Presentatie: Sterrenstof 2016

overig — simber op 8 september 2016 om 11:37 uur
tags:

Gisteren hield ik in de Stadsschouwburg tijdens het debat Kritiek op Kritiek een presentatie over sterren bij theaterrecensies. Het is een update van de presentatie die ik twee jaar geleden hield in De Balie. Op basis van data van Theaterkrant heb ik onderzocht hoe de verdeling van de sterren is per krant en in hoeverre kranten en recensenten afwijken van het gemiddelde.

Opmerkelijkheden:

  • Het aantal theaterrecensies groeit. Hoera!
  • De overgrote meerderheid (rond de 80%) van de recensies heeft 3 of 4 sterren. Dat aandeel stijgt.
  • De oordelen in recensies groeien naar elkaar toe. Recensenten zijn het vaker eens.
  • De Volkskrant is de strengste krant, de Telegraaf de mildste, en dat ligt niet aan selection bias.

Download/bekijk de presentatie in PDF (4 MB)

 

 

Recensie ‘Don Carlos’ van Nina Spijkers, Toneelschuur Producties

Korte jasjes en lange, brede rokken; als die uitgaan strakke leren broeken, en barokke hemdjes, allemaal in donkere kleuren. De vier spelers van Don Carlos zien eruit als een rockband. Friedrich Schiller schreef het stuk een paar jaar voor de Franse Revolutie, toen de geest van vernieuwing al door Europa waarde en hij koos een verhaal over de opstand der Nederlanden twee eeuwen eerder.

Met deze kostuums (ontworpen door Nicky Nina de Jong) legt regisseur Nina Spijkers de link met de rebellie van de sixties en zo met de altijd broeiende onlustgevoelens van jongeren, waarin idealisme en hormonen altijd samengaan. Ook bij Don Carlos, de kroonprins van Spanje, die enerzijds sympathie heeft voor de opstandelingen in het buitengewest, en tegelijk verliefd is op zijn stiefmoeder, die oorspronkelijk zíjn bruid had moeten worden.

Het is een lekker stel spelers bij elkaar: Justus van Dillen, Linde van den Heuvel, Judith Noyons en Xander van Vledder weten Schillers retorische taal vloeiend en af en toe lucide te brengen, met een paar momenten van vrolijke lichtheid.

Heel effectief is het unisono uitspreken van veel teksten. Allevier hebben ze een kroontje op hun onderarm geschilderd, met die arm op hun hoofd zijn ze allevier tegelijk koning.

Dat is mooi gevonden. De beroemdste zin uit het stuk is immers: “Geef ons vrijheid van denken.” De heersende orde waartegen de jongeren zich in dit stuk verzetten zijn zij zelf. En dat is precies het probleem van hedendaagse jonge idealisten: we kunnen nauwelijks meer buiten het neoliberale systeem denken. Hoe kun je het dan omverwerpen?

De tweede helft gaat de voorstelling echter trekken. Het stuk verzandt in overdadige plotwendingen en Spijkers’ ideeën zijn misschien net te mager om bijna twee uur te boeien. Desondanks is deze Don Carlos knap werk van een vrolijk stemmend talent.

Don Carlos van Nina Spijkers, Toneelschuur Producties. Gezien 23/4/16 in De Toneelschuur Haarlem. Te zien in Amsterdam (Bellevue): 1-3/6. www.toneelschuurproducties.nl

Recensie: ‘Wie de f*** is Oom Jo?’ van Carolien van den Berg

Parool,recensies — simber op 4 mei 2016 om 10:00 uur
tags: , ,

Actrice Carolien van den Berg was nooit zo bezig met haar familiegeschiedenis. Tot ze een brief kreeg van de Stichting Sjoa dat ze een uitkering kreeg voor haar overleden oom Joseph. Wat haar dochter de uitspraak ontlokte: ‘Wie de fuck is Oom Jo?’

De voorstelling is het verhaal van haar speurtocht naar wat er met haar familie is gebeurd. Haar vader had kort voor zijn dood al een boekje geschreven over zijn eigen wederwaardigheden – de fragmenten die ze voorleest klinken als een K. Norel-achtige avonturenroman, met nauwe ontsnappingen, een sprong uit een rijdende trein en veel plezier met Duitse meisjes tijdens de Arbeitseinsatz, maar ze ontdekt hoe haar oom en haar oma verraden werden en eindigden in Sobibor en Auschwitz.

Het verhaal is particulier, maar toch interessant, het probleem ligt bij de vorm. Het decor (Morgana Machado Marques) bestaat uit een wand lichtbakken, waarop Van den Berg uitvergrote documenten kan plakken, maar waarop ook heel veel geprojecteerd wordt: archiefbeelden, familiefilmpjes en kookvideo’s, Whatsapp- en email-conversaties en dialogen met haar vader (tekst) en haar oma (Van den Berg zelf op video).

Ook jammer is de al te losse structuur. Vertelt Van den Berg nou het familieverhaal, of het verhaal van haar zoektocht? Erg interessant is nog het lijntje dat ze heel hard probeert Joods te zijn – ze staat beslag te maken voor Kugel met peren – maar uiteindelijk zal ze het nooit worden: alleen haar vader is joods. Maar het wordt niet uitgewerkt, net zomin als de vraag wat ze hiervan nou aan haar kinderen wil meegeven.

De voorstelling eindigt met een anticlimax en een witz, dat is dan weer erg joods. Aan dit soort egodocumenten over familieleden in de oorlog is geen gebrek. Toch is ieder ervan waardevol, zelfs als het resultaat niet zo geslaagd is, zoals bij Wie de f*** is Oom Jo?.

Wie de f*** is Oom Jo? van Carolien van den Berg. Gezien 24/4/16 in Oostblok. Nog te zien t/m 15/5. Meer info: www.wieisoomjo.nl.

Recensie ‘Liliom’ van TA2, Julie Van den Berghe

Een vrouw in een diep uitgesneden wit pak met een sigarettepijpje. Zo ziet een magistraat van het Hemelse gerecht eruit volgens regisseur Julie Van den Berghe. De edelachtbare (Chris Nietvelt, strak met af en toe plotseling een demonische grom tussen haar woorden) moet zich buigen over het geval Liliom, een klootzakje dat zichzelf na een mislukte overval min of meer per ongeluk heeft geëlectrocuteerd.

Het is een merkwaardig stuk, dit Liliom van de Hongaarse schrijver Ferenc Molnár (zeer populair in het begin van twintigste eeuw, maar in ieder geval zijn toneelwerk is in Nederland in de vergetelheid geraakt). Met zijn deemoedige blik op het liefdesleven van armelui en de setting rond de kermis lijkt het wel wat op Kasimir en Karoline van Von Horváth. Maar Ferenc’s personages zijn schetsmatiger, als grof geschilderde decorstukken in een carrousel. En dan is er nog dat rare bovennatuurlijke intermezzo dat leidt tot een 16-jarig verblijf in het vagevuur.

Liliom gaat over een schelm die zijn baantje en bijbehorend lichte leventje als propper voor een draaimolen op de kermis vaarwel zegt uit liefde voor een dienstertje (Hélène Devos). Maar de aanpassing aan het burgerlijke leven gaat niet makkelijk, want ze hebben geen werk en hij is nu eenmaal een etter. Hij mishandelt haar en rolt de criminaliteit in, met fatale gevolgen.

Van den Berghe – die zelf Hongaarse roots heeft – weet de keuze voor dit obscurium niet overtuigend te brengen. Ze benadrukt de ruwheid van het stuk met een donker, abstract rondrollend decor, groteske bijfiguren (de maskerachtige grijns van Robert de Hoog is knap volgehouden) en een soundscape die van alle geluiden een echo maakt. Middelpunt is Eelco Smits in de titelrol, zeer energiek, maar eerder een lieve deugniet dan echt gevaarlijk.

De voorstelling zwerft tussen ruig en elegant, tussen conceptueel en inspelend op herkenbare emoties. Het wordt maar niet duidelijk of Van den Berghe deze figuren nou opvat als te erbarmen mensen of als met houtskool getekende aanzetten. Een voorstelling in het vagevuur, kortom.

Liliom van TA2 (Toneelgroep Amsterdam en Frascati Producties), regie Julie Van den Berghe. Gezien 2/4/16 in Frascati. Aldaar t/m 16/4. Meer info op www.tga.nl

Fien de la Mar

overig,Parool — simber op 8 maart 2016 om 10:00 uur
tags: , ,

Rondom het Leidseplein liggen een paar kleine monumentjes voor de vroegere grote sterren van het toneel. Een kade genoemd naar Johanna Ziezenis-Wattier – een groot tragediènne die het stadsschouwburgpubliek rond 1800 in vervoering bracht; een plantsoen voor Maria Kleine-Gartman – de grootste actrice van de negentiende eeuw; een café met de voornaam van Cox Habbema – de actrice die in de jaren tachtig een spraakmakende schouwburgdirecteur werd; en een fontein die Hans Snoek eert – godmother van het jeugdtheater in Nederland.

En dan is er nog het DeLaMar Theater. In 1947 gebouwd door Piet Grossouw en officieel genoemd naar diens schoonvader Nap de la Mar, maar vooral bedoeld als thuishaven voor zijn vrouw Fien. Fien de la Mar was een van de grootste theatersterren van voor de oorlog. Ze speelde toneel en in films, ze zong cabaretliedjes, revuenummers en operette en ze danste. Ze was sensueel en zwoel en zowel critici als fans roemden haar bijzondere podiumpersoonlijkheid. Wie een moden equivalent zou zoeken: een soort kruising tussen Halina Reijn en Wende Snijders. Maar ze was ook een diva met een onberekenbaar humeur, die naarmate ze ouder werd nukkiger en ongelukkiger werd.

Deze week krijgt De la Mar nog een gedenkteken: de film Ik wil gelukkig zijn van Annette Apon gaat in première, een combinatie van archiefbeelden uit haar films en commentaar en een voorzichtige reenactment van Johanna ter Steege.

Fien, geboren in 1898, groeide op in een amusementsfamilie in Rotterdam, die begon toen haar grootvader uit Portugal naar Antwerpen emigreerde. Haar vader Nap was in Rotterdam een vrije ondernemer, die operettes, varieté en toneelkomedies maakte, maar die ook banden had met het serieuzere Hofstandtooneel, dat onder meer in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag speelde. Vader en dochter speelden daar ooit samen Pygmalion van G.B. Shaw.

De La Mar heeft echter de pech dat ze optrad in een tijd dat het met het Nederlandse toneel tamelijk beroerd gesteld was. In de jaren twintig en dertig ondervond het theater stevige concurrentie bioscoop en radio, de crisis hakte erin en het publiek liep weg. En het publiek dat wel kwam “wil lachen, hard lachen, hardop proesten. Het zal zich op den duur doodlachen, voorshands lacht het al wat ernst en goede wil is in de kunst dood”, schreef een criticus.

Het was in het cabaret dat Fien de la Mar haar eigen toon vind. Met haar donkere stem blijkt ze een geboren chansonière en oogst groot succes met een liedjesprogramma waarin ze bekende cabaretières als Lola Cornero, Else Grassau en Margie Morris imiteert. Het succes kon ze voortzetten toen vanaf de jaren dertig de geluidsfilm in Nederland werd geïntroduceerd.

Zoals Annie Bos de diva was van de vroege stille Nederlandse film, zo werd Fien de onbetwiste ster van Hollandsch Hollywood, zoals de Cinetone filmstudio’s in Duivendrecht werden genoemd in een van haar liedjes. Ze heeft een on-Nederlandse allure, en in haar styling zie je onmiskenbaar de invloed van Marlene Dietrich. De films die daar worden gemaakt zijn overigens geen cinematografische meesterwerken, maar vehikels voor sterren als Johan Kaart, Louis Davids, Sylvian Poons en Johan Heesters.

Fien is dan al Amsterdams geworden. Ze woont aan de Beethovenstraat met haar man, de architect en aannemer Piet Grossouw – ondanks Fiens vele affaires een zeer liefdevol huwelijk – en ze speelt een aantal klassiek geworden Jordanese typetjes: Toffe Jans in De Jantjes (1934) en de titelrol in Bleeke Bet (1934), waarin ze onder andere O, fijne Westertoren, en ook Ik wil gelukkig zijn, dat min of meer haar lijflied zou worden.

Na de oorlog, juist met de opening van haar eigen theater in 1947 begint de neergang. Ze is het stralende middelpunt van de voorstellingen, waarin verder ook onder anderen Willy van Hemert, Guus Hermus en Ko van Dijk meespelen, maar van financiën en beheer heeft ze geen kaas gegeten. Haar naam alleen blijkt ook niet meer voldoende om de zaal vol te krijgen – wellicht was het cabaretrepertoire ook te niemendallerig en onschuldig voor de nieuwe tijd. Wie wel veel succes heeft is Wim Sonneveld, die om de hoek het Leidsepleintheater bestiert. “Ik begrijp er niets van!”, bijt Fien hem eens toe. “Die drollehoek, die pishoek bij jou is elke avond uitverkocht en in mijn bonbonnière komt geen hond!”

In 1952 neemt Sonneveld de bonbonière van haar over, bouwt er een balkon in en noemt het het Nieuwe De La Mar. Dat beschouwt De la Mar als groot verraad en ze trekt zich terug van het toneel.

Als in 1957 haar man Piet overlijdt, zakt ze weg in een diepe depressie, die zich uit in alcoholisme en beruchte telefonades waarin ze miskende monologen afsteekt tegen wie maar durft op te nemen. Ze maakt nog een korte comeback begin jaren zestig, maar staat vooral bekend als onhandelbaar en wantrouwig. In april 1965 pleegt ze zelfmoord door uit het raam van haar huis te springen.

In veel opzichten is Fien de la Mar de laatste echte theatervedette van Nederland. Al haar opvolgers worden bekend via de televisie. Maar het theater, in 2010 grootschalig verbouwd en uitgebreid door Joop en Janine van den Ende, staat er nog en is nu niet langer naar haar vader genoemd, maar offcieel naar haar.

Recensie ‘Schiff der Träume’ van Deutsches Schauspielhaus Hamburg/Brandhaarden

Eindelijk kunnen de orkestleden afscheid nemen van hun geliefde dirigent, komt er ineens een groep Afrikanen het toneel over lopen. Het moment, vlak voor de pauze van de voorstelling Schiff der Träume van Schauspielhaus Hamburg is tegelijk een stevige breuk met het voorafgaande en tegelijk een zucht van opluchting.

Schiff der Träume is een van de vijf voorstellingen van Schauspielhaus Hamburg die nu in het kader van het festival Brandhaarden te zien zijn in de Stadsschouwburg Amsterdam. Regiseur Karin Beier, tevens intendant (artistiek leider) van het gezelschap maakt van de film E la nave va van Fellini uit 1983 een ‘Europees requiem’.

Een luxueus cruiseschip vol klassieke musici vaart over de Middellandse Zee, waar de as van hun even geliefde als tirannieke dirigent en componist moet worden verstrooid, op de klanken van zijn meesterwerk Human Rights Nr. 4. Aan boord spelen ze muziek, ruzieën ze en spelen ze geweldige slapstick rondom de urn.

Net als bij Fellini staat het schip symbool voor Europa, het bejaarde, decadente en navelstaarderige continent van oude cultuur en oude ideeën. Maar het interessante is dat Beier het idee serieus neemt dat ook haar Schauspielhaus zo’n droomschip is.

Vandaar dat de groep bootvluchtelingen die het cruiseschip uit zee oppikt gespeeld wordt door vijf Afrikaanse acteurs die in Duitsland spelen bij het kleinezaalgezelschap van regisseursduo Gintersdorfer & Klaßen. Meteen nadat ze opkomen nemen ze het toneel over met hun provocatieve en meer op het publiek gerichte stijl. “We zijn gekomen om jullie te helpen!”, zeggen ze nadat ze verteld hebben over de documentaires over Europese depressie en bevolkingsafname die ze in Abidjan hebben gezien.

Na de pauze komen de twee stijlen tot een soort synthese: opera en hiphopbattles, Pina Bausch en tango, dat werk. De lichte kitscherigheid wordt meteen omvergeworpen door de verschillende personages de drogredeneringen van progressieve mensen in het vluchtelingendebat tot in het extreme door te voeren. “Ik ben kunstenaar! Ik ben links!”

Aan het eind worden de Afrikanen door de purser van boord gebonjourd, er is een schip van grensbewaker Frontex gearriveerd. Dat maakt van Schiff der Träume een scherp statement over de omgang met andere culturen in de schouwburgen: ze mogen ons even vermaken, maar daarna moeten ze weer oprotten.

De gevolgen zijn volgens Beier (net als bij Fellini) ondubbelzinnig: het schip zinkt.

Maar al ruim voor de pauze kreeg ik overduidelijk de indruk dat de passagiers op het schip al lang dood zijn. Nog los van de urn die ze met zich meedragen als doel van hun reis maken ze spookachtige muziek op hun instrumenten en zeggen teksten als: “Dood zijn is moeizaam”, en “Je bent helemaal nog niet dood als je dood bent”. Halverwege zwemmen er hoog boven het toneel een paar vissen voorbij.

Een hevig cultuurpessimisme lijkt de rode draad in deze editie van Brandhaarden. De vier voorstellingen die tot nu toe te zien waren tonen versleten werelden met uitgebluste personages. Der Entertainer gaat over een afgegleden variétéfamilie en regisseur Christoph Marthaler zet op het podium van de schouwburg nóg een toneel, met nóg een familie losers met nóg foutere en stommere grappen.

In Schiff der Träume wordt datgene wat we in Europa vaak zien als bedreigend (vluchtelingen) gedraaid tot oplossing (“we komen jullie helpen”). Het is dezelfde truc die Michel Houellebecq toepast op de Islam in zijn laatste boek Onderworpen. Karin Beier zet het boek als lange monoloog op de planken (een absolute tour de force van toneelspeler Edgar Selge) als Unterwerfung en, ook al is het sardonische plezier van het boek meesterlijk omgezet in het spelplezier van Selge, ook hier staat de ineenstorting van de Europese humanistische traditie centraal.

Ook de beste en vrolijkste van de Brandhaardenvoorstellingen tot nu toe – Effi Briest – stemt uiteindelijk toch niet hoopvol. Het melodramatische boek van Fontane uit 1894 (jonge getrouwde vrouw heeft korte affaire, wordt jaren later zwaar gestraft) wordt verteld in een jaren zeventig radiostudio, waar de bewoners prachtige coverversies zingen van top 2000-hits. (De enorme muzikaliteit van de toneelspelers uit Hamburg is een ander leidmotief.) Maar uit al die liedjes, van God only knows tot Kiss blijkt dat onze liefdesmoraal in die kleine eeuw niet echt is veranderd.

Zo biedt deze dwarsdoorsnede aan Duits theater vooral eindtijdtoneel: mensen die worden verzwolgen door de wereld en als levende doden terugkijken op hoe het heeft kunnen gebeuren.

Schiff der Träume van Deutsches Schauspielhaus Hamburg. Gezien 26/2/16 in de Stadsschouwburg ihkv Brandhaarden. Brandhaarden duurt nog t/m 3/3. Meer info op www.ssba.nl/brandhaarden.

Recensie ‘De Wereldverbeteraar’ van Toneelschuur Producties

Parool,recensies — simber op 4 maart 2016 om 10:00 uur
tags: , , ,

Een ‘sprechhund’ is de naam voor een personage dat zelf niet zoveel zegt, maar vooral dient voor andere personages om tegenaan te praten. De Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard gebruikte ze veelvuldig in zijn toneelwerk, meestal galspuwende bijnamonologen van mannen vol wereld- en zelfhaat, met een of meer lijdzaam het verbale geweld opvangende familieleden of bedienden.

Het opmerkelijke van Erik Whiens enscenering van De Wereldverbeteraar is dat hij de sprechhund weglaat. Hij maakt van het stuk uit 1978 bijna een performance, waarin acteur Sanne den Hartogh anderhalf uur lang bijna roerloos en nauwelijks verlicht voor een gitzwarte achtergrond staat, een donker pulserende soundtrack op de achtergrond.

Zo wordt Bernhards monoloog een soort taalmuziek, een dialoog tussen Den Hartoghs sonore stem en de subtiel fluctuerende lichten en geluiden die hem ondersteunen. De situatie (een zwartgallige filosoof wacht op een delegatie van de universiteit om hem een eredoctoraat te verlenen) doet er nauwelijks toe; het gaat om de poëzie van de beledigingen en het ongemak, de herhalingen en de ellipsen, de vele verwijzingen naar Hamlet (speciaal leuk voor wie Den Hartogh zes jaar geleden in die rol zag).

Den Hartoghs rol is een buitengewoon mooie krachttoer. Voorover gebogen, met zijn gezicht in het duister brengt hij de woordenstroom uiterst lucide. “Alles bederft m’n maag. Is het niet de keuken, dan is het wel de filosofie.” “Iedere ziekte is een ongeneeslijke ziekte.” Het gitzwarte doek dat achter hem hangt geeft soms de illusie dat je in het oneindige niets kijkt.

Maar als je aan het eind de hele tekst hebt gehoord sta je alsnog met lege handen. Waar komt al deze haat vandaan? En wat willen de makers ermee? In deze voorstelling is de hoofdfiguur een hoofd zonder wereld, of beter: een ondode die een partituur reciteert. Dat die woorden ook nog een betekenis hebben lijkt bijna een afterthought.

De Wereldverbeteraar van Toneelschuur Producties. Gezien 25/2/16. Te zien in Amsterdam (Frascati) 11 t/m 19/3. Meer info op www.toneelschuurproducties.nl

Interview Wynn Heliczer

interviews,Parool — simber op 2 maart 2016 om 00:05 uur
tags: ,

Achttien jaar na zijn dood vond actrice Wynn Heliczer bij stom toeval een geluidsopname van haar vader die gedichten voordroeg. Piero Heliczer (1937-1993) was een avantgardistische underground kunstenaar – dichter, filmmaker, organisator – die in het New York van de jaren zestig rondhing in The Factory van Andy Warhol. Maar voor Wynn was hij een afwezige, onverantwoordelijke vader. Ze maakte een theatervoorstelling over hem, The Missing Beat. “Met zijn dood is mij een slechte vader ontnomen en ik heb er een geweldige vader voor teruggekregen.”

Tien kilo ansichtkaartjes, dat is het voornaamste wat ze nog van hem heeft. In een Amsterdams café vertelt ze: “Dat was voor mij het belangrijkste dat veranderde toen stierf: er kwamen geen kaarten meer. Die kaartjes waren voor mij de belichaming van hem, de bevestiging dat hij wel bestond. Er kwamen er meerdere per week. De meeste waren een soort sms-berichten, maar het was ook vaak heel romantisch. Een kaartje schrijven vereist toch aandacht.”

Piero Heliczer werd geboren in het Rome van Mussolini. Zijn Duits-joodse vader werd tegen het eind van de oorlog vermoord door de Gestapo en zijn moeder vluchtte met Piero naar de VS. Hij studeert aan Harvard en keert eind jaren vijftig terug naar Europa, eerst Parijs, dan Londen, waar hij poëzie schrijft, experimentele films maakt en terecht komt in een groep kunstenaars die later zouden gaan horen bij de Beat Poets rondom Allen Ginsberg en bij The Factory van Andy Warhol. Terug in New York organiseert hij underground kunstavonden, waar onder andere een bandje optreedt dat later beroemd zal worden als de Velvet Underground.

Voor Wynn is dit allemaal oergeschiedenis die zich afspeelt ver voor haar geboorte en die pas gaat leven als ze zijn voordracht hoort op die oude opname. “Ik had zijn stem nooit op deze manier gehoord. In mijn jeugd was het een oudere man die een paar tanden miste en sliste. Ik realiseerde me dat hij bij deze opname zo oud was als ik was toen ik hem hoorde. Er zat een soort intensiteit en urgentie in zijn stem. En ik vroeg me af: wie is die man?”

Wynn heeft een aantal halfbroers en –zussen. “Hij heeft veel vrouwen gehad en wilde met hen een nieuw ras beginnen. In de Tweede Wereldoorlog mocht zijn ras niet bestaan en waarschijnlijk was dit een soort wraak. En het was ook een innemende, magnetische man. Ik snap wel dat mijn moeder in zijn ban was. Zij is supersterk; ze komt uit Kudelstaart, en heeft een mentaliteit van heel hard werken en zorgen.”

Na de toneelschool in Utrecht werkte Wynn vooral als actrice in films en televisieseries en treedt ze op als zangeres. Maar ze wist al snel dat ze met dit verhaal het theater in moest. Drie jaar geleden maakte ze op het Fringe Festival een eerste versie van de voorstelling The Missing Beat, waarin ze het leven van haar vader en haar relatie tot hem op het toneel zet, samen met muzikant Arend Niks. Ze bleef werken om het verhaal verder uit te werken en engageerde Ko van den Bosch als tekstschrijver en Daria Bukvić als regisseur. “Ik had iemand nodig om mijn vaders perspectief goed weer te geven. Ko weet enorm veel van kunstgeschiedenis en heeft zelf ook die mentaliteit van alles voor de kunst. En Daria is een goede vriendin geworden. Zij was tegelijk bezig met haar voorstelling Nobody Home over haar eigen vluchtverhaal en herkende veel in het verhaal van mijn vader.

Uiteindelijk gaat The Missing Beat ook over hoe haar kunstenaarschap zich verhoudt tot het zijne. “Mijn vader leefde echt voor de kunst en verwaarloosde al het andere, ook zijn kinderen. Ik ben een vrouw, ik leef in een andere tijd. Ik voel me heel erg on-ambitieus als ik zeg dat ik ook heel gelukkig zal worden van een kind opvoeden. Ik denk dat ik altijd dingen moet blijven maken, maar niet ten koste van alles. In die zin voel ik me een hybride tussen mijn vader en mijn moeder.”

“Door de voorstelling ben ik me ook heel erg gaan afvragen wat voor soort kunstenaar ik ben. Ik ben zangeres, actrice en door dit toeval per ongeluk maker geworden. Vorige maand organiseerde ik een avond over Piero Heliczer in het Eye, waar een aantal van zijn films werd getoond en de originele screentest die hij voor Andy Warhol heeft gedaan. Ik had die nog nooit gezien en dat was zo gaaf! Hij doet niet veel meer dan met z’n peuken spelen en recht in de camera kijken, maar als hij lacht moet de hele zaal meelachen.”

“Ik zie meer voorstellingen en films die terugblikken op de jaren zestig. Ik hoor tot een generatie die de waarde onderzoekt van wat kunstenaars toen deden. Dat wil ik nu delen.”

The Missing Beat speelt 19 en 20 februari in Bellevue.
www.themissingbeatproject.com

 

Recensie ‘El Camino’ van Bellevue Lunchtheater

Ze hebben Bellevue wel héél erg overhoop gehaald. De vormgeving (van Ruben Wijnstok) van de lunchpauzevoorstelling El Camino valt in ieder geval op: heel de zaal is met grove kwast witgeschilderd en voorzien van een half af systeemplafond. De ladders en plastic lappen maken het beeld van een bouwplaats compleet. Het publiek zit verspreid over de ruimte op bankjes en vensterbanken.

Ook de twee mensen die hier rondscharrelen zijn in renovatie. Zij is een politica (wethouder? minister?) die na een auto-ongeluk ook mentaal in de kreukels ligt en hij is museumdirecteur met een onverwerkt verleden. Ze zijn oude vrienden met een gezamenlijk project: het peperdure, wegens geldgebrek onafgebouwde prestigemuseum waar we ons nu bevinden.

De voorstelling is een lichtvoetig wroeten in het verleden, uitgespeeld in spitsvondige dialogen van ontwikkelde mensen onder elkaar. “Wat zie jij er akelig goed uit. Ik dacht, die heeft ergens in dat museum van ‘m een monsterlijk zelfportret hangen.” Inspiratie lijkt te liggen bij zowel Woody Allen als Eric de Vroedt.

El Camino is een behoorlijk goede tekst van de jonge schrijver Koen Caris, die wordt opgetild door een erg fijn stel acteurs: Jacqueline Blom pittig als tegen beter weten in kordate vrouw en Hajo Bruins op dreef als gladjanus met een piepklein hartje. Nina Spijkers regisseerde de boel op vaart en humor, maar de personages zijn zo goed getroffen dat ook hun melancholieke kant voelbaar wordt.

Al die theatrale souplesse verhult slim dat Caris nogal veel onderwerpen aanstipt voor een voorstelling van drie kwartier. Het gaat over adolescentenvriendschap, de ambiguïteit van herinnering, driehoeksverhoudingen met daarachter nog een politieke laag over de vermenging van openbaar bestuur, bedrijfsleven en kunst.

Vaardig is het allemaal wel, en daardoor is El Camino een geslaagde lunchvoorstelling. En een die nieuwsgierig maakt naar omvangrijker werk van Caris.

El Camino van Bellevue Lunchtheater. Gezien 13/2/16 in Bellevue. Aldaar t/m 5/3. Meer info op www.theaterbellevue.nl

Recensie ‘De Kersentuin’ van NTGent

“Als die kersentuin verkocht moet worden, verkoop mij er dan maar bij,” roept Ljoebov uiteindelijk in totale frustratie uit. Ljoebov (Elsie de Brauw) is eigenares van een landgoed waar haar familie al generaties woont, maar de schulden zijn te hoog opgelopen en het wordt geveild, inclusief de beroemde kersentuin op het terrein.

Johan Simons keerde vanuit München terug als artistiek leider van de Vlaamse toneelgroep NTGent, en in zijn eerste voorstelling daar presenteert hij zijn nieuwe ensemble en zet hij programmatische lijnen uit. Hij maakt van Tsjechovs meesterwerk een bokkige, politieke voorstelling, een vrij harde breuk met de gevoelige manier waarop het stuk hier vaak wordt opgevoerd.

Al voor het verkocht wordt is het huis ontzield. Het decor (Muriel Gerstner) plaatst de acteurs in een hele ondiepe kijkdoos. Tussen een achterwand van losse schotten en vastgeplakte papieren en de rand hebben de acteurs heel weinig bewegingsruimte.

De Kersentuin is een buitengewoon modern stuk: de personages babbelen, maar niemand luistert naar elkaar; geen zin volgt logisch op de voorafgaande. Simons brengt de situaties steeds terug tot duetten, die consistent wonderschoon zijn. Lopachin is een rijk geworden boer, meesterlijk getroffen door Pierre Bokma. Ljoebov en hij praten over trouwen, hij denkt met haar, maar zij heeft het over haar dochter. Hoe Bokma leegloopt en zich tegelijk groot houdt, hoe De Brauw doet alsof ze niets door heeft; het is een loepzuivere miniatuur.

Nog mooier is de scène tussen Bokma en Benny Claessens die de eeuwige student Trofimov speelt. Claessens was een van de sterren van Simons’ ensemble in München en keert nu met hem terug. Hij is een eigenwijze, weirde, fascinerende acteur; nu eens ingeleefd, dan weer demonstratief, dan weer met veel sarcastisch commentaar spelend. Samen met Bokma ontstaat er een fantastische scène met lummelige bewegingen en nukkige stiltes, waarin de contrasten tussen beiden duidelijk zichtbaar mogen worden.

Want bij Simons gaat het in deze voorstelling om de wereldvisie van de personages. Lopachin is een selfmade man, met geen grotere fantasie dan het het landgoed te kopen waar zijn vader nog slaaf was. Trofimov denkt vrijer, maar abstracter. Het mooie van deze Kersentuin is dat die wereldvisie doorsijpelt in de speelstijl. Bokma is een acteur die zichzelf beperkingen oplegt en daarbinnen steeds weer enorme mogelijkheden vindt. Claessens is vrijer en onnavolgbaarder. Met Bokma’s Lopachin kun je meeleven, Trofimov blijft doelbewust een construct.

Met De Brauw, Bokma en Claessens heeft Simons al drie attracties op het toneel, en de overige rollen zijn ook erg goed. Van dit ensemble, met onder meer nog Alejandra Theus (als knap romantisch wicht), Oscar Van Rompay, Els Dottermans en Lien Wildemeersch gaan we nog heel veel lol beleven.

De Kersentuin van NTGent. Gezien 22/12 in de Stadsschouwburg. Aldaar 23/12, tournee. Meer info op www.ntgent.be

Volgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2016 Simber | powered by WordPress with Barecity