ik probeer er alles aan te doen om het in Vlaanderen niet zo ver te laten komen; de mentaliteit ten opzichte van de kunsten in de maatschappij.

Ziet u dat ook bij Toneelgroep Amsterdam?

Ik denk dat Toneelgroep Amsterdam nog een van de weinige eilanden is waarop op een relevante manier hedendaags theater ontwikkeld kan worden. Maar ik zie wel dat tussen Vlaams en Nederlands theater een muur wordt opgetrokken. Iedereen isoleert zich. Dat is ook het probleem van Hamlet: in zijn zelfbeklag isoleert hij zichzelf en ziet hij niet meer wat er om hem heen gebeurt. En dat is heel gevaarlijk. Ik hoop dat de samenwerking van Toneelgroep Amsterdam en Toneelhuis een symbool kan zijn voor hoe we ook op andere manieren kunnen samenwerken.

Hamlet vs Hamlet van Toneelgroep Amsterdam/Toneelhuis gaat op 19 maart in première in de stadsschouwburg. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘Vaslav’ van Arthur Japin door DeLaMar producties

“U gaat mij groot maken? Ik weet niet beter of ik ben al groot.” Soeverein reageert Vaslav Nijinski op de avances –zakelijk, artistiek én seksueel- van Sergej Diaghilev. De grootste danser aller tijden en de producent die hem uiteindelijk niet alleen groot maakte, maar een icoon; het geile middelpunt van het revolutionaire ballet Le Sacre du Printemps uit 1913.

In 2010 schreef Arthur Japin de roman Vaslav, gebaseerd op de moeizame relatie van Nijinski met Diaghilev. Gisteren ging de door de auteur zelf geschreven toneelversie in première in DeLaMar. De roman belicht de enigmatische danser vanuit drie perspectieven: die van zijn vrouw, zijn bediende, en van Diaghilev. Bij de toneelversie ligt de nadruk stevig op de laatste, die wordt namelijk gespeeld door Jeroen Krabbé, voor het eerst sinds tien jaar weer op de planken.

Het verhaal speelt zich af op één fatale dag, de laatste keer dat Nijinski in het openbaar optrad. Hij heeft zich teruggetrokken in Sankt Moritz, ontslagen bij Diaghilevs gezelschap Ballets Russes waarmee hij zijn grootste triomfen vierde en steeds meer ten prooi vallend aan de schizofrenie die de laatste helft van zijn leven zou bepalen. Vooral zijn vrouw wil graag dat hij een come-back maakt, maar halverwege het optreden valt hij stil. “Nu is het kleine paardje moe”, zijn zijn laatste woorden.

De toneelvoorstelling speelt zich af in een klinisch witte ruime (decor: Lez Brotherson). Delen van de wand zoeven omhoog om op dynamische wijze steeds nieuwe ruimtes aan te geven met een bad, een kachel of een kleine tribune. Kostuums (Yan Tax) zijn geïnspireerd op de jaren ‘10, onberispelijke rokkostuums voor de heren, gepast uitzinnige jurken voor de dames.

Maarten Heijmans (inmiddels vooral bekend van de titelrol van de televisieserie Ramses) heeft het juiste charisma voor Nijinski. Mooi is het om te zien hoe hij langzaam wegzakt in waanzin. Musicalster Noortje Herlaar speelt zijn vrouw, die bij Japin een soort Yoko Ono wordt: de vrouw die het artistieke genie verpest. Haar moeder, uitstekend gespeeld door Beppie Melissen in steeds nieuwe geestig over-the-top jurken, is de bitse en hardvochtige comic relief. Er wordt niet gedanst in de voorstelling, op sommige momenten wordt het silhouet van een danser geprojecteerd. Het blijft echter vrij ongemakkelijke illustratie – geen moment heb je het idee dat we hier een man zien die de zwaartekracht trotseert.

Krabbé als Diaghilev trekt echter de meeste aandacht. Met een snorretje en een witte haarlok schept hij een rijk toneelpersonage: showman en geniale artistieke makelaar, als homoseksueel dolverliefd op Nijinski, maar zakelijk hard en wraakzuchtig. Een dandy met gevoel voor schandaal.

De dialogen tussen Krabbé en Heijmans, veelal verteld via flashbacks uit hun vroegere leven, zijn het best. Ze spreken over liefde, passie, kunst, maar blijven dubbelzinnig en tegenstrijdig. En is Nijinski nou homo of liet hij zich de liefde van Diaghilev aanleunen omdat hij daar baat bij had. De voorstelling laat het in het midden; gelukkig maar.

Vaslav is in regie van Gijs de Lange een mooie, ambachtelijke voorstelling, goed gespeeld en boeiend tot het eind; de meest geslaagde DeLaMar productie tot nu toe. Maar toch knaagt er iets. Diaghilev en Nijinski waren –samen met onder veel anderen Stravinski, Rodin en Debussy– een eeuw geleden de aanstichters van een radicale esthetische opstand. De paar maten van Le Sacre du Printemps die in de voorstelling klinken, bevatten al zoveel geweld dat je schrikt.

Dat honderd jaar later de hoofdpersonen van die artistieke revolutie onderwerp zijn van zo’n brave en gladgestreken toneelavond stelt toch teleur.

Vaslav van Arthur Japin door DeLaMar producties. Gezien 16/3/14 in DeLaMar. Aldaar t/m 30/4. Meer info op www.delamar.nl

Recensie: ‘Rule’ van Emke Idema, Frascati Producties

Parool,recensies — simber op 20 maart 2014 om 14:30 uur
tags: ,

Een beetje verloren staan we met z’n allen op de speelvloer. Geen vertrouwde tribune voor het publiek, we moeten het doen met een paar onregelmatig gevormde eilandjes op de speelvloer. In Rule zijn er geen toeschouwers, je speelt allemaal mee.

Emke Idema viel twee jaar geleden op met het prachtige theatrale spel Stranger, waarbij toeschouwers in een soort gezelschapsspel gretig hun vooroordelen over vreemden uitspraken. In het al even geslaagde Rule gaat het nu om samenleven en politiek.

Aan de hand van een paar globale vragen – ben idealistisch of praktisch? overtreed je liever een regel of probeer je hem te veranderen? – die je beantwoordt door op een van de eilanden te gaan staan wordt de temperatuur van onze groep gemeten. Wij zijn flexibel en ruimhartig.

Maar wat gebeurt er met die abstracte waarden als je concrete problemen voorgeschoteld krijgt? Een onbekende die bij je aanbelt om van de wc gebruik te maken? Een vriend die jou huis als het zijne gaat gebruiken?

Via een razendknap scenario, dat via de gecomputeriseerde stem van Idema het spel stuurt, moet je niet alleen zelf keuzes maken, je ziet ook  de keuzes van de medespelers. Durf je dan een afwijkende mening te hebben of conformeer je je?

De dilemma’s die Idema je voorschotelt gaan steeds over gastvrijheid – tegenover vreemden, vrienden of asielzoekers. Het hangt natuurlijk van de avond af hoe de problemen worden opgelost –en hoeveel protest er is als Idema je opzadelt met een valse keuze– maar het lijkt wel duidelijk dat geen enkele groep toeschouwers zo nobel blijkt als ze aan het begin over zichzelf dacht. En het knappe aan die ontmaskering is dat je het helemaal zelf hebt gedaan.

Rule van Emke Idema, Frascati Producties. Gezien 12/3 in Frascati 4. Aldaar t/m 15/3. Tournee. Meer info op www.emkeidema.nl

Recensie: ‘De Verleiders: de val van een super-man’

“Heijn of niet Heijn? Dat is de vraag.” Victor Löw speelt Ronald Jan Heijn, het spirituele zwarte schaap in de supermarktfamilie, maar Löw is ook de acteur die heel graag Hamlet wil spelen. Die twee lagen –de familie Heijn die in 2003 wordt geconfronteerd met een enorm boekhoudschandaal– en de realiteit van de acht toneelspelers die hierover een voorstelling moeten maken lopen continu door elkaar in De Verleiders: de val van een super-man, meestal aan elkaar geknoopt met een goede grap.

Twee jaar geleden was De Verleiders: de casanova’s van de vastgoedfraude een enorme theaterhit. Die voorstelling, bedacht door het theaterduo George van Houts en Tom de Ket, maakte de fraudezaak rond het Bouwfonds op cabareteske wijze (bijna) inzichtelijk en maakte het publiek op een knappe manier mede-verantwoordelijk. Een vervolg was onvermijdelijk. Dit keer richten de twee hun pijlen op de top van het vaderlandse bedrijfsleven: de ontmaskering van Ahold-directeur Cees van der Hoeven.

Alle hoofdrolspelers verzamelen zich op Pudleston Court, het landhuis van de oude Albert Heijn (Jules Croiset in een elektrische rolstoel waarmee hij consequent over ieders tenen rijdt): Van der Hoeven (een elastische en uiterst geestige Han Römer), zijn eerste en tweede vrouw (Joke Tjalsma en Rosa Reuten), zweefkees Ronald Jan en de geest van diens ontvoerde en vermoordde vader Gerrit Jan Heijn (Walter Crommelin). Het blijspel is compleet met Van Houts als de butler en stagiaire Julia Akkermans als zijn dochter.

In een decor van rollende ordners die interieurwanden blijken te herbergen, probeert Van der Hoeven van Heijn de controle over het bedrijf terug te krijgen terwijl de anderen hem vooral tegenwerken. Mooi is dat naast Albert Heijn ook andere Hollandse iconen hun plek krijgen, van de Hollandse Meesters aan de muren, tot verwijzingen naar Jip & Janneke en Johan Cruijff.

Steeds stappen de acteurs uit hun rol voor weer een extra Ahold-anekdote of meta-grap. Het hele assortiment supermarktmoppen en verwijzingen naar reclameslogans wordt uit het schap gehaald.

Dat is meestal leuk, maar uiteindelijk vermoeiend, omdat de voorstelling geen dwingend verhaal heeft en toch een hoog tempo. Vooral het postmoderne eind, hoewel keurig gespiegeld, is flauw.

De fraudezaak wordt eigenlijk nauwelijks duidelijker, maar wat De Verleiders uitstekend doen is uitleggen dat de mega-bedrijf als Ahold werkt in een kapitalistisch systeem dat van alles een product maakt –ook van jonge actrices, zoals stagiaire Akkermans lucide opmerkt– en z’n gang kan gaan omdat ook het publiek gemak en voordeel belangrijker vindt dan goedbetaalde broodbakkers en cassières.

Je zou er bijna een oproep tot bewuster consumeren achteraan verwachten, maar dat zou al te activistisch zijn voor deze cultureel ondernemers. Het mensbeeld van hun nieuwe voorstelling is minder cynisch dan in De casanova’s van de vastgoedfraude, maar ondanks de vele goede grappen kom je niet heel vrolijk naar buiten.

De Verleiders: de val van een Super-man van Bos Theaterproducties. Gezien: 26/2/14 in Zaandam. Te zien in Amsterdam (DeLaMar) 29/5 t/m 8/6. Meer info op www.de-verleiders.nl

Volgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2014 Simber | powered by WordPress with Barecity