Recensie: ‘The City’ van De Veenfabriek

De acteurs komen gehaast binnen, alsof ze te laat zijn. Ze kleden zich snel om, doen een paar poses, trekken weer andere kleren van de rekken die links en rechts staan achter een doorzichtig gordijn over de hele breedte van het podium. Achter dat gordijn ook nog een lange tafel volgeladen met speelgoed en een andere tafel vol met plastic bloemen en planten. En een clavecimbel en wat electronische instrumenten van muzikant Ton van der Meer

Martin Crimp is misschien wel de meest Europese van de huidige Engelse toneelschrijvers. Verwacht van hem geen realistische well made plays, maar hoekige stukken waarin de werkelijkheid ontspoort. Crimp zag bij toeval een youtube filmpje van de voorstelling naar zijn stuk Haar leven, haar doden die de muziektheatergroep De Veenfabriek een paar jaar geleden maakte in de V&D in Leiden en was daarvan zo onder de indruk dat hij regisseur Paul Koek vroeg om The City te spelen.

Na het wilde begin lijkt het even een bekend verhaal te worden. Man en vrouw (Reinout Bussemaker en Yonina Spijker) met een burgelijk bestaan vertellen elkaar hun dagelijkse belevenissen. Hij maakt zich zorgen over zijn werk, zij had een merkwaardige ontmoeting met een schrijver uit een ver land. Maar gaandeweg krijg je meer en meer aandacht voor twee andere spelers, dubbelgangers of misschien geesten van de eersten, min of meer hetzelfde gekleed, maar jonger, die zonder tekst de handelingen lijken te becommentariëren. Ze worden gespeeld door jonge mimers. De pianomuziek van Van der Meer wordt doorkruist door snerpende, onheilspellende klanken.

De voorstelling gaat te lang door op dezelfde grondtoon van vervreemding, en wordt dan ruw opengebroken door Anneke Blok die als onwelkome buurvrouw klaagt over de kinderen en een gruwelijke monoloog begint over de vernietiging van een stad in een verre oorlog. Ook zij heeft een dubbelgangster, die met ontbloot bovenlijf een grote cactus omhelst. De heftige uitbarsting staat haaks op de eerdere afstandelijkheid, maar als daarna de sfeer niet verandert snak je naar meer van haar inbreng.

Toch zuigt de voorstelling zich vast in je onderbewustzijn. Vooral door de mooie rol van Spijker; lijzig, maar met een onderhuidse manie. En door de muziek die helemaal aan het eind de ‘echte’ mensen en hun dubbelgangers op een prachtige manier bij elkaar brengt.

The City van De Veenfabriek. Gezien 25/2/10 in Leiden. In Amsterdam (Frascati) 12-16/3. Tournee t/m 3/5 Meer info op www.veenfabriek.nl

Recensie: ‘BH’ van MC

Waarschijnlijk is Beperkt Houdbaar van Sunny Bergman uit 2007 de meest effectieve horrorfilm van de laatste jaren. Niet alleen toonde de Nederlandse documentairemaakster onsmakelijke beelden van schaamlipoperaties, maar ze onderwierp zichzelf aan de vernederende blik van moderedacteuren, fotobewerkers en plastisch chirurgen: de poortwachters van het vrouwelijk schoonheidsideaal. Schokkendst was de jonge zwarte dokter die Bergman tussen haar gespreide benen voorrekent wat ze allemaal nodig heeft aan vaginacorrecties. “You need the full works, dear.”

Het fragment is te  zien aan het begin van de voorstelling BH van het multiculturele productiehuis MC. Artistiek leider Marjorie Boston en schrijfster Mariëlle van Sauers maakten naar aanleiding van Bergman’s documentaire een voorstelling met zes vrouwen -van de jonge witte Marit van Bohemen tot de oude zwarte Jetty Mathurin- over schoonheid en het lichaam.

Dat lijkt een recept voor verbitterd gezeur, maar nee, het levert fris, onbeschaamd en opvallend teder theater op. En ook geestig; Mathurins commentaar op het filmfragment: “Die man is de wraak voor alle zwarte mannen die gelynchd werden omdat ze een witte vrouw ook maar aankeken. Hij smeert ze een Playboy-doos aan en gaat met z’n verdiende geld op de Bahama’s zitten om zich een cocktail te laten serveren door vrouwen met schaamlippen tot op hun knieën.”

De zes vrouwen bewegen zich in een lichte ruimte met wit meubilair, een ziekenhuisbed, een koelkast en een aantal televisies. Waarschijnlijk zijn het patiënten die moeten genezen van hun verstoorde vrouwbeeld. Ze zingen, dansen, nemen elkaar de maat –zelfs de mooie blonde televisiester Van Bohemen blijkt flubberende bovenarmen te hebben-, spreken een overlijdensbericht voor hun taille, paaldansen en hebben genante gesprekjes met het publiek over wat mensen aan zichzelf willen veranderen en waar ze zich allemaal scheren. De vrouwen hebben beige corrigerend ondergoed aan met daaronder crocs of Ugg sloffen en dragen geen make-up.

Toch blijft er balans tussen gene en waardigheid. Waar de jonge meiden nog paraderen met hun lichamen en de 52-jarige Bo Bojoh alles in het werk stelt om er jonger uit te zien –“ Als je ouder wordt, gewoon heel verbaasd kijken: 10 jaar eraf”- is de nuchtere en wijze Mathurin het hart vande voorstelling. Ze verteld over de kinderen die ze gebaard en gezoogd heeft en dat alle tekenen van verval haar dierbaar zijn. In een onvoorstelbaar delicaat moment voelt een jonge speelster aandacht aan haar vermoeide borsten om zich daarna tegen haar boezem te vleien.

Zo wordt BH een college in kijken naar normale vrouwen, dat en passant  duidelijk maakt dat het niet gaat om wat je kunt zien, maar wat je kunt voelen. En helemaal aan het eind, na het applaus nog, doet het hele gezelschap samen met de acteurs het Single ladies-dansje van Beyonce, van wie we leerden dat sexy zijn een kwestie is van attitude.

BH van MC. Gezien 4/3/10 in het MC Theater op het Westergasfabriekterrein. Aldaar t/m 8/3. Tournee t/m 28/5. Meer info op www.mconline.nl

Recensie: ‘La Grande Bouffe’ van TGA en NTG

En weer valt het decor uit de lucht. Regisseur Johan Simons liet het eerder gebeuren in Platform (een berg vuilnis) en in Drei Farben (een auto), dit keer is het een berg in plastic verpakt vlees dat met een klap op het toneel terecht komt.

La Grande Bouffe (‘de grote schranspartij’), de schandaalfilm uit 1973 van Marco Ferreri over vier gegoede mannen die zich letterlijk dood eten, wordt nu op het toneel gezet door Toneelgroep Amsterdam en NT Gent. Voor Johan Simons is het zijn laatste regie in de lage landen voordat hij in september uit België naar Duitsland vertrekt om daar artistiek leider te worden van de Münchner Kammerspiele. Hij laat Nederland achter met een strenge waarschuwing over de functie van kunst, verpakt als verziekte komedie.

Simons dient de zaak op als een reconstructie. De twee vrouwen die bij het bacchanaal een rol spelen, een onderwijzeres (Elsie de Brauw) en een prostituee (Chris Nietveld), zetten de mannen in als zetstukken bij hun terugblik, en de voorstelling begint als de lijken al onder plastic liggen. De vier – een piloot (Jacob Derwig), een televisiepersoonlijkheid (Steven van Watermeulen, grotesk hilarisch), een rechter (Aus Greidanus jr.) en een chefkok (Wim Opbrouck, opvallend ingehouden maar daardoor grimmiger) – verzamelen zich in het buitenhuis van een van hen, kopen de meest exquise ingrediënten en gaan eten tot ze erbij neervallen. Seks is broodnodig en zo komen de vrouwen in het spel. Psychologie of motivatie worden niet bijgeleverd.

Al vaker hekelde Simons in interviews de afzijdige houding van het Nederlandse theaterpubliek dat liever amusement ziet dan polemiek, en nu zullen we het krijgen ook. We krijgen wanstaltige neptieten voorgeschoteld, seks tussen de vleeshopen, eindeloze poep en pieshumor en een scène als een ware schetensymphonie. De acteurs blijven hard komedie spelen ook al is het halverwege duidelijk niet meer grappig. Net als in Instinct hanteert Simons een geëxalteerde speelstijl, tegen het schmieren aan, waar mindere acteurs genadeloos mee door de mand zouden vallen. Alle middelen worden ingezet, steeds door de vrouwen geprepareerd op de requisietentafel achterop het toneel, op dezelfde manier als de mannen steeds nieuwe gerechten uit de keuken binnenbrengen.

De voorstelling speelt in een nogal kaal decor, maar heeft een zogenaamd ‘beeldconcept’ van kunstcriticus en curator Anna Tilroe, dat voornamelijk bestaat uit projecties op de achtermuur van min of meer bekende kunstwerken uit de afgelopen eeuw, van Willem de Kooning tot Joep van Lieshout en van Mapplethorpe tot Dumas. Soms zijn de beelden erg illustratief: wordt de chefkok geïntroduceerd, zien we een stilleven met fruit; bij de piloot hoort een (overigens erg mooi) schilderij van een enkel vliegtuigraampje. Dan weer zijn het poëtische associaties of zorgen ze voor contrast, zoals de eindeloze reeks beelden van vrouwen die zich in hun geslacht laten kijken, die een uitgebreid gesprek over eten begeleid.

Sowieso bestaat de tekst voornamelijk uit beschrijvingen van en lofzangen op eten. Recepten en menu’s  worden met erotische wellust voorgedragen, als de kok ruikt aan een van de vele slipjes die de prostituee uittrekt is zijn eerste associatie citroenmerengue. Eten en seks hebben voor deze mannen van positie gewisseld. Ze zijn ook niet zo oud als in de film en minder viriel, bijna fatjes met hun sjaaltjes, hun hoedjes en hun vestjes waarvoor ze elkaar complimentjes geven.

Zo is de link met het consumptiehedonisme makkelijk gelegd. Maar juist de beeldcollage en de copieuze stijl geven aan dat het Simons om meer gaat, namelijk de waarde van kunst zelf. Wij laten ons kunst opdienen om te consumeren, en dat is net zo decadent als deze mannen die zich dood eten. En dat is een inzicht om nog lang op te kauwen.

La Grande Bouffe van Toneelgroep Amsterdam en NT Gent. Gezien 28/2 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 6/3 en 7 t/m 17/4. Tournee t/m 15/5. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘Tussen’ van Schweigman&

Parool, recensies — simber op 21 februari 2010 om 14:57 uur
tags: , , ,

Even staan we in het volle licht. Het volledige publiek op het podium van Frascati, stil en overdonderd. Dan worden we teruggeworpen in de eenzaamheid van de diepste duisternis, waarin je je niet kunt voorstellen dat je omringd bent door zoveel andere mensen.

Theatermaker Boukje Schweigman maakte naam met bijzonder voorstellingen op locatie, op basis van mime en beweging. Producties als Ruim, Dreef en Wiek vielen op door hun ongebruikelijke intimiteit en grote poëtische kracht. In de theaterzaal lukte het niet altijd om die bijzonder sfeer vast te houden, maar haar nieuwe, schitterende voorstelling Tussen slaagt daarin volledig.

Dat is vooral de verdienste van het magistrale lichtontwerp van Schweigman’s vaste samenwerkingspartner Theun Mosk. Wat hij weet te bereiken met subtiele kleurverschillen, nabeelden en de allerdonkerste schemer is subliem.

De entree is al bijzonder. Het publiek begint met een rondgang door de krochten van Frascati om op het duistere toneel uit te komen. Sommige spelers liggen in de foetushouding op de grond in een kleine lichtcirkel. Pas na enige tijd wordt de tribune zichtbaar en mogen we gaan zitten.

We zien een kluwen menselijke ledematen uit het duister opdoemen, een kuise orgie van friemelende ledematen. Lichaamsvormen worden onderscheidbaar, figuren proberen zich los te maken, worden weer teruggehaald. Het schemerlicht brengt de waarneming in de war en verhult kleuren. Dan maakt één man zich vrij.

Het is de Japanse danser en choreograaf Kenzo Kusada. Met zijn sterke, goeroe-achtige presence is hij de aanjager van de rest van de voorstelling. Is hij de eerste mens, een god of gaat Tussen ook gewoon over theater maken? Ondanks de vele dansante elementen blijft de voorstelling open voor (vele) concrete interpretaties. Samen met Mosk’s onaardse licht zorgt de altvioolmuziek van Oene van Geel –met veel pizzicato en live sampling- voor een onwerkelijke sfeer die de hele voorstelling aanhoudt.

Aan het eind lijken de spelers voor het eerst het publiek te ontdekken. In het duister, slechts onderbroken door een korte lichtpuls klimmen ze de tribune op en komen ze tussen ons in zitten. Het besluit van een reis van het absolute niets naar het huidige moment. Magisch theater.

Tussen van Schweigman&. Gezien 19/2/10 in Frascati. Tournee t/m 15/4. Meer info op www.boukjeschweigman.nl

Verslagje Impulse Festival

TM, buitenland, verslagjes — simber op 16 februari 2010 om 21:03 uur
tags: , , , ,

Geschreven samen met Lorianne van Gelder.

Net over de grens vierde Festival Impulse eind vorig jaar zijn vijftiende verjaardag. Impulse, dat zich afficheert als het belangrijkste festival in Duitsland na het Berlijnse Theatertreffen, biedt een podium voor het kleinschaliger theateraanbod uit de Duitstalige landen, voorstellingen die buiten de stadstheaters worden gemaakt – in goed Duits ook wel Off Theater genoemd. Door een jury (waarin dit jaar Rotterdamse Schouwburg-programmeur Annemie Vanackere zat) wordt jaarlijks de beste voorstelling gekozen, die op het Theatertreffen wordt getoond. In 2007 won Ivana Müller deze prijs met haar voorstelling While we were holding it together.

In tien dagen, eind november, begin december, reizen zo’n vijftien voorstellingen tussen de kleine zalen van de Ruhrsteden Bochum, Düsseldorf, Mülheim en Keulen. De selectie bestaat uit bekende namen in het kleinezaalcircuit, zoals het Berlijnse Gob Squad, het duo Gintersdorfer/Klaßen (dat op de laatste Internationale Keuze indruk maakte met Othello, c’est qui?), het collectief Andcompany&co en enkele voorstellingen van het Weense productiehuis Brut.

Deze vijftiende editie van Impulse (25 november t/m 6 december 2009) kenmerkte zich door documentairevoorstellingen – een trend die in Nederland ook duidelijk aanwijsbaar is. Zoals Ruanda Revisited van Hans Werner Kroesinger, waarin vijf acteurs voor een wand met kaarten, cijfers en foto’s als een politieke lezing de geschiedenis van Rwanda ontleden, van koloniale heerschappij tot genocide. De acteurs lijken echter moeite te hebben de droge stof recht te doen; ze blijven vormelijk en demonstrerend waar de losse speelstijl van ’t Barre Land of Wunderbaum een levendiger resultaat zou opleveren. Na een eerste feitelijke historische les wordt het publiek uit zijn stoel gehaald en door een donkere gang met een lange rij piepkleine filmstills van de genocide geleid. Op tafeltjes in de gang liggen bordjes met broodjes kaas, slachtoffers zijn immers ook net broodjes kaas, aldus een VN-commandant ter plaatse:  ‘Nobody cares about a cheese sandwich.’

De voorstelling gaat door in een kille tent op het achtertoneel, waar vervolgens de volledige oorlog chronologisch wordt naverteld, inclusief houtspaanders ter illustratie van de doden. Ten slotte zakt het doek van de achterwand en zien we de verlaten stoelen waarop we eerder zelf zaten: wij waren al die tijd toeschouwers. Het is een beetje dik moralisme dat doodslaat door de heiligheid waarmee de makers hun onderwerp behandelen.

Beter bevallen de twee producties van Brut, ‘het Frascati van Wenen’, volgens artistiek directeur Thomas Frank. De eerste is Made in Russia van het Russische duo Andrei Andrianov en Oleg Soelimenko, waarin ze hun – grotendeels verzonnen – levensverhaal vertellen, de één een jonge danser bij het Bolsjoi en de ander een onechte zoon van Jean-Luc Godard, die samen nieuwe dansmethodes onderzoeken en uitvinden en via contactimprovisaties, tochten over de Alpen en liedjes van The Beatles uitkomen bij het eindpunt van de dans: twee mannen op het toneel, vrolijk keuvelend over dans.

Ook de dansperformance Spitze van Doris Uhlich bij Brut is de moeite waard. Ontstaan vanuit Uhlichs wens ooit op spitzen te dansen werkte ze samen met de bijna zeventigjarige prima ballerina Susanne Kirnbauer-Bundy en recent gepensioneerd danser Harald Baluch. Het werd een sympathieke voorstelling, ontroerend in haar weergave van de imperfecte balletdanser en met genoeg ironie om ook niet-dans-ingewijden te onderhouden.

Onder de Duitse makers is overigens ook duidelijk het stempel van de studie toegepaste theaterwetenschap in Giessen waarneembaar, waar makers als René Pollesch en Rimini Protokoll vandaan komen. F wie Fälschung van Giessenstudent Boris Nikitin bijvoorbeeld is extreem conceptueel theater met verwijzingen naar Orson Welles, Publikumsbeschimpfung en Woyzeck. Duidelijk theater voor ingewijden; voor leken of buitenlandse theaterkenners is het louter slaapverwekkend.

De Impulse-prijs werd op de slotavond uitgereikt aan Othello c’est qui?. Dat betekent dat de voorstelling behalve door Berlijn ook wordt uitgenodigd door de Wiener Festwochen en door De Internationale Keuze. Wat een beetje jammer is, want daar is ze al geweest.

Gezien: Impulse Festival
Waar: Düsseldorf, Keulen, Müllheim, Bochum (Duitsland)
Wanneer: 4 t/m 6 december 2009

Boekrecensie: Werklicht II; alle avonturen van Toneelknecht Kees

TM, boekrecensies — simber op 16 februari 2010 om 20:49 uur
tags: , , , ,

Dertien jaar schreef Niko Bovenberg in het techneutenblad Zichtlijnen zijn columns over Toneelknecht Kees, een nurkse technicus bij “het belangrijkste toneelgezelschap van het land”. Stukjes vol gemopper over kantoorpikkies die het niet uitmaakt of ze voor een reclamebureau, een krokettenfabriek of een toneelgezelschap werken en waarin alle problemen uiteindelijk moeten worden opgelost door de technici.

Waarom die columns toch zo genietbaar zijn is de enorme liefde voor toneel die eruit spreekt. En dan  gaat het Bovenberg –inspeciënt bij Toneelgroep Amsterdam- niet de concepten en ambities van de ‘artistiekleider’. Hij bekijkt de wereld “een kwart slag gedraaid”, vanaf het zijtoneel, waar hij dag in dag uit decors opbouwt en afbreekt, zodat de acteurs in een provincieplaats kunnen spelen. “Het is elke avond nieuw ijs”, legt Kees uit aan zijn fysiotherapeute, want lichamelijk ongemak hoort erbij.

In 2002 verscheen al de bundel Werklicht, maar in Werklicht II zijn nu alle columns verzameld. Dit betekent enige overlap, en er zit nogal wat herhaling in de stukjes over avond aan avond de voorstelling bouwen, draaien, afbreken en dan midden in de nacht met blikes bier in het busje naar huis, ondertussen kankerend op de planning. Maar de nieuwe avonturen zijn toch zeer de moeite waard, vooral omdat het personage Kees wat meer reliëf krijgt, door een zwangere vriendin, een periode ‘openbare nuchterschap’ en een stukke rug.

En Kees is weliswaar een personage, maar de omgeving waarin Kees werkt is behoorlijk herkenbaar en door zijn ogen krijgen we een onthullend inkijkje in de wereld van de artistieke opvolging, de krankzinnige decorontwerper (Kees’ minachting voor het woord ‘scenograaf’ is een geestige running gag) en de hippe schouwburgdirecteur rond het Leidseplein.

Het leukste van het boek is het technische jargon, dat Bovenberg taalvaardig en zonder al te veel uitleg inzet, als couleur locale van de coulissen. En ook als je niet precies weet wat friezen knopen, een vak inhangen of een voetje geven betekent zijn de dialogen in dit slang bijzonder vermakelijk, en je steekt er nog eens wat van op, zoals dat je nooit in doorgang moet bellen en dat links en rechts op het toneel altijd vanuit de zaal gezien is. En: “een toneelgezelschap is een kruising tussen een timmerfabriek en een transportbedrijf waar ook acteurs en regisseurs werken.”

Ook mooi zijn de bijrollen van het piepjonge actricetje, de dramaturg en de studente theaterwetenschap achter de bar van het stamcafé, die allemaal hun eigen obsessie hebben met één stuk. Voor de oudere acteur is het King Lear, voor het piepjonge actricetje is het de Drie Zusters en voor Kees zelf is het Dood van een Handelsreiziger: “Elke avond woordelijk dezelfde ruzies aanhoren die hij en z’n vader voerden.”

En in de loop van de tijd ontwikkelt Kees’ vak zich verder. De trekken worden elektrisch, de decors worden technischer en zelfs Kees kan niet ontkennen dat het de laatste jaren goed gaat met ‘het beangrijkste gezelschap van het land.’ Maar uiteindelijk komt het toch altijd neer op té veel sjouwen in te korte tijd, met steeds minder vakbekwame mensen. Het toneel is natuurlijk vergeetkunst, en Kees met zijn olifantengeheugen beseft dat als geen ander. Melancholie is zijn enige beloning.

Over geheugen gesproken: Werklicht II is natuurlijk ook voer voor de repertoirediscussie; zijn de decors die Kees een jaar na de voorstelling verbrandt, de requisieten die hij gebruikt om het huis van een vriendin in te richten en de vaardigheden in zijn kop en handen niet óók onderdeel van de traditie van het toneel? Kortom: Toneelknecht Kees is verplichte kost voor zakelijkleiders overal in het land.

Gelezen: Werklicht II; alle avonturen van Toneelknecht Kees van Niko Bovenberg
Uitgave van de Vereniging voor Podiumtechnologie

Recensie: Mightysociety7

Ieder mens is een eiland. Schrijver en regisseur Eric de Vroedt en vormgever Maze de Boer hebben het letterlijk genomen. Ieder personage heeft een eigen kamer, allemaal totaal anders ingericht, geheel afgescheiden van de rest. Het is een woongroep van vier babyboomers en één jonge vrouw, met ieder een eigen nest.

De Vroedt neemt in zijn tiendelige theaterserie Mightysociety na terrorisme, de oorlog in Afghanistan en de jeugd van tegenwoordig nu de vergrijzing onder handen. Grootste troef daarbij is zijn keuze voor vier acteurs uit de ‘doelgroep’: Tom Jansen, Shireen Strooker, Els Ingeborg Smits en Rudolf Lucieer. Maar hij stelt teleur met een erg karikaturaal beeld van de generatie van zijn ouders.

De Vroedt brengt alles waar de babyboomers voor staan terug tot één kenmerk: egoïsme. Daniël verlaat na veertig jaar huwelijk zijn vrouw Wanda voor een meisje van nog geen dertig en verwacht wel dat ze nog iedere avond samen op de bank zitten. Wanda zelf wil maar geen afscheid nemen van haar werk, ookal zit haar bedrijf niet meer op haar te wachten en Phil is uit New York thuisgekomen om in haar vertrouwde omgeving euthanasie te plegen. Kunstenaar Rutger is een alcoholist die iedereen verwijt dat ze hem van zijn meesterwerk afhouden.

Het zijn vier kinderachtige narcisten die tegen beter weten in doen alsof ze nog jong zijn en nog steeds de mond vol hebben over vrijheid en zelfverwezenlijking en met elkaar ruzieën in kwezelachtige welzijnstaal uit de jaren zeventig. En hun idealisme dan? Rutger was vroeger actievoerder, maar zijn visioenen leidden uiteindelijk tot gewelddaden waarvoor hij zelfs in de gevangenis kwam. Zijn vriend Daniël had voor de inhoud niet zoveel belangstelling, maar kon wat Rutger hem influisterde wel heel goed verkopen. Hij gebruikt de slogans van toen nu in reclamecampagnes.

Waar De Vroedt in eerdere stukken effectief verschillende kanten van een de grote conflicten van onze tijd schetste, lijkt hij er nu op uit om de babyboomers doelbewust de gordijnen in de jagen. Aan het uitgebreide randprogramma (de sideshows) de taak om de beklaagden een weerwoord te bieden.

Dit neemt allemaal niet weg dat het toch fijn is om zoveel acteerervaring op het toneel te zien. De spelers nemen elkaar mee en bieden tegen elkaar op. De mooiste rol is die van Rudolf Lucieer die van de verlopen, mislukte kunstenaar Rutger een angstwekkend en pijnlijk personage weet te maken. Ook indrukwekkend is de rol van Shireen Stroker als Phil, mager en stil. Ze is de enige van wie je het hele leven vermoedt dat ze achter zich heeft. Af en toe worden er van haar prachtige videofilmpjes vertoond, waarin ook beelden voorbij flitsen van een jonge Strooker. En dan wens je: was het maar meer over hén gegaan.

Mightysociety7 van Mightysociety/Eric de Vroedt. Gezien 12/2/10 in Frascati. Aldaar t/m 14/2 en van 13/4 t/m 17/4. Tounee. Meer info op www.mightysociety.nl

Interview Johan Simons

Het werk van theaterregisseur Johan Simons is inmiddels vaker te zien in Duitsland dan in Nederland. Vanaf september wordt hij intendant van de Münchner Kammerspiele, waar hij vorig seizoen al Drei Farben maakte naar de films van Kieslovski met onder anderen Jeroen Willems. Komend weekend is die voorstelling in de Stadsschouwburg te zien. “Het contact tussen spelers en publiek is in Nederland vele malen directer en eerlijker.”

Het publiek verstijft collectief. Zo’n zevenhonderd mensen in de jugendstilzaal van de Münchner Kammerspiele zien de kabel breken. Met donderend geweld stort de donkerblauwe Volvo stationwagen zich met de neus naar beneden dwars door de toneelvloer heen. Drei Farben is begonnen.

Pathos is regisseur Johan Simons niet vreemd. Hij vestigde zijn naam samen met Paul Koek in de jaren tachtig met het locatietheater van Hollandia. Daarna verhuisde hij naar de grote zalen, eerst in Eindhoven en vervolgens naar Gent. Sinds enige jaren werkt hij als gastregisseur in München, vanaf september is hij er artistiek leider, of zoals de functie in het Duits heet: Intendant.

Na een serie voorstellingen naar aanleiding van het werk van de Franse schrijver Michèl Houellebecq is Drei Farben nu zijn derde voorstelling gebaseerd op de Poolse cineast Krysztof Kieslowski. “Ik raakte geïnteresseerd in Kieslovski omdat ik in Berlijn was en veel gesprekken voerde met mijn goede vriend en decorontwerper Bert Neumann”, vertelt Simons een paar dagen later aan de telefoon. “Hij is Oostberlijner en samen hadden we het over het politieke systeem vóór de val van de muur en de situatie nu. Kieslovski maakte zijn belangrijkste werk rond Die Wende: Tien Geboden gaat over de tijd waar het vermolmde systeem dreigt om te vallen. De Trois Couleurs serie gaat over het nieuwe Europa na de val van de muur.”

(meer…)

Interview Dries Verhoeven

interviews — simber op 1 februari 2010 om 13:27 uur
tags: , ,

Voor het engelstalige, internationale magazine Dutch Mountains van de SICA dat afgelopen week verscheen.

Een nieuwe generatie theatermakers uit Nederland verovert stilletjes aan Europa. Ze zijn vroeg in de dertig, ontwikkelden hun handtekening in het circuit van zomerfestivals en oriënteren zich internationaal, liever dan zich te richten op het veroveren van posities in het artistieke establishment.

Terwijl Ivo van Hove en Johan Simons zich opwerkten naar de eredivisie van Europese sterregisseurs ontwikkelden theatermakers als Jetse Batelaan, Lotte van den Berg, Boukje Schweigman en Dries Verhoeven een heel nieuw theatergenre, voortbordurend op het werk van Mickery en de Dogtroep uit de jaren ’70 en ‘80: ervaringstheater of beeldend locatietheater. Ze zochten naar manieren om hun publiek directer aan te spreken en kwamen uit bij een vorm die bijna geen theater meer is. De toeschouwer wordt hoofdpersoon, het kijken wordt onderwerp. Van hen lijkt Verhoeven de meest eigenzinnige. Zijn voorstellingen –als je ze nog zo kunt noemen- bewegen zich richting installatie en performance, maar weten vooral een buitengewone intimiteit te creëren. Zijn werk is inmiddels op festivals door heel Europa te zien en onlangs won hij op de Salzburger Festspiele de Young Directors Award.

(meer…)

Recensie: ‘Fraulein Else’ van De Theatercompagnie

Parool, recensies — simber op 31 januari 2010 om 18:20 uur
tags: , , ,

Alsof er niets aan de hand is presenteert De Theatercompagnie een nieuwe voorstelling in het Compagnietheater. Terwijl de subsidie is opgehouden en de groep van Theu Boermans in een langdurige rechtszaak is verwikkeld, heeft het gezelschap een listig plan bedacht dat draait om de verkoop van het ooit door de gemeente geschonken pand, wat een beetje geld oplevert om voorstellingen te maken; kleinschalig weliswaar – Fraulein Else is een solo van Katja Herbers. Op de première afgelopen vrijdag de financiële ellende even ver weg en ging het over de voorstelling. Jammer alleen dat die nogal tegenviel.

Fraulein Else is een novelle van Arthur Schnitzler (van wie Boermans de afgelopen jaren al twee stukken regisseerde) uit 1924, een monologue intérieur van een jong meisje op vakantie in een kuuroord. Ze houdt zich bezig met tennis, prakkizeren over wat ze aanmoet en aanmerkingen maken op haar medegasten, totdat ze bericht krijgt van thuis. Haar vader heeft een forse lening nodig en Else moet die lospeuteren bij een oudere heer die ook in het kuuroord verblijft. Inderdaad blijkt deze Dorsday bereid te betalen, op voorwaarde hij Else mag ‘zien’. Naakt welteverstaan.

Met opmerkelijk psychologisch inzicht schetst Schnitzler de wispelturige en tegenstrijdige gedachten en gevoelens van een jong volwassen meisje; nu eens sensueel, dan weer koket, soms ijdel, af en toe aandoenlijk, maar meestal nog een kind dat door de rest van de wereld al wordt gezien als seksueel wezen. Ze is zich bewust van het effect dat ze heeft, maar nog niet te in staat om te manipuleren. “Een slet wil ik best zijn, maar geen hoer!”

Herbers begint sterk, razensnel schakelend tussen hups en kinderlijk enerzijds en wulps en temend anderzijds. Halverwege de enorme, hagelwitte trap in het decor ziet ze er ineens heel frêle uit; op haar hakken weet ze de overdreven grote treden ternauwernood te bedwingen. Maar gedurende de avond verdwijnt de spanning en de trefzekerheid en moet de actrice zelfs af en toe een beroep doen op de souffleur.

Dan vraag je je ineens ook af wat Boermans’ bedoeling is geweest met deze tekst. Theatergroep ’t Barre Land maakte een paar jaar geleden een bewerking, waarbij ze mejuffrouw Else tegenover luitenant Gustl, een ander Schnitzler-personage, zetten. Margijn Bosch zette toen een Else neer die eindeloos dubbelzinnig was in een voorstelling waarin manipulatie, waarneming en werkelijkheid ondoordringbaar door elkaar liepen. Boermans’ versie is rechtlijniger, meer het verhaal van een moreel dilemma of een case study.

En dan dringt zich ook nog een andere, actuele associatie op: Herbers die naakt en kwetsbaar als Else het perverse publiek moet behagen om haar ‘toneelvader’ Boermans te helpen bij diens geldproblemen te helpen. Dat is een onbehaaglijke gedachte om mee naar huis te gaan.

Fraulein Else van De Theatercompagnie. Gezien 29/1/10 in het Compagnietheater. Aldaar t/m 13/2. Meer info op www.theatercompagnie.nl

Volgende Pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2010 Simber | powered by WordPress with Barecity