Voor Bussemaker is alle kunst design

meningen,Parool — simber op 26 juli 2014 om 10:00 uur
tags: ,

Na een paar toespraken en interviews begon het op te vallen: minister Jet Bussemaker van cultuur heeft het wel heel erg vaak over ontwerpers. Jan Taminiau, Daan Roosengaarde, Rem Koolhaas zijn de kunstenaars die ze het meest noemt. Deze week stuurde ze haar beleidsbrief Cultuur verbindt: een ruime blik op cultuurbeleid naar de Tweede Kamer en blijkt dat in haar idee kunst net zoiets is als design: een instrument om problemen op te lossen.

Bussemaker trekt 1,7 miljoen uit voor projecten die cultuur verbinden met welzijn, zorg, sport en onderwijs. Bovendien gaat ze onderzoeken “hoe gemeenten cultuur in kunnen zetten bij de uitvoering van de nieuwe zorgtaken” (die ze krijgen toegewezen bij de decentralisatie van de AWBZ). In de brief geeft ze talloze voorbeelden van projecten die de gunstige invloed van de kunst aanwenden voor maatschappelijke doelen. Als klap op de vuurpijl wil ze meer onderzoek zodat de cultuursector wetenschappelijk kan onderbouwen wat werkt en wat niet.

Waar te beginnen om deze kluwen aan misplaatste ideeën te ontwarren?

Om te beginnen toont Bussemaker de typische PvdA-reflex om door middel van beleid kunst in te zetten voor andere doelen. Het is niet voldoende als er met kunstsubsidies kunst wordt gemaakt – nee, kunst moet helpen de leefomgeving te verbeteren, het welzijn te vergroten, jongeren of ouderen te ontwikkelen, etcetera. Daarbij doet ze net alsof een universele menselijke eigenschap als creativiteit het monopolie is van de cultuursector.

Het punt is: kunst is economisch en maatschappelijk van groot belang, maar dat is allemaal gelukkige bijvangst en niet het hoofddoel. De kunst vindt plaats ergens tussen het kunstwerk en de toeschouwer. Voor de een is het gezellig entertainment, voor de ander een diepe, levensveranderende ervaring, voor een derde een bevestiging van zijn of haar status. En het kan heel goed dat deze drie op dezelfde rij in het theater zitten of in dezelfde museumzaal rondlopen. In het individu krijgt kunst betekenis, en dat willen sturen in grote maatschappelijke bewegingen verkleint de reikwijdte van het kunstwerk. Dat is zonde.

Ten tweede zie je in de voorbeelden die Bussemaker geeft al talloze kunstenaars aan het werk die uit artistieke, commerciële of persoonlijke overwegingen samenwerking zoeken met andere maatschappelijke organisaties, van theatermaker Adelheid Roosen tot gamebedrijf IJsfontijn. Extra middelen vanuit de kunst zijn dus niet nodig. Sterker nog: juist vanuit de budgetten voor zorg en welzijn zou geld moeten worden vrijgemaakt. Dan kunnen ziekenhuizen of woningcorporaties diensten van kunstenaars inkopen als ze die nodig hebben. Dat houdt de onderlinge verhoudingen in ieder geval gelijkwaardig.

De cultuurgelden die nu worden toegekend aan dit soort initiatieven zullen ongetwijfeld terecht komen bij de netwerkorganisaties, artistieke aanjagers, ideeënmakelaars en cultuurbemiddelaars die nu als paddestoelen uit de grond schieten om de partners uit kunst, welzijn, zorg, sport, wetenschap, onderwijs en bedrijfsleven moeizaam bij elkaar te brengen.

De rijksoverheid heeft zich met de cultuurbezuinigingen hardhandig teruggetrokken uit het cultuurveld. Dat kun je goed of slecht vinden, maar minder geld moet ook minder sturing betekenen. Weg met de bedilzucht, laat kunstenaars zelf beslissen of ze willen bijdragen aan de zorg.

Een jaar of tien heeft de kunstsector gezucht onder het juk van het economische denken. Cultuurinstellingen probeerden –met het werk van de Amerikaanse econoom Richard Florida in de hand– te bewijzen dat kunstsubsidies hartstikke rendabel zijn. Nu moeten ze gaan aantonen dat kunst mensen gezonder, slimmer en gelukkiger maakt en wordt Alain de Botton de nieuwe goeroe: Art as therapy. Voor een light filosoof is dat prima, maar van een minister van cultuur verwacht ik dat ze beseft dat kunst meer is dan design. Dus graag binnenkort een net zo lange brief over de intrinsieke waarde van cultuur.

Recensie: ‘De laatste zomer’ van Het Amsterdamse Bostheater

“Een meisje dat al verloofd is, mag zo niet denken”, zegt het meisje smachtend tegen de jongen met wie ze nadrukkelijk niet verloofd is. “Integendeel, een meisje dat al verloofd is moet juist zo denken. Voor het te laat is,” antwoordt hij. Moderne opvattingen over de liefde, in een wereld waar geld, belang en status vaak net wat belangrijker is.

De Venetiaanse toneelschrijver Carlo Goldoni werd in de 18e eeuw beroemd met zijn middenklasse zedenkomedies; verfijnde stukken waarin de bourgeois hang naar bezit en status ferm op de hak werd genomen. In Nederland is zijn bekendste waarschijnlijk Trilogie van het Zomerverblijf – een paar jaar geleden door Toneelgroep Amsterdam nog gespeeld onder de titel Zomertrilogie, met Karina Smulders in een memorabele hoofdrol.

In het Amsterdamse Bos is deze zomer een stevige bewerking te zien, De laatste zomer. Vertaler Erik Bindervoet en regisseur Frances Sanders laten het verhaal de goedgebekte huwbare dochter Giacinta (Anne Lamsvelt) en haar jaloers aangelegde verloofde Leonardo (Jonas Leemans) grotendeels intact, maar stroomlijnt de vele plotlijntjes en personages die met de twee families en aanhangend volk op de jaarlijkse vakantie gaan naar Montenero.

Het eerste deel is een vrolijk gaan-ze-of-gaan-ze-niet, met een mooi gesjouw van ontelbare koffers. De setting is tijdloos, maar de spitse actuele grapjes en het geestige gebruik van vrij ambtelijke taal met veel dubbeloppe herhalingen van Bindervoet houden de band met hier en nu in stand.

Na een kletterende valpartij van stoelen uit het drie verdiepingendecor –waarin de blik kan verdwalen langs gokmachines, Egyptische obelisken, een paardenwaterval en onbestemde geometrische vormen– zijn we in Montenero en worden de geld- en liefdesproblemen allengs nijpender, tot de reddende en romantische finale.

De vele personages worden gespeeld door zeven acteurs, waarbij vooral Jorrit Ruijs opvalt, die bediende, love interest, oude geile weduwe en gokkoning in cowboypak speelt en die geheel eigen komische afwijkingen meegeeft. Ook Yara Alink en Sander Plukaard hebben die toneelspelersbluf die nodig is voor deze vederlichte vorm van komediespelen uitstekend onder de knie.

Het is jammer dat de verbale kant –het pingpongen van eloquente grapjes, dat de komedie naar een hoger plan kan tillen– nog niet op hetzelfde niveau is. Dat wordt gedurende de speelperiode vast beter, maar de muziek helpt niet. De liedjes die Alberto Klein Goldewijk speelt –popliedjes en Italiaanse klassiekers als Volare– zijn te sloom en halen het tempo uit de voorstelling. Alleen aan het eind als Lamsvelt even mag uitpakken met een dramatisch lied is dat gewicht op z’n plaats.

De laatste zomer gaat ook over de regisseur. Na dertig jaar bij het Amsterdamse Bostheater en 25 regies neemt Frances Sanders afscheid. Ze werd aan het eind door haar opvolger Ingejan Ligthart Schenk en door vele medewerkers, sponsors en partners letterlijk bedolven onder de bloemen. Sanders blijft betrokken bij het Bos als begeleider voor jong talent. Voor haar geldt dus net als voor de personages: “De volgende zomer zijn we weer terug in Montenero!”

De laatste zomer van Het Amsterdamse Bostheater. Gezien 17/7/14. Nog te zien in het Bos t/m 6/9. Meer info op www.bostheater.nl

Recensie: Over het IJ festival

Parool,recensies — simber op 14 juli 2014 om 10:00 uur
tags: , , , , ,

De leukste plek om te hangen op het festivalterrein van Over het IJ is bij de schommels. Caecilia Thunnissen en Jan Boiten koppelden 16 schommels aan wat electronica en een luidspreker en wie schommelt maakt een geluid: de toon van een stem of een korte melodie op een instrument. Als je met meerdere mensen wiegt ontstaat een compositie. Slim, mooi, leuk om te doen en om naar te kijken en luisteren.

Het is een vrolijke belevenis op een verder nogal mat festival. Artistiek leider Lode van Piggelen nam vorig jaar afscheid en de nieuwe directeur, Maaike van Langen, werd zwanger en mist nu haar eerste editie. Over het IJ beleeft daardoor een tussenjaar, waardoor de slijtageplekken aan de formule ineens in het oog springen.

Het festival ontbeert dit jaar een blikvangende, grootschalige productie, zoals eerder van De Warme Winkel of FC Bergman. Veel voorstellingen in de grote oude scheepshallen en op andere locaties in Noord stonden al eerder in de stad, zoals de goed ontvangen hangplekkunstkomedie Aso van Bonte Hond of het ontregelende theaterspel Rule van Emke Idema, of op Oerol, zoals onder meer het erg leuke Schotlandvan De Nieuwkomers van Orkater of Een geschenk uit de hemel van Berg & Bos.

Het probleem wordt vooral zichtbaar bij een voorstelling als Tuindorp Variaties, die het festival zelf produceerde in samenwerking met het Grachtenfestival. Twee uur loop je door het schattige Tuindorp Oostzaan met een iPad die aan de hand van je locatie steeds nieuwe laat horen. Onderweg zijn een paar kleine voorstellingen – steeds samenwerkingen tussen jonge muzikanten en theatermakers.

Die zijn hoogstens aardig, maar het probleem is dat geen van de makers zich er rekenschap van geeft dat deze wijk geen decor is, maar een plek waar mensen wonen, werken en leven. Als een autist loop je met je koptelefoon door de schitterend oranje versierde buurt, je afvragend hoe maf je er voor de bewoners uit moet zien.

Wel helemaal op z’n plek is De onzichtbare man van Michiel Voet. Voet is beeldend kunstenaar en theatervormgever die al jaren atelier houdt in de NDSM-hallen. Daar leerde hij Karim Ramtani kennen, een illegale Algerijn, met wie hij thee drinkt en wiens verhalen hij aanhoort. Ramtani wordt Voets muze: Voet maakt foto’s waarin hij, steeds onherkenbaar, geportretteerd wordt; onder een matrashoes, opgevouwen in een veldbed, in een kastje gepropt.

Het project De onzichtbare man is tegelijk een boek, een tentoonstelling van de foto’s en een voorstelling (onder de vlag van Orkater), waarin Voet eerst zelf de omstandigheden uitlegt, waarna Ramtani het zelf overneemt (maar is het hem echt?) en alle lagen van het verhaal zorgvuldig afpelt en dubieus maakt. Een spannende en verwarrende voorstelling over de onbetrouwbaarheid van verhalen, over acteren en maskers en over de onzichtbare wereld van de illegaliteit.

Ook erg leuk is One hot minute van de theaterband Touki Delphine, een voorstelling die drijft op één gimmick: een lopende band die continu van rechts naar links beweegt en steeds ongeveer een minuut lang planten, meubels, muziekinstrumenten, naakte en musicerende mannen en een tierende ghetto blaster voorbij laat komen. Het lijkt te gaan over vooruitgang en technologie en dat de mens daar niet bijster veel mee op lijkt te schieten, maar het is open en vrolijk en vrij (alhoewel veel te lang) en je mag grotendeels zelf weten wat je er in ziet.

Over het IJ was een pionierend festival dat in ruim twintig jaar haar locatie heeft zien veranderen van industriële ruïne tot levendig, hip en horecarijk stukje stad. Maar nog steeds wordt je als toeschouwer aangesproken als wegbereider. Tijd voor een nieuwe koers.

Over het IJ Festival. Gezien 3 en 4/7. Nog t/m 13/7 op het NDSM terrein in Noord. Meer info op www.overhetij.nl

 

Recensie: ‘Naar Moskou…!’ van ’t Woud Ensemble

Onder de monumentale eiken op de binnenplaats van museum de Hermitage is een romantisch hoekje gemaakt. Tapijtjes, rieten stoelen, een gitaar en een koffergrammofoon. Aan een van de takken hangt een schommel. Een mooie plek om iedere ambitie te laten varen.

’t Woud Ensemble is een klein theatergroepje dat iedere zomer met één voorstelling –meestal gebaseerd op Russische klassiekers- langs bijzondere locaties trekt. Dit jaar spelen ze een sterk afgeslankte versie van Tsjechov’s Drie zusters, waarbij slechts één zus overbleef, de oude vrijster Olga (de ravissante Margien van Doesen), samen met haar broer (Olaf Malmberg) de enige ontwikkelde persoon in een tamelijk achterlijke provinciestad.

De bewerking (van Mart-Jan Zegers) legt de nadruk op de iets oudere personages en dat leidt tot een bedaarde voorstelling over gefnuikte ambities en berusting in middelmatigheid. De personages filosoferen over of ze wel echt bestaan, worden hopeloos verliefd, ruzieën, laten zich beknotten.

Er is wel wat aan te merken op de voorstelling –hij is zeker tegen het eind te traag en in het acteren te weinig dynamisch– maar de melancholieke, landerige sfeer wordt aardig neergezet, met minimale middelen ziet het er goed uit, en er wordt mooi gezongen.

Bovendien lijkt het ook een heel persoonlijke voorstelling; die vier acteurs zijn de fase jong & aanstormend ruimschoots voorbij en hebben ongetwijfeld hun eigen dromen en ambities moeten bijstellen. Daar zit de ontroering in een verder vooral charmante voorstelling.

Naar Moskou…! van ’t Woud Ensemble. Gezien 27/6/14 in De Hermitage. Nog te zien in Amsterdam (Het rijk van de keizer) 20/7, tournee. Meer info op www.woudensemble.nl

Nieuwe toneelstukken gelezen op het ITS

De oudere vrouw heeft een tas vol merkwaardige prullen, de jongere een telefoonboek vol exen. Bij de drie nieuwe toneelteksten die gisteren werden voorgelezen op het Internationaal Theaterschoolfestival (ITS) vallen vooral de vrouwenrollen op. De stukken, van afgestudeerde toneelschrijvers van de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, werden voor de gelegenheid gespeeld door bekende acteurs als Sylvia Poorta, Kees Hulst en Gijs Naber.

Poorta speelt de oudere vrouw, een personage van Eva Jansen Manenschijn uit haar stuk On all fours. In een beeldende monoloog vertelt ze over het haar leven, de incestueuze verhouding met haar broer en over een doodgeboren kalfje dat ze als kind ter wereld zag komen. De broer is dood en langzaam kom je erachter dat ze in het mortuarium is om hem te identificeren. Regisseur Eric de Vroedt maakte er een mini-voorstelling van, met muziek en een ‘lijk’ onder een laken achter op het toneel.

Bovendien interpreteerde hij de schuingedrukte tekst in het stuk als afkomstig van de overleden broer, gespeeld door Kees Hulst. “Dat is een mooie keuze”, zegt Jansen Manenschijn, “Voor kan het ook wel haar eigen stem zijn, een soort dwangmatige gedachte. De Vroedt is enthousiast over het stuk: “Toen ik het voor het eerst las wist ik niet zo goed wat ik ermee aanmoest, maar zodra Sylvia het ging spelen ging het leven. Het is een tekst met een geheim.”

Eerder op de dag pakte regisseur Casper Vandeputte het een stuk soberder aan. Ook Alle plaatsen waar ik naartoe wil bestaan niet van Helena Hoogenkamp is een monoloog voor een vrouw, maar Hoogenkamps personage is een zoekende, melancholische twintiger, die systematisch haar leven analyseert, compleet met methodologie, conclusies en suggesties voor nader onderzoek.

Alle plaatsen… is een stuk waarmee een actrice goed kan uitpakken en Naomi Velissariou maakt van het overdreven lange middenstuk, een serie mislukkende telefoongesprekken met steeds verder verwijderde vrienden en exen een prachtige, wanhopige, hilarische en genante scène. Nog eerder werd de tekst In de schaduw van de grote vogels van Levi Olthof gelezen.

De serie lezingen werd voor het ITS georganiseerd door De Tekstsmederij, een jong bureau dat de belangen van jonge toneelschrijvers behartigt. Oprichters Timen Jan Veenstra en Malou de Roy van Zuydewijn (zelf ook toneelschrijvers) benadrukken dat het voor het eerst is dat op het ITS –waar voorstellingen te zien zijn van afstuderende acteurs, regisseurs, dansers en choreografen– volledige teksten van afstuderende schrijvers worden uitgevoerd. “Er zijn altijd wel lezingen van fragmenten, maar die zijn laat op de avond en dan raakt het makkelijk verloren in de veelheid van het festival”, zegt Veenstra.

Tijd dus voor een andere aanpak: lezingen door topacteurs, begeleid door regisseurs van de grote toneelgezelschappen. “De gezelschappen waren meteen enthousiast”, vertelt De Roy van Zuydewijn, “En dat is belangrijk want we willen graag dat die groepen de verantwoordelijkheid nemen voor de ontwikkeling van getalenteerde toneelschrijvers. En jongere regisseurs blijken enorm geïnteresseerd te zijn in samenwerking met schrijvers.”

Een van de gezelschappen die deze missie zeer serieus neemt is het Ro Theater. Sinds een paar jaar speelt het Rotterdamse gezelschap alleen nog maar nieuwe toneelteksten (Nederlands en internationaal) en in het eigen theater houden een paar jonge schrijvers kantoor. “Er zijn geen verplichtingen, maar het is handig en leuk”, vertelt Saskia Heerkens van het Ro, “Vorige week had Simon Weeda een nieuwe versie van een stuk af en waren er twee acteurs bij de hand die dat even konden voorlezen.”

De drie gelezen teksten van gisteren zijn meteen ook genomineerd voor de ITS Ro Theater Award die vanavond wordt uitgereikt. Aan die prijs is vierduizend euro verbonden, die de schrijver kan gebruiken voor de ontwikkeling van een nieuwe tekst die door de acteurs van het Ro aan het publiek wordt gepresenteerd.

Voor de schrijvers zelf waren de lezingen bijzonder, maar ook verwarrend. Nog niet eerder hoorden ze hun teksten volledig gespeeld, zeker niet door zulke acteurs. “Je kent iedere komma van de tekst,” zegt Jansen Manenschijn, “dus het is moeilijk om niet afgeleid te raken door je eigen bijgedachten die zich opdringen en er onbevangen naar te luisteren.

Na hun afstuderen kunnen deze nieuwe schrijvers zich aanmelden bij De Tekstsmederij, die zich voornamelijk richt op het koppelen van toneelschrijvers aan nieuwe regisseurs. Bij Theater Bellevue kunnen gezamenlijke initiatieven van zo’n koppel leiden tot een nieuwe lunchpauzevoorstelling. Veenstra: “Als schrijvers en regisseurs vanaf het eerste begin van een project samenwerken leren ze dezelfde taal spreken.”

Meer info op www.itsfestivalamsterdam.com en www.tekstsmederij.nl

Recensie: Thyestes van Simon Stone/Belvoir Sydney (HF)

Parool,recensies — simber op 1 juli 2014 om 10:00 uur
tags: , , , , ,

En dan pakt hij ineens een pistool uit z’n zak. Het is het eerste moment van brille in de voorstelling Thyestes van de Autralische regisseur Simon Stone. Daarvoor zaten drie doodnormale jongens te keuvelen over seks, twitter en tripjes naar Guatemala, glaasje wijn in de hand, vrolijk ontspannen. Misschien had je toch moeten opletten toen de lichtkrant vantevoren meldde dat scène 1 ging over de moord van twee broers op hun halfbroer.

Stone maakte een drastisch moderne bewerking van het stuk Thyestes van Seneca over het bloederige verhaal van de koning die zijn broer diens kinderen afslachtte en als maaltijd opdiende. Het is een horror grungerock voorstelling: het volstrekt alledaagse staat hard in contrast met de heftigste gruwelijkheden.

Steeds geeft de lichtkrant de mythologische informatie en steeds lijkt de ontspannen gespeelde handeling daarmee in tegenspraak, maar steeds klopt het.

Het decor is een witte doos, met aan twee kanten publiek. Tussen de scènes zakt het doek en worden op magische, volstrekt onzichtbare wijze steeds nieuwe decorstukken –pingpongtafel, rolstoel, concertvleugel, dinertafel– geproduceerd.

De voorstelling drijft op dit soort vermakelijke bluf. Iedere scène wordt het geweld, de perversie en de (homo)erotiek weer een tandje hoger geschakeld. Erg goed is de truc die wordt halverwege wordt ingezet: de laatste zes scènes worden overgeslagen en vanaf scène twaalf wordt wellustig teruggeteld naar het huiveringwekkende hoogtepunt.

Toby Schmitz is geweldig als Atreus, beginnend als de exentrieke, intense vriend, maar gaandeweg zijn gekte (en liefde voor voorbinddildo’s) onthullend. Thyestes weet op een uiterst knappe manier het banale aan het groteske te koppelen en dat maakt zeer nieuwsgierig naar Stone’s gastregie bij Toneelgroep Amsterdam dit najaar.

Holland Festival: Thyestes van Simon Stone/Belvoir Sydney. Gezien 23/6/14 in Bellevue. Aldaar t/m 27/6. Meer info op www.hollandfestival.nl

Recensie: ‘Gavrilo Princip’ van De Warme Winkel (HF)

De lijst met bedankjes is lang en hij moet helemaal worden voorgelezen. Theatermakers van Diederik van Vleuten tot Hans-Werner Kroesinger en van Stephen Sondheim tot Herman van Veen gaven De Warme Winkel inspiratie met hun werken over Gavrilo Princip, de moordenaar van de Oostenrijkse kroonprins en daarmee de aanstichter van de Eerste Wereldoorlog. De boodschap is duidelijk: in dit herdenkingsjaar worden we overspoeld met kunstwerken die herinneren en waarschuwen. Maar wat heeft dat eigenlijk voor zin?

De sullig voorgelezen bedankjes en het daarna tergend terugtellen van 2014 naar 1914 opent de voorstelling Gavrilo Princip die De Warme Winkel (DWW) maakte in het kader van het Holland Festival. Dat gaf de groep –de spannendste en consistent meest interessante van Nederland– de kans om groots uit te pakken met veel techniek, video en een prachtige soundtrack (van Remco de Jong en Florentijn Boddendijk).

Het grootste deel van de voorstelling bestaat uit een film, die live geschoten wordt met steadicam in een uitgebreide serie decors waarvan je achter het filmdoek alleen de achterkanten ziet. We zien flarden van het levensverhaal van de arme boerenzoon Princip, die opgroeit in Bosnië en gegrepen wordt door het anarchisme en Servisch nationalisme. Maar ook de andere kant wordt getoond: het rijke, walsende leven van de Oostenrijkse adel. Het enige dat de twee werelden verbindt is de liefde voor het biljartspel.

De beelden die DWW maakt zijn nauwelijks verhalend, maar beeldend en hallucinerend. Alle acteurs spelen, met een paar expressionistische streken zwartwitte schminck, de titelfiguur, zodat steeds duidelijk wordt dat dé Princip niet bestaat; er zijn alleen projecties. Met maquettes en biljartballen zo groot als skippyballen speelt de groep voortdurend met schaal.

Het is erg jammer dat de filmbeelden nogal rommelig zijn; niet alleen zijn ze vaak te donker en onscherp, het reduceert wat de spelers doen ook tot luidruchtig gebonk achter de schermen. Maar waarschijnlijk zijn dat technische problemen die nog worden opgelost en hoezeer je je eraan ergert is afhankelijk van hoe prikkelend je de ideeën van vindt die DWW hier opwerpt.

Wie goed oplet ziet dat alle in de inleiding genoemde voorstellingen later worden herhaald. Met het gehannes met maquettes en camera’s roept DWW onbedwingbaar associaties op met de theaterklassieker De Grote Oorlog van Hotel Modern en de losse speelstijl en de goed gekozen Hamlet-citaten leggen de verbinding met De laatste dagen der mensheid van ’t Barre Land. Het plaatst de voorstelling in een uitgesproken postmodern kader, maar het is ook functioneel: door voorstellingen en beelden in herinnering te roepen over de verschrikkingen van de loopgravenoorlog, kan DWW zich concentreren op waar het haar om gaat.

Want tegenover een eclectisch wereldbeeld plaatst de groep een tamelijk conservatief mensbeeld: kleine stervelingen die de gevolgen van hun daden niet kunnen overzien, met tegenstrijdige verlangens en basale driften verhuld door romantische idealen.

Het is niet nodig om Princip te herdenken, lijkt DWW hier te zeggen, hij is nog altijd onder ons. Je kunt hem zien in Volkert van der G. of in de polderjihadi’s die naar Syrië vertrekken. De voorstelling eindigt met een geplaybackt interview met een van die types. Mooie idealen over mensen helpen, maar op de achtergrond is een van z’n makkers geschminckt als The Joker. “Some men just want to watch the world burn.”

Holland Festival: Gavrilo Princip van De Warme Winkel. Gezien op locatie Van Gendthallen 20/6/14. Aldaar t/m 27/6. Tournee. Meer info op www.dewarmewinkel.nl

Interview Wouter van Ransbeek

interviews,Theatermaker — simber op 21 juni 2014 om 10:00 uur
tags: ,

Met zijn ervaring bij de Wiener Festwochen, Theater der Welt en Toneelgroep Amsterdam is Wouter van Ransbeek de ideale gesprekspartner voor een gedachtewisseling over het Nederlandse festivallandschap. En daarmee automatisch ook over talentontwikkeling. “In een festival kun je over de rand van het normale hangen en experimenteren.”

Het is een complexe tijd voor festivals, is de voorzichtige conclusie aan het eind van het gesprek. ‘Complex’ is een woord dat dan al vaak is opgedoken. Festivals hebben volgens Van Ransbeek te maken met een drietal grote trends: “Er is sprake van ‘MacFestivalisering’ – er is een enorm aantal festivals met grote onderlinge concurrentie, en veel bundelingen van voorstellingen heten alleen om marketingredenen festival; tegelijk is het belangrijkste profiel van veel festivals –de internationale programmering– deels overgenomen door de reguliere podia; en tenslotte is er er geldgebrek, waardoor er minder kan worden geprogrammeerd en er veel meer op korte termijn moet worden gewerkt.”

Van Ransbeek begon na een studie politicologie in Gent zijn carrière in 2001 als assistent van Gerard Mortier bij de Ruhrtriennale en werkte later mee aan de programmering van de Wiener Festwochen en Theater der Welt in Stuttgart. In 2006 werd hij door Ivo van Hove naar Toneelgroep Amsterdam gehaald om het internationale beleid van het gezelschap te ontwikkelen en om samen met Frascati en de Toneelschuur het talentontwikkelingsprogramma TA2 op te zetten.

Twee polen

“Eigenlijk zijn er maar een paar soorten festivals in de wereld”, begint Van Ransbeek. “Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden grote Europese Festivals als Wiener Festwochen, Edinburgh, Avignon en het Holland Festival. Daar gaat het om kunst met de grote K en om culturele uitwisseling: de nieuwe internationale tendensen in dans, muziek, opera en theater werden in het eigen culturele landschap geplaats en de eigen, nationale kunstenaars werden in een internationale context gepresenteerd. De meeste van die festivals functioneren nog steeds op dezelfde manier.”

“In de jaren ’80 en ’90 ontstond een nieuw soort festival: kleinschaliger, open, meer gericht op het lokale, de dialoog en op een nieuwe omgang met het publiek. Dat moest niet meer alleen passief de grote kunst bekijken, maar betrokken worden in de totaliteit van het festival. Dat zie je duidelijk bij bijvoorbeeld Oerol en De Parade. Dat ging samen met de ontwikkeling van experimentelere theatervormen en ervarings- en locatietheater. Ik denk dat het festivallandschap zich nog altijd tussen die twee polen beweegt. Slechts een paar festivals, zoals Wiener Festwochen, proberen beide te combineren.” Continue reading “Interview Wouter van Ransbeek” »

Boekrecensie: De koning kun je niet spelen van Boris van der Ham

boekrecensies,Theatermaker — simber op 20 juni 2014 om 10:00 uur
tags: ,

Voor veel mensen in de theaterwereld was hij toch altijd een beetje ‘ons’ Kamerlid. Boris van der Ham werd opgeleid aan de Toneelacademie Maastricht speelde onder meer bij De Appel en ZT Hollandia voordat hij definitief koos voor zijn andere grote liefde, de politiek. Tien jaar zat hij in de Tweede Kamer voor D66. In 2012 nam hij afscheid, en inmiddels is hij (onder andere) voorzitter van het Humanistisch Verbond.

Bovendien schreef hij het heel aardige en vlot geschreven boekje De koning kun je niet spelen, over de overeenkomsten tussen het toneel en het politieke bedrijf. Het is een helder en levendig pleidooi voor minder angst voor theater in de politiek en vooral voor béter theater in de politiek, maar ook een tikje oppervlakkig en daarbij gaat hij vaak uit van een wat ouderwetsig beeld van theater.

Aan de hand van een aantal toneelwetten geeft Van der Ham een aantal analogieën tussen toneel en politiek. Soms liggen die voor de hand – zowel een toneelspeler als een politicus moet beelden oproepen; ‘show, don’t tell’ – en soms zijn ze onnavolgbaar –‘het geweer van Tsjechov’ brengt hem op liegen en draaien. Maar meestal zijn ze origineel en overtuigend, zoals de vergelijking tussen politici als Berlusconi en Fortuyn die de boel ontregelen en zo iedereen van het toneel spelen, net als een hondje op het toneel, of de de titel die impliceert dat juist het gedrag van de mensen om hem heen de machthebber gezag geeft en leert je zo opnieuw kijken naar politiek leiders in de problemen.

Theater in de politiek heeft een slechte naam. Het staat voor alles wat onecht is: wrevel die wordt opgeblazen tot woede, standpunten die er alleen maar toe dienen om de media te paaien, de leugens en hypocrisie die nu eenmaal onvermijdelijk samengaan met compromissen smeden. Van der Ham probeert er een positief beeld over theater tegenover te stellen: juist het element van spel in politieke discussies zorgt voor de relatieve geweldloosheid van de democratie. Instemmend haalt hij Johan Huizinga aan, die stelt dat het spel ruimte geeft voor hoogoplopend conflict, maar dat het spel op een gegeven moment ook weer afgelopen is, zodat er weer ruimte is voor bezinning en toenadering.

Het is jammer dat Van der Ham zo weinig aandacht besteedt aan de dramatisering van de politiek door de media. De speelruimte waar Huizinga het over heeft is voor een groot deel overgenomen door het medialandschap, die de aloude en bewezen scenario’s uit de dramatische kunsten hanteert om conflicten te ensceneren. De “morsige evenwichtskunst van de politiek” waar Van der Ham een lans voor breekt – dossiers lezen, compromissen sluiten, de achterban spreken – is te saai voor televisie, maar belangrijker is dat die dramatisering geen ruimte laat voor de belangrijkste invloed op de politiek: toeval.

Ik ben juist zo benieuwd hoe Van der Ham, die altijd slim en authentiek overkomt in praatprogramma’s, die scenario’s uitbuit en waar nodig tegenwerkt.

Dat gemis is des te frappanter omdat juist in het huidige theaterseizoen (waar Van der Ham als TF-juryvoorzitter een selectie uit moet maken) zo veel makers zich bezig houden met de dramatisering van het leven, in voorstellingen als Hideous (wo)men, The truth about Kate en Crash test Ibsen.

En daar zit meteen ook het tweede minpuntje aan dit boek: Van der Ham’s blik op theater blijft beperkt tot repertoiretoneel. Bij het schetsen van de verschillen tussen theater en politiek zet hij herhaaldelijk het spreken van andermans teksten en het wekenlang oefenen in het theater tegenover het improviseren van eigen werk in de politiek. Wat zouden nieuwere vormen van theater te bieden hebben aan politici?

Wat heel erg leuk is aan het boekje is de bijbehorende website, waar Van der Ham bij de vele voorbeelden die hij beschrijft de bijbehorende filmpjes kan laten zien. Het is een rijke verzameling retorisch talent, van Reagan, Wiegel en Wim Kan tot Shakespeare, Leni Riefenstahl en House of Cards. Samen met de korte interviews met theaterpersoonlijkheden als Ellen Vogel, Theu Boermans, Jaap Spijkers en Caspar Vandeputte is het een prima crash course drama voor iedere politicus. Ik hoop op een vervolg voor gevorderden.

www.dekoningkunjenietspelen.nl

 

Recensie: ‘Die Schutzbefohlenen’ van Thalia Theater (HF)

Aan het begin van de voorstelling staat de teller op 25163, aan het eind op 25228. De grote lichtgevende cijfers domineren het decor van Die Schutzbefohlenen, de nieuwste tekst van nobelprijswinnares Elfriede Jelinek in regie van Nicolas Stemann. Ze staan symbool voor het aantal doden dat valt onder de vluchtelingen die vanuit Afrika Fort Europa in willen.

Geïnspireerd op Aeschylos’ Smekelingen schreef ze een tekst over asielzoekers, racisme, privilege, mensenrechten en humanisme. Ze baseerde zich deels op protestacties van asielzoekers in Wenen, Stemann voerde de tekst eerst op in de vluchtkerk van Hamburg.

Het is theater van hermetische lappen tekst, vaak unisono gezegd door meerdere acteurs, en krachtige beelden. Het is Stemanns kracht dat hij van Jelineks tekstlabyrinten vol woordspelingen en filosofische verwijzingen levendige happenings kan maken, en ook hier komen rock ballads, travestie en grappen over blackface voorbij.

De levendigheid wordt nog versterkt door een grote groep Nederlandse asielzoekers die meespeelt, en de contrasten worden flink aangezet. Als een van de Duitsers een prachtig Schubert-achtig lied zingt en hij wordt onderbroken door een vluchteling die een dak boven zijn hoofd nodig heeft, roept hij uit: “Ik kan jullie niet helpen, ik moet jullie toch spélen?”

Het is goed dat aan dit probleem niet voorbij wordt gegaan, maar in de Westergasfabriek zullen weinig aanwezigen tégen een humaner asielbeleid zijn. Na afloop collecteren de spelers voor de vluchtelingen, die vrijdag de oude gevangenis in de Havenstraat moeten verlaten.

De verhouding tussen kunst en deze problematiek is precair. Tien jaar geleden maakte regisseur Peter Sellars op het Holland Festival al Children of Herakles, ook met asielzoekers op het podium. Het ziet er niet naar uit dat toekomstige kunstenaars een gebrek zullen hebben aan vluchtelingen voor hun werk.

Holland Festival: Die Schutzbefohlenen van Thalia Theater. Gezien 10/6/14 in de Westergasfabriek. Aldaar t/m 12/6. Meer info op www.hollandfestival.nl

Volgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2014 Simber | powered by WordPress with Barecity